Tussen twee verkeersstops op Sawahbesar (fragment)

Op de hoek van Sawahbesar en Hajam Wuruk staan nederig weggezakt als kelderwinkeltjes twee klokkenmakers, waar het zó vredig en rustig is na al dat vertier en getier op straat dat het lijkt of de tijd hier teruggetikt wordt. En dan is er een Chinese barbier, die je pruik bijpuimt en daarna je oren van buiten en van binnen een beschamende beurt geeft, alsmede de achterkant ervan en de nek. Ik heb er ook wel eens een gast zijn tong zien afschrapen met een blikkrul en eerlijk gezegd, wie heeft daar af en toe ook niet behoefte aan, vooral na avonden met zeer veel kleine glaasjes en zure vis?

Op dit kruispunt naar het verkeer kijken is een sensatie op zichzelf. President Quirino heeft gezegd: “Djakarta is a bustling city”. Als hij daar gestaan had, zou hij getuigd hebben: “It is a bursting, an exploding city”. Vooral op het moment dat er een van Sawahbesar komende tram Hajam Wuruk oversteekt naar Gadjah Mada. Op deze twee ouwe Molenvlietse straten komt dan een kolossale trein van voertuigen tot stand. Dat wil zeggen, alleen die voertuigen, die per sé rechtuit moeten. Maar die links- of rechtsaf willen, wringen zich los uit de schijnbaar vast saamgekoekte queue’s en stulpen en kronkelen door allerlei gaatjes en gangetjes, snerpend toeterend of kwaadaardig ronkend. De gemotoriseerde cavalerie voornoemd breekt door en bovendien steekt de tram jengelend en lallend over, tandenknarsend in de bocht over de gracht. En het is merkwaardig hoeveel mensen op dit smalle leuningloze bruggetje toch nog willen op of afspringen, terwijl de trambordesjes zó vol passagiers staan, dat de buitensten eigenlijk niet meer staan, maar als koala-beertjes aan de mensentros hangen. Wie losspringt, staat één moment op de brugrand (met de tenen er overheen) te klapwieken als een eend, die opgewekt te water wil gaan, maar zijn gelaat verraadt andere emoties.

Ondertussen kan ook de divisie wandelaars aan de overkant, bij djalan Ketapang, die al uren en uren lang heeft zitten wachten tot de weg vrij is, oversteken. Het lijkt een filmopname van Cecil B deMille uit de doortocht door de Rode Zee van de film “De Tien Geboden”. Voetknechten en lansknechten (verkopers met draagstokken) stormen voorwaarts, daartussendoor betja-kerels als helden op strijdwagens, op de voet gevolgd door auto’s. Belgeratel, auto-geclaxonneer, wilde kreten. Op de brug volgt de clash met de stroom van de andere kant: de kurassiers van Canrobert. Maar op de een of andere manier vallen er geen doden (alleen éénmaal heb ik er een ontzielde bromfiets zien wegslepen) maar kronkelt alles als olie en water langs mekaar heen, terwijl twee verkeersagenten vaderlijk glimlachend op de chaos neerblikken. In deze mêlee vaart hoog en verheven de tram, waaruit verwilderde passagiers kijken als spookdiertjes.

En in de bruine plas, traag stromend als De Gladde Bruine Tijd, wassen onverstoord de vrouwen hun was of hun beras, zwemmen en duiken kindertjes als jonge eendjes, poetst de pauzerende betjaman zijn tanden en voldoet een collega aan een andere levensnoodzaak. Een dode kat vaart indrukwekkend voorbij als een raderboot op de Mississippi naast een ontzaglijk groot djatiblad van heel ver uit de goenoeng.
 


Beras = ongekookte rijst
Goenoeng = gebergte
 


terug naar de startpagina van moors magazine

« | »