Het is jammer dat er nog geen behoorlijke wetenschap der economie
bestaat. Er bestaan natuurlijk wel allerhande economische theorieën. Deze
blijken echter vooral geschikt om allerlei verschijnselen achteraf te
verklaren. Van een echte wetenschappelijke theorie moet verlangd worden dat
ze gebeurtenissen kan voorspellen. Dat is helaas nog nooit vertoond.
Om dit gemis op te vangen heeft de economische wetenschap een list bedacht.
Deze komt erop neer dat over het effect van bepaalde maatregelen twee
theorieën bedacht worden die een tegengestelde uitwerking voorspellen. In de
fysica zou dat betekenen dat men zou stellen dat wanneer een appel rijp is
en los komt van zijn tak er twee mogelijkheden zijn: hij valt naar de grond
of hij valt de hemel in. Dat dit jammer is komt bijvoorbeeld tot uitdrukking
in het economisch beleid van onze regering.
De regering bezuinigt. Over het effect van bezuinigingen door de regering
zijn twee tegengestelde economische theorieën. De regering hangt helaas de
theorie aan die meent dat bezuinigingen een heilzame werking hebben op de
economie. Deze theorie lijkt heel plausibel, maar dat zegt niets, dat is
namelijk een eigenschap die alle economische theorieën gemeen hebben. Ze
luidt dat de regering net als elk ander huishouden niet meer mag uitgeven
dan ze ontvangt. Wanneer ze dat wel doet moet de broekriem aan. Dit heeft
als plezierig neveneffect dat de belastingen omlaag kunnen zodat arbeid
goedkoper wordt zodat we beter kunnen concurreren met het buitenland en er
meer banen ontstaan.
Vroeger werd deze theorie vooral aangehangen door het gegoede deel der
Nederlandse burgerij.
De andere theorie zegt dat bezuinigingen de economie regelrecht ten grave
dragen. De staathuishouding mag volgens deze theorie niet vergeleken worden
met een gewone huishouding. Dat komt omdat bijna alles wat de staat uitgeeft
ook weer terugvloeit naar de staat.
Neem bijvoorbeeld een ambtenaar. Van zijn loon heft de staat loonbelasting.
Stel dat de ambtenaar de rest uitgeeft aan consumptieartikelen. Daarover
wordt BTW en andere belasting geheven. De rest van het geld is nu bij
bedrijven beland. Die gebruiken dat om hun personeel te betalen, daarvoor
geldt weer hetzelfde verhaal. Een ander gedeelte gaat naar andere bedrijven
voor grondstoffen en diensten, die betalen daar hun personeel weer van en zo
voort.
De econoom Rudi Harthoorn rekende ons eens voor dat het geld dat de staat
uitgeeft na gemiddeld drie maanden weer terug is. Omdat het geld even weg is
ontstaat er een natuurlijke staatsschuld van ongeveer 100 miljard. In deze
theorie kan de staat dus onmogelijk teveel uitgeven. Maar, zal een aanhanger
van de eerste theorie tegenwerpen, de Nederlandse staatsschuld is geen 100,
maar 500 miljard, de regering heeft wel degelijk een gat in de hand. Deze
gevolgtrekking kent wederom zijn tegendeel.
Wanneer de staatsschuld groter is dan de natuurlijke staatsschuld, moet
dat, volgens de andere theorie te wijten zijn aan een lek in de kringloop.
Het geld verdwijnt bijvoorbeeld naar het buitenland. Dat is in Nederland
niet zo, we hebben een overschot op de betalingsbalans. Waar blijft het dan?
Al dat geld verdwijnt in de oude sok van de pensioenfondsen. De 1000 miljard
die ze nu bezitten wordt gemiddeld zo’n dertig jaar aan de kringloop
onttrokken en veroorzaakt zo de staatsschuld. Wanneer dat geld weer in
omloop gebracht zou worden zou de staatsschuld verdwijnen en zouden er 1,2
miljoen arbeidsplaatsen bijkomen. De vergrote inkomsten van de staat zouden
ruim voldoende zijn om alle pensioenverplichtingen na te komen.
Alleen bezuinigen zou juist verdere werkloosheid en een maar steeds niet
verdwijnende staatsschuld met zich brengen. Te vrezen valt dat we alleen
deze laatste voorspelling zullen kunnen toetsen aan de komende
gebeurtenissen.