Wanneer men Nederlandse artsen en andere mensen zou vragen wat de
grootste risicofactor voor een goede gezondheid is, zouden waarschijnlijk
roken, weinig lichaamsbeweging, slechte voeding en stress om de eerste
plaats strijden. Dit is onjuist. Al sinds honderden jaren is duidelijk dat
mensen uit lage sociale klassen hoger scoren op vrijwel alle ziekten die
bestaan.
Merkwaardig genoeg is de oorzaak van dit verschijnsel onbekend. Er zijn
natuurlijk wel allerlei hypothetische verklaringen. Armoede, slechte
huisvesting, slechte voeding, niet adequate medische zorg, lage opleiding en
groter tabaksverbruik worden vaak genoemd. Sociale klasse is zo'n
belangrijke factor bij het onderzoek naar de verspreiding van ziekten, dat
epidemiologen deze factor in hun studies altijd constant houden. Als ze dat
niet zouden doen zou deze factor alle andere opslorpen.
Het resultaat van deze werkwijze is dat over de oorzaak van dit
verschijnsel niets vaststaat. Nu zou men kunnen tegenwerpen dat zo'n
onderzoek geen zin heeft omdat er aan verschillen tussen arm en rijk toch
niets veranderd kan worden. Dit zou inderdaad zo zijn wanneer uit onderzoek
zou blijken dat mensen in sociaal lagere klassen vaker ziek worden omdat ze
arm zijn. Dit is echter niet het geval.
Een klassiek onderzoek hierover is in 1978 gedaan door Michael Marmot van
de Universiteit van Londen bij Britse ambtenaren. De laagste beambten bleken
vier maal zo vaak door een hartaanval getroffen te worden dan de hoogste.
Dat lag maar zeer gedeeltelijk aan de ongezondere gewoontes van de
laagstbetaalden. Wanneer je corrigeerde voor bloeddruk, cholesterolgehalte,
roken, fysieke activiteit enzovoort bleef er toch nog een drievoudig
verschil bestaan.
Het meest opvallende resultaat was echter dat ambtenaren die maar één
trapje lager dan de absolute top stonden, zoals artsen en juristen, twee
keer zoveel hartinfarcten kregen dan hun superieuren. De echte top bestond
uit lieden die in Oxford of Cambridge gestudeerd hadden en konden verwachten
aan het eind van hun carriere geadeld te worden.
Deze uitkomst is verbazend. Artsen en juristen zijn niet arm, hebben geen
slechte huizen of minder toegang tot de gezondheidszorg, geen slechte
opleiding of eenzijdige voeding. En het ging niet alleen zo met de subtop.
Wanneer je sociale positie en hartziekten tegen elkaar afzette was er een
geleidelijke toename van ziekte bij lager wordende positie te zien.
Dat het hier niet gaat om een eigenaardigheid van het Britse
overheidsapparaat is aangetoond in een vergelijkend onderzoek door de
Amerikaanse epidemioloog Leonard Syme. Hij vond een soortgelijke gradient
vrijwel overal op de wereld en voor bijna elke ziekte die bestudeerd was.
Het begrijpen van een slechte gezondheid van een onderklasse is of lijkt
eenvoudig, anders is het met het verklaren van deze gradient.
De enige theorie die nuttig zou kunnen zijn wordt aangedragen door
psychologen. Deze zegt dat men gezonder is naarmate men meer invloed kan
hebben op de gebeurtenissen die bepalend zijn voor het eigen leven. Het is
niet zozeer de stress die het werk ongezond maakt, maar stress gecombineerd
met het gevoel dat men er zelf niets aan kan veranderen.
Zo lijken de gezondheidsproblemen van Amerikaanse buschauffeurs, die net
als de Nederlandse kampen met veel meer ziektes dan hun collega's in
vergelijkbare beroepen, terug te voeren op dienstregelingen en roosters die
onwerkbaar zijn en waar de chauffeurs geen invloed op kunnen uitoefenen.
Misschien kan met dit wetenschappelijke gegeven rekening gehouden worden bij
de preventie van volgende stakingen in het openbaar vervoer.