Wie heeft er zeggenschap over je lichaam na je dood? Dit leek de
belangrijkste vraag in de diskussie over orgaandonatie. De staat, de
nabestaanden of kon de persoon zelf over het graf heen rechten doen gelden?
De aanleiding voor de diskussie leek ook duidelijk. Het huidige stelsel,
waarbij levenden hun organen schriftelijk konden beloven te doneren na hun
verscheiden leverde te weinig op. Velen stierven daarom onnodig op
wachtlijsten, terwijl anderen door de schaarste niet eens in aanmerking
kwamen voor een plaats op de wachtlijst voor een transplantatie.
Deze hele problematiek zou opgelost kunnen worden door een systeem
waarbij zoveel mogelijk bruikbare lichaamsonderdelen beschikbaar zouden
komen. Dit denkmodel zou je het medische garagemodel kunnen noemen. Het lijf
wordt opgevat als auto. Zodra onderdelen niet meer gerepareerd kunnen worden
moeten ze worden vervangen. Na zo'n reparatie is de wagen weer als nieuw. Om
die reden zou het ook van schandalige verspilling getuigen wanneer auto's
niet meer gerepareerd zouden kunnen worden enkel en alleen omdat er geen
nieuwe onderdelen voorhanden waren. Om die reden is het waarborgen van
beschikbaarheid van reserveonderdelen dan ook een eerste vereiste.
Het medisch garagemodel is zowel optimistisch als simplistisch.
Optimistisch omdat in een garage bij de vervanging van een dynamo succes
altijd verzekerd is, simplistisch omdat we meer invloed kunnen uitoefenen op
het funktioneren van een auto dan op de werking van een levend
mensenlichaam. Om te beginnen hoeven we niet bang te zijn dat een auto
sterft tijdens de reparatie, een auto is namelijk al dood. Vervolgens
probeert de auto de ruildynamo niet af te stoten omdat die uit een andere
auto komt en ten slotte is de levensduur van het nieuwe onderdeel
gegarandeerd.
Het uitgaan van een garagemodel bij het denken over ziekte heeft een
grote aantrekkingskracht. Elk ingewikkeld medisch probleem heeft binnen dit
model een oplossing die eenvoudig is, direct, voor de hand liggend. En
onjuist. Lichamen houden namelijk helemaal niet van vreemde organen. Van de
orgaantransplantaties die momenteel mogelijk zijn, te weten hart, long,
lever en niertransplantaties, lijken de laatste het meest succesvol.
Maar ook bij niertransplantaties moet de afstotingsreaktie van het
lichaam geruime tijd met heel onplezierige chemicaliën uitgeschakeld worden.
Dit trekt een zware wissel op het welbevinden van de patiënt. Hij voelt zich
ziek, maar dit is natuurlijk maar een kleine prijs. Een gevoel van
dankbaarheid is meer op zijn plaats, hij behoort nu ten slotte tot de
gelukkigen die na doorlopen van de wachtlijst aan de beurt zijn gekomen om
geholpen te worden. Nare bijwerkingen en complicaties dienen op de koop toe
te worden genomen.
Vanwege het garagemodel overschat de patiënt misschien de kans dat alles
nu klaar is. De kans echter dat de ruilnier na vijf jaar nog werkt moet op
ongeveer vijftig procent geschat worden. Dat betekent dat de patiënt weer
opnieuw aan de dialyse en op de wachtlijst moet voor een retransplantatie.
Wanneer die ook weer slaagt weet de patiënt beter wat de kansen zijn.
Niet zelden treden tijdens dit proces gevoelens van ernstige depressie
op. Maar het zou natuurlijk het toppunt van ondankbaarheid zijn wanneer men
er na twee ruilnieren, waar anderen vergeefs op gewacht hebben, een eind aan
maakt. De tragische konklusie is dat bij voldoende ruilorganen, waardoor ook
nog de indicaties verruimd zullen worden de beschreven groep patiënten
evenredig zal toenemen.
Een belangrijker discussiepunt dan de zeggenschapsstrijd, dunkt mij.