Alles is erfelijk. Tot die even simpele als foute conclusie komt de
ijverige krantenlezer tegenwoordig al gauw. Krantekoppen hebben de afgelopen
jaren gemeld dat er genen gevonden zijn voor onder andere schizofrenie,
alcoholisme, manische depressiviteit, dikheid, borstkanker,
homoseksualiteit, agressiviteit, intelligentie, verlegenheid, vraatzucht,
echtscheiding, conservatieve politieke overtuigingen, televisie kijken en
bangheid.
Onderzoek dat vraagtekens bij deze bevindingen plaatst komt meestal niet
prominent in de krant. Toch is elke bovenstaande claim, met uitzondering van
het borstkankergen weerlegd. In alle omstandigheden is aangetoond dat
omgevingsfactoren minstens zo'n belangrijke rol spelen bij het ontstaan van
genoemde problemen als een boos gen. Ook epidemiologische gegevens maken
vaak duidelijk dat een genetische oorzaak onzin is.
Zo'n vijftig jaar geleden leed één procent van de Amerikanen aan een
depressie. Gemiddeld waren de lijders 75 jaar. In de zestiger jaren was de
gemiddelde leeftijd voor een eerste depressie 32 en op dit moment 19. Dat is
genetisch moeilijk te verklaren. Zowel bij schizofrenie als bij alcoholisme
komt het verantwoordelijk geachte gen ook veel voor bij mensen die daar geen
last van hebben.
Dan het dikheidsgen. In 1995 vond Friedman een genetische afwijking bij
muizen met overgewicht. Zeer recent bleek dat het injecteren van het eiwit
dat dit gen aanmaakt bij muizen vermagering teweegbracht. De eetlust werd
minder, het energieverbruik nam toe, het leek wel of de muizen speed
gekregen hadden.
Toen zo'n gen ook bij dikkerds werd gevonden lag de conclusie voor de
hand. Een klein probleem is dat een derde van de Amerikanen te dik is en het
aantal vetzuchtige teenagers in de V.S. de laatste tien jaar ontstellend is
toegenomen. Het "Center for Disease Control" wijt dit laatste niet aan genen
maar aan gebrek aan beweging.
Het gendefect dat borstkanker veroorzaakt geeft 85 procent kans op de
ziekte. Helaas is preventief afzetten van beide borsten de enige remedie.
Negen van de tien vrouwen met borstkanker heeft overigens het gendefect
niet.
Veel erfelijkheidsonderzoek gebeurt door eeneiige tweelingen te
vergelijken met gewone tweelingen. Wanneer bepaalde eigenschappen veel vaker
gedeeld worden door identieke tweelingen dan door de andere, acht men een
erfelijke component waarschijnlijk.
Kritiek op deze manier van doen kwam van de Amerikaanse psychologe Sandra
Scarr. Zij wees erop dat het uiterlijk van groot belang is. Kinderen die er
gelijk uitzien worden ook gelijk behandeld door hun omgeving en ontwikkelen
daardoor op elkaar gelijkende persoonlijkheden. Zo kon ze aantonen dat
tweelingen die ten onrechte voor identiek gehouden werden veel meer
karaktereigenschappen gemeen hadden dan tweelingen waarbij de leden
uiterlijk niet op elkaar leken.
Het enthousiasme voor de genetische verklaring van allerhande menselijke
eigenschappen is wonderlijk. Hoewel het plezierig kan zijn zelf niet
verantwoordelijk te zijn voor dikte, alcoholisme, somberheid, agressie en
conservisme, de andere kant van de medaille is nogal ongunstig. Wanneer
alles aangeboren is kunnen activiteiten als opvoeding en scholing
grotendeels vervallen. Passiviteit en fatalisme liggen dan voor de hand.
Hoewel depressie niet erfelijk is leidt het geloof dat alles erfelijk
is wel tot somberheid.
De psycholoog Martin Seligman meent dat "aangeleerde hulpeloosheid",
ofwel het geloof dat men geen invloed op het eigen leven kan uitoefenen, een
belangrijke factor is bij het ontstaan van depressies. Geloof in eigen
kracht daarentegen levert de belangrijkste bijdrage aan psychologische
gezondheid. Skepsis bij al die genetische ontdekkingen is bevorderlijk voor
de geestelijke volksgezondheid van iedereen.