Dinosaurussen stierven uit omdat ze te groot geworden waren, leerde ik op
school. Ze konden zich alleen in moerassen nog staande houden en toen het
eens een keer wat droger werd zakten ze collectief door hun poten en was het
afgelopen met het rijk der reptielen.
De leraar die deze tragische historie uit de doeken deed liet niet na
hier ook een moraal aan te verbinden. Groot groeien was gevaarlijk, voor men
het wist overschreed men een grens waarna het onheil naakte. Men zag deze
wetmatigheid bijvoorbeeld ook bij het Romeinse rijk, de olifant en de
walvis, de Zeppelin en de Amerikaanse automobiel.
Omdat ik de kleinste uit de klas was sprak mij deze theorie zeer aan.
Omdat men voor het uitsterven van deze grootste van alle landdieren als
aanleiding nu een komeetinslag postuleert, hoort men over deze oorzaak
weinig meer. Toch moeten we aannemen dat bijvoorbeeld de Tyrannosaurus rex
c.s. een en ander wel had kunnen overleven, wanneer hij het formaat van een
muis had gehad. Kleine zoogdieren overleefden de ramp namelijk wel en
volgens moderne inzichten zijn wij mensen daaruit voortgesproten.
De gedachtengang van mijn biologieleraar volgend bezwijken soorten als
het ware aan hun succes. Een gedachtengang die hem zelf kennelijk
buitengewoon aantrekkelijk voorkwam en verwantschap had met het bekende:
hoogmoed komt voor de val. Nadat een soort op deze wijze uitgestorven of
gedecimeerd was, werd hij onafwendbaar door een andere opgevolgd. Na elke
ramp moest er weer driftig geëvolueerd worden en wanneer men een
levenshouding had die gekenmerkt werd door een combinatie van optimisme en
hoogmoed, dan zou men van mening kunnen zijn dat na elke ramp uiteindelijk
een hoger wezen ontstond, in ieder geval na de laatste inslag.
Omdat die zware krengen slechts met tussenpozen van tientallen miljoenen
jaren naar beneden komen zou het erop lijken dat de evolutie van een nog
hoger wezen een kwestie van veel geduld is. Gelukkig hebben de mensen daar
wat op gevonden. De homo sapiens volgt momenteel een strak schema dat men
ook bij gisten aantreft. Een in principe eenvoudig proces dat heel
natuurlijk is. Wanneer een gistcel in een plas druivensap terechtkomt
bevindt hij zich ineens in een zee van voedsel.
Gulzig valt hij erop aan en al snel is hij met zijn tweeën, daarna
vieren, dan achten en zo voort. Alle cellen eten de overvloedig aanwezige
druivesuiker. Ze scheiden ook wat uit: alcohol, maar daar hebben ze in het
begin nog geen last van. Wanneer er genoeg glucose is blijven ze zich
vermeerderen totdat het alcoholpercentage boven de twaalf procent is, dan
sterven ze allemaal, een aardig produkt voor een andere levensvorm
achterlatend.
Deze gang van zaken, die het "Bordeauxscenario" genoemd zou kunnen worden
is op dit moment in volle gang en roept een interessante vraag op, waarvoor
een nieuwe tak van wetenschap opgericht zou moeten worden. Een uitbreiding
van de paleontologie, die fossielen van uitgestorven diersoorten bestudeert.
We zouden deze discipline prospectieve paleontologie kunnen noemen. De leer
van de soorten die na ons komen.
De belangrijkste speculatie zou moeten zijn uit welke soort de nieuwe
kroon der schepping zou kunnen evolueren. Ik voorspel twee scholen. De
eerste zou de rechtvaardigheidsschool kunnen zijn: steeds een nieuwe soort
mag het meest geavanceerde type aanleveren.
De andere zou in de volksmond de Jojoschool heten: na de reptielen de
zoogdieren, dan weer de reptielen enzovoort. De geleerden zullen erover
twisten of de ruimteschepen van de toekomst bestuurd zullen worden door
geniale octopussen of superleguanen.