havermoutpap

de geur van havermout
- hilde arts

 

Ik word wakker van een vreemd geluid, een bel. Ik hoor ineens veel lawaai, gelach, kinderstemmen, en rondrennende voeten. Het ruikt hier ook helemaal niet als thuis. Waar ben ik? Ja, nu weet ik het weer. Gisteravond ben ik, samen met mijn zusjes, uit huis gehaald door mijn tante en naar het kinderhuis gebracht. Ik rek me uit en merk dat ik mijn benen niet kan strekken. Ik lig in een kinderbedje, een kinderbedje! Ik ga zitten en kijk door de spijlen,  mijn jongere zusje ligt in net zo’n bedje op de grote slaapzaal, zij past er wel in, maar zij is ook drie jaar jonger. Als je vijf bent, ben je echt veel groter. Er zijn veel meer meiden die groter zijn, die hebben allemaal wel een groot bed. Ik wil niet in een klein bedje en ik wil naar huis.
  Daar komt juf Liesje, ze is wel lief. Ze moet steeds lachen en maakt grapjes met de meiden. Ze tilt me uit het bedje en zegt dat ze vandaag een groot bed voor mij haalt. Ze geeft me mijn kleren en helpt me met wassen en aankleden. We moeten wel en beetje opschieten want we moeten als de bel  weer gaat naar beneden, naar de eetzaal. Juf Liesje kamt de haren van alle meiden en bij mij maakt ze een knotje. Mooi!

De bel gaat en iedereen gaat de trap af. Beneden zijn nog veel meer kinderen, jongens en meisjes, groot en klein. Ze gaan in een dubbele rij staan. Er komt een mevrouw aan, ze is groot, ze heeft een grote knoet bovenop haar hoofd en ze heeft een bruin pak aan. Dat is juffrouw Nicolaas, juffrouw Speculaas zeggen alle kinderen stiekem. Ze loopt door de rij kinderen en stoot met haar ellebogen de kinderen aan die niet recht staan. Als ze iedereen gekeurd heeft mogen we naar binnen.

Nu weet ik wat ik rook. Voor iedereen staat er een bord havermoutpap en twee boterhammen klaar. Een boterham met kaas en een met van die gekleurde hageltjes. Iedereen gaat zitten. Tegenover mij zit een mevrouw in een zwart pak, ze heeft een bril op en ze heeft een kapje op, dat zit met een fluwelen strikje vast onder haar kin. De andere kinderen noemen haar Zuster, ze vinden haar aardig want ze praten en lachen met haar. Voordat we mogen eten gaan we bidden. Dan gaat iedereen eten, ineens is er een boel lawaai van tikkende lepels in de borden. Ik probeer ook maar eens een hapje, moet dat allemaal op?  En dan nog de twee boterhammen, dat lukt echt niet. Ik vind de pap niet lekker. Ik word er misselijk van. Ik krijg het zo warm, straks moet ik spugen. De zuster ziet me zwoegen en geeft me een knipoog, ik hoef niet alles op te eten, gelukkig.  Na het eten gaan we zingen, omdat ik er voor de eerste keer ben mag ik zeggen wat er gezongen gaat worden.

Ik vind “in de maneschijn”wel een leuk liedje. De hel breekt los, alle kinderen rollen van hun stoel van het lachen. Als de zuster de eetzaal weer rustig heeft gaan we “Er ruist langs de wolken “zingen. Ook goed.

De volgende morgen en de morgens daarna staat er voor mij in de eetzaal een bordje met twee boterhammen klaar, geen havermoutpap meer. Ik heb nog een heleboel liedjes bedacht om te zingen na het eten, maar de zuster heeft het me niet meer gevraagd.

 Havermoutpap. De geur brengt me onmiddellijk terug naar het kinderhuis vierenvijftig jaar geleden.


 Hilde Arts


terug naar de startpagina van moors magazine