fietsers...

winterreise

 

Op de kachel pruttelt de suikerbiet, die mijn zusje en ik bij het park gevonden hebben. Wij scharrelen er om heen: ’als die biet nou maar lang genoeg blijft borrelen zou er dan stroop van komen?’ Ondertussen pellen we beukenootjes, die we op de Bezuidenhoutse weg hebben verzameld. Om ze te poffen leggen we ze op de hoekjes van de kachel, naast de pan. De kachel staat aan een lange pijp midden in de kamer; dan blijft de warmte binnen, zei moeder. Na twee dagen nootjes eten voelen we ons allebei ziek.

‘t Wordt etenstijd en nieuwsgierig beginnen we aan ons bordje suikerbiet, ’t smaakt flauw en drabbig. Gelukkig heeft moeder nog een restje erwtensoep van gisteren. Ook daar houd ik niet echt van, maar ja... En terwijl we eten vertelt ze, dat er bij een boer in de Wieringermeer een plaatsje vrij is op de boerderij, voor een kind. "Heb jij daar wel zin in, Anke, om daar naar toe te gaan?" Aarzelend denk ik "mmm, vind ik dat wel leuk?". "Hoe lang duurt dat dan?" Moeder twijfelt: "Misschien wel tot de oorlog afgelopen is."

Tja, dat had ik al heel vaak horen zeggen, dat lijkt me als negenjarige oneindig ver weg. Maar mijn moeder en kleine zusje zouden er dan mijn bonkaart bij hebben, en dat weegt zwaar.

De Wieringermeer, hoe kom je daar eigenlijk? Er rijden geen treinen of bussen meer, auto’s zijn voor dokters en Duitse soldaten. Blijft alleen over: moeders oude fiets! De dag voor de grote tocht komt ons vervoermiddel terug van de fietsenmaker en we schrikken: er zit maar één echte band op, de andere is van hout! Moeder kijkt niet al te vrolijk: de fiets maakt veel lawaai en rijdt beroerd!

"Maar zo één pakken de Duitsers vast niet af", zegt onze tochtgenote tante Koos opgewekt. De volgende dag waait er een koude Oostenwind, maar na beraad starten we toch. Mijn benen steken in de fietstassen, waar één kruik voor één heerlijke warme voet zorgt. Een kussen op de bagagedrager zit zacht, tante Koos heeft de bagage achterop en zo gaan we rond negen uur al ratelend de grauwe en kille wereld in! De fiets rijdt zwaar. M’n moeder moet hard trappen en ik probeer haar te helpen door bij elke trap een zetje te geven. Langs Marlot rijden we en dan de Wassenaarse weg op. Daar zien we een soldaat in de berm van de weg drentelen.

Een eindje verder nog één, ze zien er ongevaarlijk uit. Maar er komen geen mensen van de andere kant en dat is wel raar. Moeder en tante Koos overleggen, een andere soldaat wenkt dat we verder moeten fietsen. Een poosje trappen later komen we een bocht om en daar zien we een hele haag soldaten op de weg. Ze leiden ons de tuin van een villa in waar nog meer vrouwen staan. Grote bomen met witte stammen zie ik en er liggen kiezels door de hele tuin. We mogen de fietsen gelukkig tegen het hoge kippengaas op de scheiding zetten en houden ze goed in de gaten.

Ineens zie ik dat er in de buurtuin mannen staan. Sommigen praten door het gaas met vrouwen aan onze kant. Ze zien er ernstig uit, één vrouw huilt. Ik loop langzaam een rondje over de kiezelstenen. De koude wind blaast hard en ik kan geen plekje uit de wind vinden. Ik trek mijn winterjas zo dicht mogelijk om me heen, maar het helpt niet veel. Ik zie nog steeds vrouwen de tuin binnenkomen, één is heel groot en heeft een hoofddoek om. Er is iets vreemds aan de vrouw, waardoor ik m’n ogen niet van haar af kan houden. Even later hou ik m’n adem in als ik grote schoenen onder haar lange rok uit zie komen. Verward draai ik me om en loop weg. Ik hoop stiekem dat niemand begrijpt wat ik zonet heb gezien. Na een tijdje kan ik haar niet meer vinden, moeder zegt dat ze verdwenen is.

Tegen schemer mogen we eindelijk weg uit de tuin. Natuurlijk gaan we niet verder door, moeders fiets met houten band moet ons veilig terug brengen.

We praten niet op de terugweg. We zijn verkleumd en vol met gedachten over wat er vandaag gebeurde. We willen naar huis.

 

Januari 1945 / AnK.

April 2008


Dit verhaal werd geschreven tijdens de cursus Schrijf je levensverhaal.


terug naar de startpagina van moors magazine