|
|
de fröbelschool |
|
|
Op 14 december 1944 werd ik vier jaar en mocht
ik na de kerstvakantie naar de Fröbelschool. Maar o jee, ik wilde helemaal niet naar school. Thuis had ik het helemaal naar mijn zin. Een groot erf met prachtige struiken en bloemen. Een hond "Spattie", de hele dag door kon ik met hem ravotten door de kleurrijke bloemen. Ik kende alle kleuren al. Ik kon tellen en mijn naam schrijven. Waarom naar school? Ik had toch alle vrijheid thuis? Doch de dag kwam dat mijn moeder mij een nieuw jurkje aandeed. Nieuwe schoentjes. Een klein koffertje, blauw van kleur, met daarin boterhammen, bekertje en flesje met chocolademelk. "Kom, je bent nu een groot meisje en je moet nu naar school!" Mijn protest en verzet hielpen helemaal niet. We woonden aan de Gongrijpstraat en moesten via de Stoelmanstraat naar het begin van de toen nog Gravenstraat lopen.Mijn moeder vertelde onderweg hoe leuk ’t wel op school was. Maar hoe meer de school naderde, hoe moeilijker ik het had. Op school werd ik aan de soeur - zoals de nonnen genoemd werden - overgedragen. Zij heette Honorée. Ik gaf haar een hand en moest afscheid van mijn moeder nemen. Ik barstte in huilen uit. Geschrokken was ik van de soeur, die ik voor ’t eerst van dichtbij zag. Een gezicht. Omwonden met een stijf witte kap. Ik zag handen en een lang wit gewaad tot de grond, geen voeten. Door mijn hoofdje ging: "is dit wel een mens?" Toen alle kindertjes op hun plaats zaten en ik al huilend óók, zei soeur Honorée: ‘Jij zit naast een meisje met dezelfde pijpenkrullen en een grote strik In ’t haar als jij.’’ Maar ik bleef desondanks huilen. Het meisje lachte naar mij. Ik begon nog harder te huilen vooral toen Soeur Honorée op zingende toon een Weesgegroet begon te bidden en wij zin voor zin moesten nazingen. Terwijl ik haar op en neer zag wiegen, ging weer door mijn hoofd: is dit een mens of een engel? We kregen een Fröbeldoos van hout met schuifdeksel, daarin zaten zachte gehaakte opgevulde balletjes in de vier hoofdkleuren. Het interesseerde mij niet. De kleuren kende ik immers al en huilend schoof ik de doos van me weg. Ik hield pas op met huilen, toen het meisje naast me zei : "Ik heet Trudy". Ze sloeg haar armpjes om me heen en van dat moment af waren we vriendinnen. Ik werd rustig. Trudy heette van haar achternaam Guda. Ze is nu de vrouw van de Antilliaanse schrijver Frank Martinus Arion. We zijn steeds vriendinnen gebleven. En dankzij haar is mijn eerste schooldag niet huilend geëindigd. Nanda Th. Lubliek. Dit verhaal werd geschreven tijdens de cursus Schrijf je levensverhaal. |