Toen ik jong was, was ik idealistisch. Dat wil zeggen dat ik dacht te weten hoe de ideale wereld er uit moest zien en dat ik bereid was veel op te offeren om die ideale wereld dichterbij te brengen. In mijn ideale wereld was er geen plaats voor legers. Honger zou er niet bestaan. Iedereen zou evenveel kansen krijgen en ook gelijk delen in de collectieve rijkdom. Die wereld moest haalbaar zijn, dacht ik. Wat het verwerkelijken van deze ideale maatschappij tegenhield was de laksheid van de gewone burgers. Door die laksheid zorgde het burgermannetje en -vrouwtje ervoor dat de status quo gehandhaafd werd. Als iedereen zich maar net zo idealistisch op zou stellen als ik, dan zou de wereld er al snel heel anders uit komen te zien.

Hoewel ik het idee van communisme onderschreef, realiseerde ik me ook dat daar waar de communistische heilstaat was gerealiseerd dat, voor de meeste inwoners van die heilstaten, net zo’n grote ramp, of zelfs een grotere ramp betekende dan de staat waarvan ze waren ‘bevrijd’. Het verschil tussen China en Chili was, voor de bewoners, niet zo groot. In allebei de landen waren de burgers niet meer dan willoze pionnen in de handen van gewetenloze dictators. Zowel rechtse als linkse dictators vonden dat ze hun medemensen voor hun hogere doel mochten opofferen. Toen ik me dat realiseerde, realiseerde ik me ook dat voor mij het doel nooit de middelen mag heiligen. In mijn ideale wereld werd geen enkel mens opgeofferd aan de heilstaat. Wel was ik bereid zelf mijn leven te geven voor mijn idealen. Maar wie ben ik om het recht te nemen om iemand anders op te offeren voor datgene waar ik in geloof?

Ik voelde mezelf wel verheven boven de gewone burgers, boven al degenen die braaf deden wat van hen verwacht werd en daardoor, in mijn ogen, machtswellustelingen, of ze nou rechts of links waren, de kans gaven om hun machtswellust bot te vieren. Wat ik maar niet kon begrijpen was hoe iemand als Mao een derde van de wereldbevolking aan zijn grillen kon onderwerpen. Geen enkel mens heeft die macht als hem of haar die macht niet gegeven wordt. Stel dat er, op een gegeven moment, niemand meer naar Mao geluisterd had, hoe hij ook stond te stampvoeten, te tieren en te schelden, dat iedereen hem gewoon genegeerd had, dan was zijn macht in rook opgegaan. Hoe is het mogelijk dat een derde van de mensheid zich aan één man onderwierp, ook al was dat voor henzelf rampzalig?

Toen ik op de kunstacademie zat werd de afdeling Illustratief waar ik zat, geterroriseerd door een leraar die zichzelf, als oprichter van die afdeling, tot coördinator gekroond had en vond dat zijn autoriteit onaantastbaar moest zijn. Daardoor functioneerde de afdeling als een dictatuur en was het lerarenteam hopeloos verdeeld in een deel dat de coördinator, vaak uit opportunistische redenen, steunde, en een deel dat probeerde om een dialoog op gang te brengen, omdat ze hoogst ongelukkig waren met de manier waarop de coördinator het beleid van de afdeling als een ware tiran dicteerde. Ook de studenten hadden daar natuurlijk last van. Het was buigen of barsten, althans zo leek het. Wat mij het meest verbaasde was dat de meeste studenten, uit angst, geneigd waren om te buigen en door te buigen de legitimiteit van het handelen van die coördinator te bevestigen. ‘Als wij ons niets van hem aantrekken, heeft hij geen poot om op te staan,’ zei ik. ‘Ja, maar, moeten we wel zo radicaal zijn. Moeten we niet in gesprek proberen te blijven,’ werd me dan tegengeworpen. ‘Hij is onredelijk, er is geen redelijk gesprek met hem te voeren,’ wierp ik dan weer tegen. Ook op de kunstacademie werd dat als een te radicaal standpunt gezien. Men vond dat je altijd moest proberen in gesprek te blijven. Dat de houding van de coördinator feitelijk veel radicaler was: ‘Iedereen moet doen wat ik zeg, want ik ben hier de baas!’ werd voor het gemak over het hoofd gezien. Ik begreep daar niks van. Ik had nooit gedacht dat kunstenaars zulke burgertrutjes konden zijn.

De meeste mensen zaten, tijdens de tweede wereldoorlog, niet in het verzet. Die voegden zich, zo goed en zo kwaad als dat ging, naar de gegeven situatie. Die deden gewoon wat ze altijd al deden en hielden zich, uit angst, koest ten opzichte van de bezetter. Het grootste deel van de ambtenaren, burgemeesters, politie-agenten werkten gewoon door onder het nieuwe gezag. Een deel van hen deed dat met ongepast enthousiasme; de actieve verraders zeg maar, maar de meesten deden gewoon wat hen gevraagd werd om, zo goed en zo kwaad als het ging, door te kunnen gaan met het bestaan. Ze hadden, naar hun gevoel, niet echt een andere keus.

Ik ben me steeds meer gaan realiseren dat het juist deze mensen zijn die voor de continuïteit van de menselijke samenleving zorgen. Het is weliswaar een gegeven dat machtswellustelingen door hun basishouding kunnen bestaan, maar dat geldt voor mezelf, als kritisch randfiguur, net zo. Het zijn niet de helden die de maatschappij dragen, niet de strijders voor een betere wereld, niet de idealisten die proberen de wereld te hervormen naar hun ideaalbeeld, maar de pragmatische burgers die zich, hoe de maatschappij er op dat moment ook uit ziet, proberen aan te passen en er het beste van proberen te maken. Zij zorgen ervoor dat het bestaan van de mensheid doorgaat, wat voor een ellende er ook over ze wordt uitgestort. Door hun energie in overleven te stoppen, zorgen ze ervoor dat wij allemaal kunnen bestaan; de dictators onder ons, de pacifisten, de strijders voor een andere wereldorde, de andersdenkenden, de ketters, de fundamentalisten, ze kunnen alleen bestaan dankzij de overgrote meerderheid van de mensen die pragmatisch zijn en zich aanpassen aan de wereld waarin ze geworpen zijn. Vroeger keek ik op die mensen neer, volslagen onterecht. Zonder hen zou ik niet kunnen bestaan. Van hun pragmatisme kan ik nog wat leren.

En als ik er zo over nadenk dan wil ik mijn ideale wereld helemaal niet meer verwezenlijken. Dat wil niet zeggen dat ik geen idealist meer ben. Maar mijn ideaal is veranderd. In plaats van een ideale maatschappij wil ik van mezelf een ideaal mens maken. Niet de maatschappij wil ik veranderen, maar mezelf. Als ik zorg dat ik deug, dan deugt de wereld een stukje meer. En hoe meer ik daar mee bezig ben hoe meer waardering ik krijg voor burgermannetjes en -vrouwtjes. Ze leren mij anders naar de wereld te kijken, mezelf te relativeren en daarmee ook mijn kijk op de wereld.

Je identiteit ontwikkel je door je met anderen te identificeren. Niet door op anderen neer te kijken, maar door je gelijk te maken aan anderen. Dat mensen niet allemaal zo strijdbaar zijn als ik is maar goed ook. Door me ook met die mensen te identificeren wordt mijn identiteit rijker. En uiteindelijk is dat het ideaal waar ik nu naar streef; mijn identiteit te vergroten. Als je grote idealen probeert te verwezenlijken kan dat tot rampen lijden. Dan onderwerp je de werkelijkheid aan jouw ideaalbeeld van de werkelijkheid. Daar doe je meer kwaad dan goed mee. Als je je eigen identiteit probeert te vergroten door je met steeds meer mensen te identificeren, doe je niemand kwaad, behalve natuurlijk de mensen die daar een hekel aan hebben. Helaas geloof ik niet dat het mogelijk is me met iedereen te identificeren. Met een Hitler, Pinochet en Mao wil ik dat niet eens. Maar mensen afwijzen omdat ze tot een groep behoren wil ik ook niet.

Ik kijk niet meer neer op iemand omdat hij of zij burgerlijk is, gelovig of conservatief. Mensen beoordeel ik op hoe ze zich gedragen, niet op wie ze lijken te zijn of bij welke groep ze lijken te behoren. Overal, in elke groep, kom je onwelwillende mensen tegen. Overal, in elke groep, kom je ook welwillende mensen tegen. Aan die welwillende mensen wil ik een voorbeeld nemen om op die manier zelf ook welwillender te worden.

 

 

terug naar de startpagina van moors magazine

« | »