Ik had als jongen van zestien, zo oud is mijn zoon nu, niet kunnen denken dat de wereld er nu uit zou zien zoals hij er uitziet. Dat geldt voor alle technische mogelijkheden die we nu hebben, maar ook voor de globale economische en politieke situatie zoals die nu is. Hoe had ik me ook kunnen voorstellen dat ik 47 jaar later in een wereld zou leven waarin het technisch mogelijk is om alle energie op een schone wijze op te wekken, waar 97 procent van de wetenschappers het er over eens is dat fossiele brandstoffen een gevaar zijn voor het milieu en dat, puur om de economische belangen van een aantal multinationals en rijke oliebaronnen er alles aan gedaan wordt om de omslag naar schone energie zoveel mogelijk te frustreren. Je hebt een probleem en je hebt een oplossing van dat probleem, hoe kan het dan een probleem zijn om dat probleem op te lossen? Hoe kan dat?

Toen ik 16 was, was mijn generatie er van overtuigd dat wij het beter zouden gaan doen dan de voorgaande generaties. Dat wil zeggen; dat was de illusie waarin ik, samen met gelijkdenkende leeftijdgenoten, graag wilde geloven. Wij zouden een betere en eerlijker maatschappij creëren, zonder kernwapens, zonder vervuiling, zonder oorlog, zonder onrecht, zonder discriminatie. Een wereld waarin er een grotere gelijkheid zou zijn, in beloning, in waardering, in rechten en in mogelijkheden. Een wereld ook waarin mensen het steeds beter zouden krijgen en waarin armoede en honger tot het verleden zouden behoren. Waarom is die wereld er nu niet?

In 1970, dat is het jaar waarin ik 16 was, waren er globaal gezien twee grote ideologieën die elkaars tegenpolen leken; het communisme en het kapitalisme. In Europa waren beide politieke stromingen actief. Ze hadden ook invloed op elkaar. De kruisbestuiving tussen beide ideologieën zorgde ervoor dat er een zeker evenwicht was in sociale zin. Het idee dat de sterkste schouders ook de zwaarste lasten moeten dragen en derhalve meer belasting moesten betalen over wat ze meer verdienden dan de zwakste schouders, werd algemeen als rechtvaardig beoordeeld. Als je het meest profiteert van de baten van de samenleving is het niet onredelijk om daar ook het meeste aan bij te dragen. Diezelfde kruisbestuiving zorgde ervoor dat er een redelijke consensus was dat inkomens niet teveel moesten verschillen. Een directeur mocht weliswaar significant meer verdienen dan de koffiejuffrouw, maar het verschil in uurloon moest toch niet al te groot worden. Als een directeur vijf keer zo veel verdiende als de koffiejuffrouw, werd dat zeker niet onredelijk gevonden ten opzichte van de directeur.

Kom daar nu nog maar eens om! Als de directeur van een bedrijf nu vijftig keer zoveel verdient als een koffiejuffrouw, dan wordt dat absoluut niet buitensporig gevonden. Zijn directeuren dan zoveel harder gaan werken? Misschien wel iets harder, maar tien keer zoveel, nee, dat lijkt me niet waarschijnlijk. Zijn koffiejuffrouwen dan zoveel langzamer gaan werken? Dat is wel heel onwaarschijnlijk. Als de baan van koffiejuffrouw niet ondertussen al wegbezuinigd is, dan is het veel waarschijnlijker dat de huidige koffiejuffrouw veel harder werkt dan haar collega uit 1970.

Van het ideaal van een gelijkwaardiger samenleving is dus niet veel terecht gekomen. Sterker nog, de verschillen in inkomen en vermogen zijn nog nooit zo groot geweest. Op zich is dat natuurlijk geen ramp. Als de armoede en honger uit de wereld zijn en iedereen genoeg heeft om van te leven en de kans krijgt om zich te ontwikkelen, wat maakt het dan uit dat de verschillen in inkomen en vermogen zijn gegroeid. Maar er is nog steeds honger en er is nog steeds (extreme) armoede. Sterker nog, ook in westerse landen; Europa en Amerika, is er een groeiende armoede. Vreemd. Er is namelijk meer dan genoeg om de ruim zeven miljard mensen die op dit moment de aarde bevolken, van genoeg voedsel en bestaansmogelijkheden te voorzien.

Er zijn pakweg zevenduizend multimiljardairs in de hele wereld. Die zevenduizend mensen hebben een vermogen bij elkaar weten te verzamelen waarmee alle wereldproblemen op te lossen zouden zijn als ieder van die pakweg zevenduizend miljardairs genoegen zou nemen met 1 miljard. Als vervolgens alles wat ze meer bezitten dan een miljard dollar op een hoop gegooid zou worden en verdeeld zou worden over de 4 miljard armste mensen (waarbij de allerarmste mensen het grootste bedrag zouden krijgen), dan zou alle armoede in één klap opgelost zijn. Die miljardairs hebben dan nog steeds 1 miljard dollar ieder. Dat betekent dat, als ze elk jaar tien miljoen uitgeven, ze er honderd jaar over doen om dat miljard op te krijgen. Dan komen ze, lijkt me, echt niets tekort. Als de wereld democratisch geregeerd zou worden dan zou die optie vrij gemakkelijk te realiseren zijn. De enigen die ertegen kunnen zijn, zijn immers die multimiljardairs, maar die zijn ver in de minderheid. Zij zijn maar met zevenduizend individuen en wij met zeven miljard. We hebben het dan over een belachelijke minderheid; éénmiljoenste deel van de wereldbevolking. Zo’n minderheid zou zich toch naar de meerderheid moeten voegen, lijkt me.

Terwijl miljardairs ieder jaar rijker worden, worden de mensen aan de onderkant van de samenleving ieder jaar armer. Terwijl de regels voor de superrijken aan hun behoeftes worden aangepast en vereenvoudigd, worden de regels voor de mensen aan de onderkant van de samenleving steeds ingewikkelder en onduidelijker, zodat die mensen, zelfs als ze ergens recht op hebben, dat recht vaak niet kunnen halen omdat de regels te ingewikkeld zijn. Ze zouden dan natuurlijk iemand in kunnen huren die verstand heeft van ingewikkelde regelingen, maar die vraagt veel geld voor zijn adviezen en dat hebben mensen aan de onderkant van de samenleving niet. Superrijken overigens wel. Waarom zijn de regels voor superrijken dan niet veel ingewikkelder en de regels voor de onderkant van de samenleving juist simpeler?

De rijkste acht mensen bezitten evenveel als de 3.7000.000.000 armste mensen. Dat was althans een maand geleden zo. Maar omdat superrijken elk jaar weer miljarden weten toe te voegen aan hun multimiljarden, is het best mogelijk dat het al snel nog maar om de rijkste vijf mensen gaat. Als de verschillen zo blijven groeien komt er, in de zeer nabije toekomst, een moment waarop de allerrijkste bewoner van deze planeet evenveel bezit als de armste helft van de wereldbevolking. De logica van zo’n ontwikkeling ontgaat mij volkomen.

Stel je voor dat je met tien vrienden een etentje organiseert. Voor iedereen is er gemiddeld genoeg. Laten we zeggen dat er tien goedgevulde pizza’s op het menu staan. Degene die de pizza’s mag verdelen, neemt er negen voor zichzelf en de overgebleven pizza schuift hij naar zijn buurman door met de opmerking: ‘Verdeel jij deze pizza maar met de rest van onze vrienden.’ Deze persoon, bescheidener dan de vorige, snijdt de pizza doormidden, schuift de helft op zijn eigen bord en geeft de andere helft aan zijn buurman. Die snijdt die halve pizza weer doormidden en schuift het kwart pizza dat over is naar zijn buurman. Die verdeelt dat kwart pizza weer door de helft en schuift een achtste pizza door naar zijn  buurman. De volgende vijf mensen zullen het dus samen met een achtste pizza moeten doen. Als de eerste persoon van die vijf vervolgens die achtste pizza weer halveert, dan zullen de vier daaropvolgende vrienden het met een zestiende pizza moeten doen. Die wordt ook weer gehalveerd en daarop moeten de drie overgebleven vrienden het met een tweeëndertigste pizza doen, die ook weer gehalveerd wordt waardoor de twee laatste vrienden zich samen te goed mogen doen aan een vierenzestigste pizza. Die delen gebroederlijk en hebben dan dus een honderdachtentwintigste deel van een pizza op hun bord liggen. Dat je daar je maag niet mee kunt vullen, hoef ik hopelijk niet uit te leggen.

Een krankzinnig verhaal toch?

Laat, in werkelijkheid, de verdeling van datgene dat we gemiddeld bezitten als mensheid, nou ongeveer op die manier verdeeld zijn. De rijkste tien procent van de mensheid bezit namelijk zestig procent van alle bezittingen. De overige 90 procent van de mensheid moeten het daarom dus met 40 procent van alle bezittingen doen. En voor de armste tien procent van de mensen blijft er eigenlijk nauwelijks iets over.

Ik zou nog verder kunnen gaan en uit kunnen leggen dat degene die zich negen pizza’s heeft toegeëigend, degenen die niet genoeg hebben best een stukje van zijn pizza-overschot wil geven, maar dan zijn ze hem dat pizzastukje, met rente, schuldig. Als je echt honger hebt zit daar niks anders op. Daardoor bezitten de allerarmsten niet alleen niets, ze hebben zelfs een schuld aan de allerrijksten.

Hoe zijn we in vredesnaam in zo’n krankzinnige situatie terecht gekomen?

Eind jaren tachtig van de vorige eeuw viel de muur tussen Oost en West. De Sovjetunie hield op te bestaan. Het communisme bleek, althans in Rusland en China, failliet. Dat verstoorde het wankele evenwicht tussen de twee, tot dan toe, dominante ideologieën. Voor de Oostbloklanden was dat een bevrijding. Voor ons, ten westen daarvan, is dat nog maar de vraag. Het kapitalisme had geen tegenwicht meer, radicaliseerde, en verbreidde zich al snel wereldwijd. Dat ging niet altijd zachtzinnig en vrijwel nooit echt openlijk. De Europese Unie bekeerde zich tot de zogenaamde neoliberale doctrine. De ‘vrije’ markt werd ingevoerd. Daar kwam geen referendum aan te pas en het werd ook niet duidelijk aan de burger uitgelegd. Laat staan dat de burger daar iets over te vertellen had.

De Partij Van De Arbeid, D66, het CDA en de VVD bekeerden zich allemaal tot de nieuwe doctrine die vooral inhield dat er minder regels moesten komen voor grote bedrijven, multinationals en de financiële markten. Zelfregulering werd dat genoemd. Tegelijkertijd moest alles wat gezamenlijk bezit was worden geprivatiseerd, omdat de doctrine luidde dat dat ‘beter’ zou zijn. Er werd wel naar hartenlust geprivatiseerd, maar controleren of dat ook werkte werd niet nodig geacht. Ook moest er op van alles en nog wat worden bezuinigd, zeker als dat zaken betrof die ten goede kwamen aan de minkukels van de maatschappij; de economisch nuttelozen. De revolutie voltrok zich wereldwijd in een enorm tempo. Degenen die voor de overheid werkten namen, vreemd genoeg, het idee over dat de macht van de overheid sterk moest worden ingeperkt ten gunste van het bedrijfsleven en de financiële markten. Een uitzondering werd gemaakt als het om ‘veiligheid’ ging. Eventuele onvrede moet natuurlijk wel bestreden kunnen worden.

Er was nog een andere manier om die onvrede te beteugelen en dat was het afleiden van de slachtoffers van die neoliberale doctrine door het zoeken en vinden van zondebokken. Altijd een beproefd middel. Zo ontstonden, wereldwijd, overal populistische politieke partijen die de vreemdeling de schuld gaven van alle malaise.

En zo geschiedde het dat ik nu, 63 jaar oud, leef in een wereld die nog steeds kernwapens, vervuiling, oorlog, onrecht, armoede, honger en discriminatie kent. Minstens net zo erg als toen ik 16 was. Zonder hoop op verbetering.

Als je mij op mijn zestiende had verteld dat ik rond mijn zestigste in een land zou leven waar geen plaats meer is voor vluchtelingen, nauwelijks geld voor ontwikkelingshulp, waarin Moslims worden gediscrimineerd om hun geloof, waar, in een tijd van vergrijzing, in een razendsnel tempo bejaardenhuizen en verpleeghuizen worden wegbezuinigd, waar voor maatschappelijk werk geen plaats meer is, waar beleidsmakers het werken van onderwijskrachten steeds moeilijker maken, waarin miljardairs nauwelijks belasting hoeven betalen en mensen aan de onderkant van de samenleving aan hun lot worden overgelaten, waar de minimumlonen (van huishoudhulpen, postbodes en andere dienstverleners) worden verlaagd en zogenaamde ‘top’mannen banken op zo’n manier leiden dat ze failliet weten te gaan om vervolgens lachend in hun villa’s te gaan zitten genieten van de tientallen miljoenen die ze daaraan hebben ‘verdiend’, waarin politici schaamteloos bij die bedrijven gaan werken die ze, toen ze minister waren, aan allerlei voordelige regelingen hebben geholpen, waarin politici schaamteloos wetten maken die niet stroken met de grondwet of de universele verklaring van de rechten van de mens; ik zou het niet geloofd hebben.

Toch is dat de werkelijkheid waarin ik nu leef. Dit is de wereld waarin mijn zoon van 16 leeft. Ik hoop dat hij, als hij mijn leeftijd heeft, in een wereld terecht is gekomen die hij zich nu niet kan voorstellen; een wereld zonder (kern)wapens, zonder vervuiling, zonder oorlog, zonder onrecht, zonder armoede, zonder honger en zonder discriminatie. Een wereld waarin het bestaansrecht van ieder mens gewaarborgd is! Een wereld waarin het niet fatsoenlijk gevonden wordt als een persoon veel meer neemt dan ie opkan waardoor een groot aantal van zijn medemensen tekort komt. Een wereld waarin geld geen doel meer is, maar alleen maar een middel. Een middel om ervoor te zorgen dat niemand tekort komt en dat iedereen zich optimaal kan ontwikkelen. Een wereld waarin economie ondergeschikt is aan de belangen van de mens in plaats van andersom.

 

terug naar de startpagina van moors magazine

« | »