Blues heb je in soorten en maten. Je hebt snoeiharde elektrische blues en knusse akoestische blues. William Lee Ellis maakt muziek die in de laatste categorie thuishoort. Dat wil overigens niet zeggen dat die muziek minder hard aankomt. Ellis weet juist met zijn ontspannen zang en relaxte maar zeer fijnzinnige gitaarspel een gevoelige snaar te raken bij de luisteraar. The Full Catastrophe klinkt op het eerste gehoor als intieme knusblues, maar een aantal draaibeurten later merk je dat de plaat nog meer diepgang heeft dan je op het eerste gehoor dacht.

Ellis schreef vrijwel alle nummers zelf, maar blijft daarbij mooi in een bluestraditie uit de jaren dertig. Soms hoor je ook cajun-invloeden, en de gospel is ook nooit ver weg. De basis wordt gelegd door Ellis en zijn subtiele maar toch puntige gitaarspel, maar de gastspelers voegen vaak iets toe dat de muziek extra spannend maakt. Luister maar eens naar het korte maar zeer fraaie bijzondere pianoduet dat Ellis aan het eind van That Angel’s Trumpet Sound aangaat met Jim Dickinson. Op andere nummers komt bijvoorbeeld een cajun-accordeon langs, een kerkorgel of mandolines. Alles in dienst van de liedjes. Vanaf het begin, het kritische Dark World Coming, via het intense ‘Til That Last Train Comes Along (dat dankzij het schitterende koortje zo op een nieuwe verzamelaar van Harry Smith kan) tot en met de fraaie slotgospel is dit een absoluut topalbum.

Het laatste album van William Lee Ellis heette Conqueroo, maar doordat Yellow Dog Records pas nu in ons land gedistribueerd wordt kwam deze Full Catastrophe pas deze week hier binnen. Over Conqueroo schreven we een tijd geleden voor Heaven het volgende:

William Lee Ellis – Conqueroo – Taxim TX 1057-2 TA

Folkblues-singer/songwriter

Taxim brengt deze tweede cd van William Lee Ellis uit als deel drie in de serie “modern masters of the folk and blues guitar”, maar het zou erg jammer zijn als dit intieme meesterwerkje alleen door gitaarliefhebbers zou worden opgepikt. Ellis speelt inderdaad prachtig en genuanceerd gitaar en wordt daarbij subtiel en zeer effectief ondersteund door Larry Nagel (meestal op bas, maar ook op mandoline en dobro), maar daarnaast zingt hij op een onopvallende manier heel goed, met af en toe een mooie tweede stem van gastzangers. De meeste nummers heeft hij zelf geschreven, en ze zweven ergens tussen folk, blues en gospel in. De enige cover is Maybellene, dat hier verrassend genoeg een ingetogen en intiem liedje wordt. Ik betrapte me erop dat ik hier voor de eerste keer echt naar de tekst van deze Chuck Berryklassieker zat te luisteren, en het is toch bijzonder als je dat voor elkaar krijgt. Grote klasse, en dat geldt zeker ook voor zijn eigen nummers.



 

terug naar de startpagina van moors magazine

»