Wolter Wierbos viel ons op tijdens een concert van de Ammerlaan Band. Dat vonden we geen slecht concert, maar Wierbos intrigeerde. In de pauze kocht ik dan ook zijn cd 3 trombone solos, en dat was een gouden greep. Er staan drie nummers op dit album, opgenomen in respectievelijk Chicago, Portland en Amsterdam. Dat zijn ook de titels geworden.

Het is verbijsterende muziek, die zich ergens in het vage grensgebied tussen jazz en serieuze moderne muziek bevindt. Wierbos is volledig één met zijn trombone en lijkt er op uit alle geluiden die er in dat instrument verborgen zitten er ook uit te krijgen. Dat kan gemakkelijk leiden tot een staaltje egotripperij en technisch-virtuoos vertoon, maar daar is hier geen sprake van.

De drie composities (of eigenlijk vier, Amsterdam bestaat uit twee delen) zijn verschillend, maar ze hebben één ding gemeen – je zit als luisteraar respectievelijk eenentwintig minuten, vijfentwintig minuten en ruim een kwartier op het puntje van je stoel. Wierbos laat zijn instrument galmen, fluisteren, zingen, kreunen, idioot doen (luister naar het tekenfilmgeluid waarmee Amsterdam begint), en weet ondertussen continu de aandacht van de luisteraar vast te houden.

Elk geluid doet mee, dus het loze blazen, het ademhappen, het tikken tegen de trombone, alles wordt met een feillos gevoel voor ritme, en vooral een feilloos gevoel voor muziek, ingezet. Wierbos speelt op een trombone uit 1930, een wat stugge en koppige trombone, die behoorlijk wat inzet van de trombonist vraagt. Toch heb je nergens het gevoel dat Wierbos geforceerd speelt, of zelfs maar moeizaam – het klinkt allemaal ontspannen. Tegelijk is de muziek, al lijkt dat tegenstrijdig, juist buitengewoon spannend. Een magnifiek meesterwerkje.

 

 

Dat Wierbos op de hoes met een bos wier op zijn hoofd poseert vergeven we hem graag.

 



 

terug naar de startpagina van moors magazine

»