stringband aan het werk...

take root 2007

streetgrass...

arbuckle, rutledge en doucet...

taylor, rodriguez met gitarist en bassist...

luke doucet...

Take Root is een van de leukste festivals die ik ken, met elk jaar weer een verrassende programmering waarbij het genre "roots" ruim wordt opgevat. Alles tussen singer/songwriters en stevige rock met blazers kun je hier horen en zien.

De aftrap werd gedaan door de .357 String Band, een onwaarschijnlijke bluegrassbandband die stringbandmuziek maakten met een punkhouding. Zelf noemen ze het streetgrass. Een zwaar getatoeëerde vetkuif op bas (die ondanks allerlei merkwaardige stunten wel fenomenaal goed door bleef bassen), een gepiercete mandolinist met rastahaar, een gitarist met ouderwetse bril, baard en hoedje en een kortgeknipte jongen met houthakkershemd op de banjo. Extremere verschillen zul je niet snel bij elkaar op een podium vinden, maar de vier maakten geweldige muziek, rockend en swingend, fantastisch zingend en met een mooie show. De perfecte binnenkomer, die iedereen meteen in de juiste stemming bracht.

Op hetzelfde podium in de foyer traden wat later drie Canadezen aan die ik alleen van hun soloalbums kende, maar die hier een band vormden, ondersteund door een bassist en een drummer. Van NQ Arbuckle had ik begrepen dat het een bandnaam was, maar nu stond er midden op het podium een liedjesschrijver die zich als NQ Arbuckle presenteerde. Links van hem Justin Rutledge, rechts Luke Doucet. Het was een wat merkwaardige combinatie, want Arbuckle en Doucet lieten zien dat ze echte teamspelers waren, maar Rutledge leek de rest enkel als begeleidingsband te beschouwen. Toch was het een fantastisch concert, waarbij vooral Doucet schitterde op de gitaar. Hij was van de drie ook degene die het meeste indruk maakte met zijn liedjes, hoewel Arbuckle een goede tweede was. Een topconcert, met aan het eind een stunt die ik nooit eerder heb gezien. Er werd uit de zaal een gitarist gevraagd, en nog een, en nog een, en een bassist en een drummer. Toen die vijf het overgenomen hadden was de band van het podium verdwenen, en de vijf gasten moesten maar zien hoe ze Springsteens Fire tot een bevredigend einde moesten brengen. Erg leuk.

De ellende met festivals is dat je moet kiezen, en dat je bovendien ook nog het een en ander mist doordat je even wat moet eten tussen vier uur en middernacht. Gelukkig hebben we heel veel gezien dat echt subliem was, en daar valt het concert dat Chip Taylor en Carrie Rodriguez gaven zeker onder. Taylor zong samen met zijn muze niet alleen nummers van de albums die ze samen maakten, maar ook wat oudere hits die Taylor in een ver verleden schreef, zoals de oerrocker Wild Thing en het drakerige (in de hitversie dan) Angel of the Morning, dat hier ineens een mooi nummer wordt. Carrie Rodriguez is daarin een niet te onderschatten partner, want ze zingt niet alleen voortreffelijk maar speelt ook lekker scherp viool. Mooi concert!

Aan het eind van de avond splitste ons gezelschap zich nog even naar het zuiden - ik ging kijken bij Southside Johnny omdat ik die nog nooit live gezien had, waardoor ik een zeer prima optreden van de South Austin Jug Band miste. Johnny maakte er met zijn achtkoppige band een geweldig rock 'n' rollfeest van, al moet ik bekennen dat ik het geluid in de grote zaal van de Oosterpoort altijd te hard vind. Dat doet niets af aan de pure adrenaline die Southside Johnny wist op te wekken, maar een iets plezieriger geluidsafstelling zou welkom zijn.

Al met al een fantastisch festival - niet alleen uitstekende muziek, maar ook een plezierige, ontspannen sfeer en een perfecte organisatie. Jammer dat je altijd wat leuke acts mist, maar we hebben van begin tot eind zitten genieten, dus je hoort ons niet echt klagen.


Twee oudere recensies van albums van NQ Arbuckle:

NQ Arbuckle – The Last Supper In A Cheap Town – Six Shooter Records SIX 017

We dachten altijd dat NQ Arbuckle een Canadese singer/songwriter was, die overigens met zijn licht rasperige stem eigenlijk niet echt goed kon zingen. Nu presenteert Arbuckle zich in de kleine lettertjes op het hoesje van The Last Supper In A Cheap Town als een vierkoppige band. Er staat in de kleinste lettertjes: NQ Arbuckle is: Neville Quinlan, Mark Kesper, John Dinsmore and Peter Kesper. We vermoeden dat Neville Quinlan (de NQ van het gezelschap) verantwoordelijk is voor de licht rasperige zang. De band zorgt voor fantasierijk en scherp spel, en om de toch wat gebrekkige zang wat te compenseren worden er een paar fantastische back-upzangeressen ingezet. Verder springt dit album eruit door de voortreffelijke spannende en scherpe arrangementen. De onvolprezen Luke Doucet produceerde het album en speelde met een aantal vrienden mee, en daardoor is het dit keer net wat rockender geworden allemaal, wat minder puur rootsy dan eerdere albums. De teksten zijn dik in orde, de liedjes blijven lekker hangen. En de treurigheid maakt het allemaal net weer even mooier. Melancholieke rootsy country. Als deze gasten niet uit Canada kwamen zou je zeggen: prima Americana!
 

NQ Arbuckle – Hanging the Battle-Scarred Pinata – Six Shooter Records SIXA 07

Als je dit album in je cd-speler schuift denk je eerst (heel even) dat het om een tweederangs barzanger gaat, totdat er na een halve minuut twee banjo’s mee gaan spelen. Dan schiet je toch even overeind, en de aandacht blijft de rest van deze plaat wel haken. Dat heeft niet alleen met die fantastische bescheiden arrangementen te maken, maar ook met de kwaliteit van de liedjes van deze Canadese singer/songwriter. Hij heeft bovendien een mooie doorrookte stem, die op de juiste momenten door twee perfecte damesstemmen ondersteund wordt (de voor mij onbekende Carolyn Mark en Sarah Slean). Niet alleen de melodieën, ook de teksten zijn zeer dik in orde, en dat betekent dat we hier een perfect rootsplaatje te pakken hebben. Als je een mooi voorbeeld van de prachtarrangementen wilt horen moet je naar Young Lover, Strong Swimmers luisteren, dat begint met een voorzichtig pingelende piano, gevolgd door een gedreven akoestische ritmegitaar. Als Arbuckle begint te zingen komt er nog een akoestische slidegitaar bij, en tenslotte een aangenaam rammelende banjo. Waarbij opgemerkt dient te worden dat de optelling van die verschillende onderdelen hier leidt tot een verbazend mooi nummer, helemaal als halverwege de song de tweede stem aanschuift.
Verder is dit ook weer zo’n typisch groeiplaatje, waar je na elke draaibeurt enthousiaster over wordt. Het gaat overigens om een album uit 2002, dat ons om onduidelijke redenen nu pas bereikte. Een reden te meer om deze man wat extra aandacht te geven.

(HM)

terug naar de startpagina van moors magazine