nels andrews cd-recensies voor mazzmusikas
- 2008, tweede helft
 
Hier vind je een overzicht van de recensies die ik voor het Belgische muziekblad (e-zine) MazzMusikas heb geschreven in de tweede helft van 2008.

In moors magazine gaat het vooral over muziek waar ik enthousiast over ben, hier zul je af en toe ook een uitgeproken negatieve recensie kunnen tegenkomen.

 

(september 2008)

CaravanSarail – Walking to Kashi www.saphrane.com

CaravanSarail is een wereldfusieband die draait om guitarist Eric Sempe en percussionist Gerard Kurdjian. De aanpak is jazzy, en dan komt tijdens het spelen zo’n beetje de hele wereld langs. Als je eens echt muliticulturele muziek wil horen moet je hier beslist naar luisteren. Je wordt vanaf het allereerste begin tot en met de laatste toon op een muzikale reis meegenomen die fascineert en intrigeert, want geen andere band weet zoveel elementen naadloos in haar muziek te versmelten. Afrikaans, Orientaals, Amerikaanse jazz, Oosteuropees, Indiaas, Keltisch, alles wordt gemengd met elkaar, de harmonieën en ritmische structuren worden overal vandaan geplukt en gecombineerd en het levert een fascinerend, hecht muzikaal tapijt op waar je lang naar kunt luisteren voor alle finesses tot je doorgedrongen zijn.

Op het eerste gehoor kabbelt het misschien soms wat te veel, maar bij nadere beluistering blijken er zoveel schakeringen en kleuren verscholen te zitten in dit prachtige muzikale tapijt dat je je bij deze muziek niet snel zult vervelen. Deze cd vormt bovendien het sluitende bewijs dat een samengaan van verschillende culturen een enorm grote rijkdom kan opleveren. Magnifiek.


Charlie Haden – Family & Friends – Rambling Boy – www.emarcy.com 

The Haden Family Radio Show liet in 1939 een piepjonge Charlie Haden (twee jaar oud!) een liedje zingen en jodelen. Die opname krijgen we als toetje op de schitterende cd waar Charlie zichzelf op zijn zeventigste op trakteerde. Hij gaat hier terug naar de muzikale liefde van zijn jeugd – country en bluegrass. Dat is vrij opmerkelijk omdat Haden juist in de jazz als bassist een zeer overtuigende carriëre maakte. Een van de muzikale vrienden die we hier horen is dan ook jazzgitarist Pat Metheny. Verder horen we ook gasten uit de rock – en popwereld als Bruce Hornsby en Elvis Costello. Daarmee is al aangegeven dat Haden niet de minsten wist te strikken voor dit muzikale feestje. Verder horen we namelijk een uitstekende doorsnede van iedereen die er toe doet in de country, en dan hebben we hiet niet alleen over de sterren die hier weer even in de spotlight staan, maar ook de band – Jerry Douglas op dobro, Stuart Duncan op fiddle, Sam Bush op mandoline, Dan Tyminski op mandoline, Russ Barenberg op gitaar, Ricky Skaggs op banjo, Bryan Sutton op gitaar, Bela Fleck op banjo, en ga zo maar door. De kenners zitten nu al te kwijlen, maar dan hebben we ook nog Vince Gill die een nummer zingt, Rosanna Cash, Jack Black, Elvis Costello en Ricky Skaggs, en daarnaast nog een fors deel van Haden’s familie. En ze geven zich allemaal voor honderd procent.
Een mooie geïnspireerde overzichtsplaat dus van traditionele en toch hedendaagse country. Alleen de Jezusliedjes konden mij persoonlijk niet echt bekoren. Als drie opgewekte meiden vrolijk zingen dat Jezus zijn dood vond “on cruel Calvary”, waarna een olijk mandolineriedeltje plinketieplink plinketieplonk doet, dan zit ik hier te hikken van de lach, terwijl dat waarschijnlijk niet helemaal de bedoeling is. Haden stamt uit de Bible Belt, dus misschien moeten we hem dit soort uitschieters vergeven, maar ik word ook niet echt vrolijk van de Spiritual van Josh Haden. Afijn, dat zijn alleen maar wat zure terzijdes bij een zeer fraai countryjuweel van een cd.

 

Huun-Huur-Tu feat Sainkho – Mother-Earth! Father-Sky! – Jaro 4281-2 distr Music & Words 

De band Huun-Huur-Tu kumt uit Tuva, tussen Siberië en Mongolië, en ze zijn gespecialiseerd in boventoonzingen, een bepaalde manier van keelzang die klinkt alsof de zanger niet zingt maar op een didgeridoo speelt. Ze gaan hier een samenwerking aan met een van de bekendste zangeressen uit Tuva, waardoor het pure keelzingen wat op de achtergrond verdwijnt en de muziek een voor ons wat “gewoner” karakter krijgt. Iets minder exotisch misschien, maar er zitten een paar sublieme juweeltjes tussen, zoals Chashpy-Hem, dat met een mooie slagwerkpartij begint en dan traag wiegend alle subtiliteiten die deze bijzondere muziek kan laten horen magistraal tevoorschijn tovert. De hele cd is overigens erg sterk en gevarieerder dan je zou verwachten, waarbij de wijdse toendra en de bergen van Centraal Azië in al hun majestueuze schoonheid voor je opgeroepen worden. Klasse!


Introducing Dozan – World Music Network – Music & Words 

Op het hoesje van de cd van het Arabische akoestische ensemble Dozan staat Shireen Abu-Khader, de Jordanese zangeres die het gezelschap oprichtte. Ze vond een aantal topmuzikanten vanuit het hele midden-oosten en samen maken ze muziek die werkelijk adembenemend mooi is. Dat geldt zowel voor het instrumentale deel, met een gevoelige, subtiele ud, ingetogen percussie en zwoel viool- en cellospel, maar ook voor de prachtige meerstemmige zang, waarbij alleen het totaalgeluid lijkt te tellen. Introducing Dozan laat mystieke, door Sufi beïnvloede liedjes horen, prachtige Arabische klassiekers en een paar prachtige hedendaagse composities. Het klinkt allemaal zeer oriëntaals, maar tegelijk is het voor onze westerse oren ook een puur genot om naar te luisteren. De muziek klinkt op momenten, dankzij het kleine ensemble en de ontspannen en ingetogen manier van spelen, bijna intiem. En feitelijk is het vooral de zang die het meest verrast, want die is werkelijk bloedmooi. Dit is Arabische folk op zijn ongrijpbaarst en op zijn allermooist.


Jay Brannan – Goddamned – Great Depression Records 

Jay Brannan ziet er uit als een skinhead, zijn cd heet Goddamned en hij staat achterop het cd-boekje op de foto, zittend op een toilet, met zijn gitaar. De verrassing is dan ook groot als we de cd in de speler schuiven en een lief jongetje horen zingen, met een voorzichtig kabbelende gitaarbegeleiding, en verder vooral melodieuze melancholieke cellobegeleiding. Zelfs het titelnummer klinkt, ondanks de vele “goddamned”s uitgesproken lief. Alle liedjes zijn door Brannan zelf geschreven, en naast zijn eigen gitaar en de cello horen we een viool, een staande bas, bescheiden percussie, piano en orgel, alles ingetogen gespeeld. De liedjes zijn ingetogen en mooi, de arrangementen zijn fraai en fijnzinnig. We hebben alleen nog nooit eerder zo’n enorm contrast gezien tussen titel, hoes en muziek. Merkwaardig. Maar dat neemt niet weg dat het hier om een zeer fraai singer/songwritersplaatje gaat.


Jeff Larson – Left of a Dream 

Jeff Larson maakte met Left of a Dream de perfecte softpop-singer/songwriterplaat. Westcoastpop die wat doet denken aan de Byrds, terwijl hij soms net zo hijgerig zingt als de BeeGees. De arrangementen zijn gevarieerd en goed. Ook met de liedjes is op zich weinig mis. Alleen merkte ik dat ik na drie keer luisteren nog steeds geen idee had waar hij over zong. Toch maar eens wat extra aandacht aan die teksten schenken dus. Ik merk dan dat ik al snel afhaak omdat Larson beelden gebruikt waar ik persoonlijk niks mee kan, zoals “wild fires burn into the night” of “wishing on stars lost into the night” – als dat poëzie is waar jij onmiddellijk door geraakt wordt moet je deze cd meteen aanschaffen, want verder is het zeer prima wat Larson doet. Aan te raden voor iedereen die van aangenaam klinkende, zachte weemoedige softpopliedjes houdt.


Joseph Arthur & The Lonely Planets – Temporary People www.fargomusic.com 

Joseph Arthur is niet bepaald het zonnetje in huis. Sombere teksten, ruwe arrangementen en duister gezang zijn zijn handelsmerk. Op zijn vijfde album sinds hij ruim tien jaar geleden door Peter Gabriel werd ontdekt en gelanceerd is dat niet anders. Temporary People is wederom verplichte kost voor de somberen onder ons. De (overigens Amerikaanse) Arthur wordt wel gepresenteerd als singer/songwriter, maar hij klinkt vooral als een rocker, en wel eentje die goed naar de wat ruwere bandjes uit de jaren zestig heeft geluisterd. De rauwere gitaarsolo’s kruipen overal doorheen en domineren geregeld het geluidsbeeld. Er zit voldoende broeierige energie in deze muziek om de negativistische teksten wat te relativeren, waardoor de balans uiteindelijk goed uitpakt. Prima plaatje.


L’école des Chèvres à Pull – happy family – homerecords.be 

Muziek voor kinderen is in Amerika een compleet genre waarin de kids meestal ook behoorlijk serieus genomen worden. Luister maar eens naar de albums van Dan Zanes, die zijn zowel voor kinderen als volwassenen bijzonder leuk. L’école des Chèvres à Pull is een Franstalige Begische band die probeert rock te spelen die zowel voor kids vanaf een jaar of zes als voor hun ouders aantrekkelijk is. En dat prima gelukt. Er wordt hier op een aanstekelijke manier een overzicht gegeven van allerlei soorten rock, tot en met reggae en grunge en een elektronische uitspatting. Het vervormde gezang in La Chanson Qui Pue Des Pieds werkt overigens vooral op de lachspieren. Een zeer gevarieerde, vrolijke, energieke poprock-cd, aan te raden voor iedereen met kinderen, en voor iedereen die wel eens behoefte heeft aan wat stevige en toch luchtige muzikale kost tussendoor.


Lil’ Ed and the Blues Imperials – Full Tilt - Alligator Records 

Full Tilt is de perfecte titel voor deze cd van Lil’ Ed en zijn Blues Imperials. Meteen in het eerste nummer, Hold That Train, gaat hij er al vol tegenaan, met uitbundige zang, een vlijmscherpe slidegitaar en een onverwoestbare ritmesectie. Elektrieke blues van de fellere soort, die je net zo goed zwarte rock ‘n’ roll zou kunnen noemen. Dit is blues die niets treurigs heeft, hier wordt een feest gebouwd waarbij niemand stil mag blijven zitten. Ik zie grote zalen van mensen voor me die zich aan deze pure energiebron willen laven. Kolkende massa’s worden dat, daar zorgt Lil’ Ed wel voor. Deze band draait toch al zo’n twintig jaar mee, maar ze barsten nog steeds uit hun voegen van pure energie. Full Tilt is een lekker plaatje om eens even helemaal bij te tanken. Zelfs de wat tragere nummers zorgen voor de echte rock ‘n’ rollkick. Heerlijk.
 

Lisandro Andover – Meets the Metropole Orchestra www.saphrane.com 

Het Metropole Orkest is een groot Nederlands orkest dat zich regelmatig op het pad van de  wereldmuziek begeeft, niet altijd met even veel succes, want om eerlijk te zijn is het orkest daar te weinig swingend, en bot gezegd te lomp voor. Ik hield dan ook mijn hart vast toen ik zag dat het tango-genie Lisandro Andover met dit orkest in zee was gegaan. Gelukkig heeft hij zijn eigen quintet meegenomen, en dat quintet domineert het concert op een felle, scherpe manier. Dat neemt niet weg dat de muziek regelmatig vervlakt als het orkest erbij komt, maar het is dan soms net als met Ray Charles die af en toe suffe countrykoortjes mee de studio insleepte, waardoor zijn eigen zang des te sterker naar voren kwam. Hier zijn het niet alleen Andover zelf die triomfeert met zijn bandoneon, maar ook de ongehoord scherpe en strakke pianist Mario Araolaza, gitarist Rafael Nicolau, bassist Domingo Jose “Chiche” Diani en vooral violist Miguel Angel Bertero die de hele strijkerssectie van het orkest laat verbleken. Zo blijkt een log orkest toch een quintet te kunnen laten schitteren. En het publiek vindt het prachtig, zeker als aan het eind van het concert in de klassieker La Cumparsita de leden van het quintet nog even verpletterend mooi soleren. Het is wel wat gênant als dan een hele zaal mee gaat zitten klappen, al krijg je zo wel een idee van de sfeer in die zaal. Een topconcert, ondanks het Metropole Orkest.


Lonesome Brothers – The Last CD – Captivating Music 

De Lonesome Brothers prijzen hun muziek aan met kreten als “This is hick rock!” an “Smells like diesel!”, en op de een of andere manier past dat goed bij hun muziek. Americana voordat Americana was uitgevonden, een soort combinatie van folk, blues, rockabilly, surf, rock en country die toch volstrekt naturel klinkt. Stevig, met grappige teksten, zoals in “My Baby Never Saw Me Drunk” – de zanger parkeert zijn auto namelijk altijd vlakbij een boom...

Lekkere, leuke muziek dus, met prima zang, en een degelijk op elkaar ingespeeld trio (gitaar, bas, drums) met wat gasten op keyboards, banjo, lapsteel en dobro. Jim Armenti en Ray Mason schreven alle nummers en ook daar is niks mis mee. Er zijn een paar uitschieters die het album net even boven het gemiddelde Americana-album uittillen, bijvoorbeeld in Hey Jane, waar drummer en bassist laten horen hoe gedreven ze de spanning kunnen opvoeren. Mooi. Lichte kost, maar erg leuk.


Madera Limpia – La Corona – Xango music distribution 

De cd La Corona van Madera Limpia begint met een melodieus gitaarliedje dat zestig jaar oud lijkt, dat overgaat in een rap, waarna met een paar toeteraars het dansfeest begint. Die grap wordt hier een aantal keren uitgehaald. Yasel en Gerald, de basis van de band, weten perfect felle rap te combineren met melodieuze liedjes en swingende, pittige dansmuziek. Dit is Cuba van de straat, maar ook het Cuba van de relaxte swing, waarbij je geen moment stil blijft zitten. Het slagwerk is op meerdere nummers onweerstaanbaar, maar een topper is toch wel Boca Floja, waarin met name het inventieve en trefzekere slagwerk voor grote opwinding zorgt. Op andere momenten zijn het de trompetten die voor het “wow”-gevoel zorgen, en Yasel en Gerald zorgen ervoor dat je eigenlijk van begin tot eind met open mond zit te luisteren. Dis is Cuba zoals we het nog niet eerder hoorden. Laid-back en tegelijk ongehoord opwindend. Bovendien mixen de twee onbekommerd alles wat ze op hun muzikale pad tegenkomen – reggae, rap, dancehall, changui. Energie en melancholie gaan hier hand in hand terwijl de muziek overal spannend blijft. Een magnifiek plaatje.


Mike Cullison – Blue Collar Tired – Cullison Music 

Americana is er in vele soorten en maten. Mike Cullison maakt er stevige rock van met een flinke scheut country in de vorm van onder meer een af en toe nadrukkelijk aanwezige pedal steelgitaar, maar er komt bijvoorbeeld ook een harde honkytonkpiano langs. Stevige muziek dus vooral, beginnend met de bekentenis van de alcoholist dat hij wou dat hij niet van whiskey hield. Daarna volgt uiteraard, zoals we dat van een alcoholist kunnen verwachten, veel ellende en liefdesleed. Vrijwel alles werd door Cullison zelf geschreven, vaak samen met anderen, maar er staat ook een pittige versie op van Going Up The Country. Dat klinkt wel even anders als de laidbackversie van Canned Heat uit de jaren zestig, maar zeker niet minder. De blues klinkt door al die ellende en treurigheid wel een beetje door, maar je moet toch vooral lekker stevige barroommuziek verwachten, en geen subtiele melancholie. Prima plaatje.
 

Nels Andrews – Off Track Betting – Lucky Dice 

Het nieuwe album van Nels Andrews begint met piepende en schurende snaren, gemengd met een geluid dat doet denken aan een hond die tegen de maan huilt. Dan vallen de gitaren in, en de warme, licht hese, plezierige zangstem van Andrews. Als je alleen die gitaren en de zang zou horen zou je denken met een gewone, gemiddelde singer/songwriter van doen te hebben. Bij Andrews wordt het allemaal net even anders, juist door die effecten en arrangementen. Scherpe bekkens, vreemde belletjes en schril gefluit, en dan wordt een nummer als Butterfly Wing ineens een onheilspellend nummer, en krijgen teksten als “I’m as happy as a dog in the yard” iets dubbelzinnigs. Hier zingt iemand niet zomaar mooie liedjes, maar wordt de luisteraar steeds op scherp gezet met broeierige en soms licht venijnige muziek. Bijzonder, en spannend. Andrews maakt bovendien stevige, soms tegen rock aanleunende rootsmuziek waar in één nummer strijkers gecombineerd worden met scheurende rockgitaren en een luchtig tokkelende banjo (Rented White Sedan).

Hij heeft een perfecte band ingehuurd en bovendien zingen AJ Roach en Ana Ege mee. En, niet te vergeten: de liedjes van Andrews zijn zonder meer van topkwaliteit – hij kan zich wat dat betreft meten met de grote jongens als Lyle Lovett en Steve Earle. Kortom: een zeer, zeer mooi plaatje.


NQ Arbuckle – XOK – Six Shooter Records SIX040 – distributie Bertus 

NQ Arbuckle is een Canadees kwartet rond Neville Quinlan (de NQ uit de bandnaam), en ook op hun nieuwe cd XOK speelt Luke Doucet een grote rol, niet alleen als producer, maar ook als onmiddellijk herkenbare guitarist. De vier schrijven ongemeen sterke liedjes. Meteen al in het eerste nummer laten ze horen hoe goed ze zijn. My Baby begint ingetogen met een opsomming van wat het liefje van de zanger allemaal wel niet voor hem doet en wat ze allemaal wel niet van hem accepteert (het drinken, de puinhoop die hij overal van maakt, enzovoorts), en het loopt uit in een wanhopig uitgeschreeuwd “what’s wrong with my baby”. Dat zou heel grappig kunnen zijn, maar het straalt hier een enorme triestheid uit, dit liedje over een stuk ongeluk dat een vriendin heeft die hij niet verdient. Triest maar zeer mooi. Dat geldt voor het hele album, want NQ Arbuckle kan geweldig goed het intieme dat singer/songwriters vaak hebben combineren met stevige, scherpe rock. Dat levert op XOK behoorlijk wat hoogtepunten op, met liedjes die je raken en die je ook niet meer loslaten.

Luister bijvoorbeeld eens naar I Liked You Right From The Start, dat begint met een simpele slide en één zanger, waarna meteen de hele band indrukwekkend het refrein meezingt, waarna drummer, banjo en de rest invallen en het nummer geleidelijk naar een fraaie climax toe wordt geleid, compleet met vet orgel. Er wordt nog even wat gas teruggenomen, maar het nummer eindigt in een lekker voortdenderende rockende groove die wat mij betreft na een kleine zes minuten nog niet had hoeven worden weggedraaid. Wat dat aangaat wil ik deze band wel eens live zien als ze goed op stoom zijn gekomen. Perfecte Canadiana, met stevige en tegelijk subtiele en geraffineerde arrangementen die vele verrassingen verbergen. Een ouderwets groeiplaatje, zeer mooi.


Project A – Kiss and Confiscate  

Ze beginnen met een vervormde stem en een stevige hardrockriff, maar dan gaan ze al snel over in iets doordeweeksere rock. Project A is een Amerikaans klinkende Nederlandse band die weet hoe je een goede gitaarriff moet inzetten. Ze maken muziek die voor de nodige muzikale calorieën zorgt. Lekker stevig, soms zelfs snoeihard, maar ook met lekkere meezingpopnummers. Gitaarrock die internationaal klinkt. Bon Jovi, daar doen ze een beetje aan denken, al weten ze iets frisser te klinken (en ja, dat is een compliment!). Het zit allemaal heel goed in elkaar en klinkt veel beter dan de gemiddelde hitparaderock. Lekker, stevig, fris, energiek, opwindend. Gewoon goed. Nu nog een betere bandnaam en een leesbaar hoesje, en dan komt het helemaal goed met deze jongens.


Shannon Lyon – El Sol – Continental 

Shannon Lyon is een singer/songwriter die je in het eerste nummer van zijn cd El Sol even op het verkeerde been zet door het refrein “I won’t be back in town” zo’n vijftig keer te herhalen, totdat je denkt: man, als je niks te zeggen hebt hou dan je mond. Maar na de luisteraar op deze manier even geïrriteerd te hebben blijkt dat hij wel degelijk mooie, intieme, melancholieke liedjes kan schrijven, die hij bovendien fraai brengt, met een vrij spaarzaam, overwegend akoestisch arrangement, af en toe een mooie tweede stem, en soms wat rockende gitaren, robuuste pianopartijen en een stevige aanpak.
Lyon is een Canadees die een aantal jaren geleden in Nederland is gestrand, en die hier met wat Nederlandse muzikale vrienden (met name Chris Giesbrecht) prachtige intieme Americana-achtige muziek weet te maken. “Stuck here in Schiphol”, jawel, maar dat lijkt voor de man goed uit te pakken. Misschien komt de melancholie wel puur uit heimwee, maar dat maakt voor de luisteraar niet uit – dit is een zeer fraai plaatje, dat bovendien met elke draaibeurt mooier wordt. Dat Lyon een mooie, aangenaam doorrookte stem heeft helpt daarbij zeker.


Sleepy John Estes – On 80 Highway – With Hammie Nixon – Delmark 797 

Sleepy John Estes is zo langzaamaan bijna tot een legende uitgegroeid, en ik heb daar persoonlijk nooit veel van begrepen. Estes is een ouderwetse countrybluesman die zingt en akoestisch gitaar speelt. Hier doet hij dat samen met Hammie Nixon die ook zingt en daarnaast mondharmonica en kazoo (jawel) speelt. Nu is een kazoo (een variatie op het kammetje met vloeitje) misschien aardig als afwisseling in één nummer, maar als het vaker gebruikt wordt heb je al snel de neiging een muzikant niet meer serieus te nemen. Dat geldt hier ook. Bovendien hoor je hier twee oude mannen die lang niet altijd toonvast zijn en die twee stemmen hebben die niet echt fraai op alkaar aansluiten. Nu heeft dat in eerste instantie wel even iets aandoenlijks, en voor doorgewinterde Estesfans zal het wellicht geen bezwaar zijn, maar wij waren het na drie nummers al behoorlijk zat. Als er dan ook nog een doodsaaie versie van When The Saints Go Marching In langskomt begint het, in eerste instantie nog  charmante, gerammel al behoorlijk te irriteren. Ik vrees dat dit album alleen interessant is voor echte hardcore fans van Estes of voor historisch geïnteresseerden in oude blues. Diplomatiek als we zijn kunnen we ook zeggen dat het vooral bestemd lijkt voor de echte specialisten, of dat het te sophisticated is voor gewone muziekliefhebbers.
 

Ted Russell Kamp – Poor Man’s Paradise – eigen beheer 

Americana met als basis country. Ted Russell Kamp is geen geweldige zanger, daarom hebben ze maar wat echo op zijn stem gezet. De band is niet slecht, de matige zang wordt gecompenseerd door zo dramatisch mogelijk te zingen, maar toch is dit niet echt een indrukwekkende plaat geworden. Dat komt vooral doordat Kamp eigenlijk niets te vertellen heeft. Hij rijgt het ene cliché aan het andere, zoals in het titelnummer, waarin zijn liefje vergeleken wordt met een kaars in het donker (die zelfs de storm zal doorstaan), een wilde roos die tussen de rails groeit, een droom die waarheid wordt, enzovoorts. Hij brengt het alsof hij geweldige poëtische vondsten heeft gedaan. Het ergste is dat een liedjes als Let The Rain Fall Down ook nog eens hinderlijk in je hoofd blijft rondspoken, met dat niet bepaald originele refrein “Let the rain fall down (drie keer), fall down on me”. Applaus jongen, zo plat hebben we het al een tijd niet meer gehoord. Mocht je je niet storen aan dergelijke platitudes dan maakt Ted Russell Kamp zeker geen slechte, redelijk stevige Americana in de geest van Waylon Jennings.


Teeter Gray - Blue Love  

Teeter Gray start zijn cd Blue Love met een echt countrynummer, met een nadrukkelijk aanwezige steelguitar. De stem van de zanger zit ergens tussen Kris Kristofferson en Kenny Rogers, en Gray bevindt zich met dit nummer dan ook wel erg in het midden van de country roads. Teeter Gray is feitelijk Chris Koch, die vrijwel alle nummers in zijn eentje schreef (op twee uitzonderingen na, waar Peter Min de muziek schreef), en die zingt en de gitaren bespeelt.
Doorluisteren heeft in dit geval wel zin, want verderop worden de arrangementen regelmatig wat minder zoet, al blijft het midden van de weg steeds trekken. Toch zijn er wat hoogtepuntjes aan te wijzen – Anne Louise, waarin de bandleden ene Anne Louise vriendelijk doch dringend verzoeken de zaal te verlaten omdat de zanger geen woord uit zijn keel kan krijgen zolang zij aanwezig is. Grappig. Dat geldt ook voor Don’t Come Back, dat tegen rockabilly aanhangt en waarbij de loser die het nummer zingt de titel wel erg vaak te horen krijgt. Die twee nummers bevinden zich, samen met het al net zo sterke Ketchum Hollow Trail, halverweg de cd, maar daarna wordt het al snel weer zoet tot mierzoet, helaas. Als je van doorsnee country houdt is dit een album waar kwalitatief weinig op aan te merken valt, maar het heilige vuur waar we altijd op hopen ontbreekt hier vrijwel geheel. Misschien iets minder naar het grote publiek lonken de volgende keer, want dat er iets goeds in zit, dat horen we wel.


The Klezmatics – Tuml=Lebn – The Best of the First 20 Years – Piranha 

The Klezmatics is misschien wel de bekendste klezmerband ter wereld, maar of het ook de beste band is valt nog te bezien. Zeker als je een overzicht voorgeschoteld krijgt van twintig jaar Klezmatics gaan de tekortkomingen van de band ook opvallen. Zo is het een echte feestband, die weliswaar verschillende invloeden toeliet in de klezmer, maar die toch in de kern vooral een tamelijk platte feestband is gebleven, terwijl andere klezmerbands in de afgelopen twintig jaar hebben laten horen dat je met de nodige melancholie ook vernieuwende klezmer kunt maken die toch wat gelaagder en wat gevoeliger is dan wat deze New Yorkse band laat horen. Het is niet alleemaal even plat, maar over het geheel genomen is het toch vooral perfect gespeelde feestmuziek met voor mijn smaak iets te weinig treurigheid en melancholie. Maar als feestband zijn ze onovertroffen, laat dat duidelijk zijn.
 

The Pedro Delgados – Do It Like That – Munich Records 

The Pedro Delgados klinken niet, zoals je aan de bandnaam misschien zou verwachten, als een texmexband, maar gewoon als een superieure stringband, maar dan wel een met een ruime opvatting, want er wordt ook een accordeon ingezet, en een mondharmonica. Toch zijn de voornaamste instrumenten gitaren, banjo, mandoline en fiddle. De bandleden heten allemaal Pedro, maar blijken rasechte Amsterdammers te zijn, wat voor deze luisteraar een verbijsterende ontdekking was, want veel Amerikaanser dan dit vind je het zelden. En dan met passie en overtuigingskracht gespeeld ook nog.

Nog verbazingwekkender is het dat vrijwel alle nummers door twee van de Pedro’s zelf zijn geschreven – Pedro Calvito alias Jeroen Mesker, en Pedro Alejandro aka Sander Borst. Catchy liedjes, voortreffelijk gezongen, vaak meerstemmig, en heel vaak erg grappig – “If you’re Dizzy, I’ll be Gillespie”. Superieur, en van absolute wereldklasse. Hier kunnen we alleen maar zeer, zeer enthousiast van worden. Dat de beste Americana sinds tijden uit Amsterdam moest komen – we hadden het niet geloofd als we dit niet zelf gehoord hadden.


The Rough Guide to Colombian Street Party – Music & Words 

The Rough Guide to Colombian Street Party doet precies wat een goede compilatie hoort te doen – hij maakt je nieuwsgierig naar meer en hij laat je verbaasd achter dat er momenteel zoveel interessante muziek gemaakt wordt in Colombia.

De verzamelaar begint met wat oeroud klinkende muziek die inderdaad, zoals de titel belooft, gewoon op straat lijkt te zijn opgenomen, waarmee de basis gelegd is. In het tweede nummer word je door Radio Cumbia al meteen met een razende vaart meegenomen naar deze tijd, terwijl er toch wat van de traditie in doorklinkt. Maar Radio Cumbia werkt ook met samples en electronica, en dat geldt ook voor Grupo Tetrovisor, die meteen volgt. Dan zijn we al middenin een heerlijk swingend Colombiaans feestje beland, waarin de ene na de andere topband zijn opwachting maakt. Een aantal bekend, een groot aantal onbelkend, maar nieuwsgierig makend naar meer. Kortom – een perfecte, ruim een uur durende compilatie, waarmee de Rough Guide Colombia mooi muzikaal op de kaart weet te zetten.

 

The Rough Guide to the music of Romanian Gypsies www.worldmusic.net  

Compilaties zijn bedoeld als kennismaking met een afgebakend gebied. In het veld van de wereldmuziek zijn de compilaties van Putumayo over het algemeen wat avontuurlijker dan die van Rough Guide, maar die zijn weer wat ruimer bedeeld met betrouwbaar goede muziek. The Rough Guide to the music of Romanian Gypsies duurt vijf kwartier, en alle grote namen van de Roemeense zigeunermuziek zijn hier te horen, van Taraf de Haïdouks tot Fanfare Ciocarlia en Gabi Lunca. Vijf kwartier energieke, scherp spelende brassbands, verpletterend virtuoos spelende cymbalisten, vlammende violisten, je hoort ze hier allemaal. Voor de kenner zit er weinig verrassends bij, maar voor iedereen die op een eerste ontdekkingsreis gaat naar de gepassioneerdste muziek die uit Roemenië komt is dit een zeer, zeer prima schijfje.


Tim Grimm – Holding Up The World 

Tim Grimm heft al eerder bewezen prachtige liedjes te kunnen schrijven, en ook hier presenteert hij op een vrij onnadrukkelijke manier weer tien pareltjes plus een oude bekende van Dylan. Je hebt overigens lef als je Blowing In The Wind gewoon nog een keer opneemt, maar Grimm komt er uitstekend mee weg, mede dankzij de voortreffelijke tweede stem van Krista Detor, die gelukkig op meer liedjes Grimms niet echt opmerkelijke stem ondersteunt. Dat Grimm niet echt een opvallende zanger is betekent overigens niet dat hij niet goed is, want zeker na herhaalde beluistering realiseer je je dat hij met zijn liedjes perfect onder je huid weet te kruipen. Jason Wilber is ook hier weer van de partij op onder meer gitaren en banjo. Voortreffelijk.

Grimm is een echte verhalenverteller, en zijn liedjes beginnen dan ook regelmatig met “My name is...” waarna een schrijnende geschiedenis volgt van iemand die niet ongeschonden door het leven is gekomen. Grimm heeft daarbij het talent dat hij je ook echt aan het luisteren krijgt. Dankzij de arrangementen kun je deze voortreffelijke singer/songwriter ook in de americanabak plaatsen, en dankzij diezelfde mooie arrangementen is dit ook weer een mooi groeiplaatje geworden. Een aanrader dus.


Tom Freund – Collapsible Plans  

Het lijkt wel of er ineens een hele nieuwe generatie singer/songwriters is opgestaan die het net weer een tikkeltje beter wil doen dan de vorige generatie, en die dat niet alleen in hun liedjes laten horen, maar met name ook in de inventieve en fijnzinnige arrangementen. Als je naar Tom Freund’s Collapsible Plans begint te luisteren hoor je dat hij geïnspireerd is door de Van Morrison van Astral Weeks en de jazzy folk van Tim Buckley, alleen klinkt het hier allemaal nog weer wat soepeler en gemakkelijker dan bij die twee gasten. Als je denkt dat zoiets onmogelijk is moet je om te beginnen eens luisteren naar het schitterend gearrangeerde Comfortable In Your Arms, met onder meer een subtiele xylofoon, een harmonium en een Rickenbacher lapsteelgitaar, en een cello en viool die samen het refrein dragen. Weergaloos mooi.
Freund zelf zingt, speelt bas, piano, gitaar, percussie, orgel, en hij heeft een paar bekende vrienden die het allemaal helemaal af weten te maken, zoals Ben Harper die een fraaie tweede stem neerzet, net als Jackson Browne, die ook achter de piano kruipt op twee nummers. Dat zijn fraaie aanbevelingen natuurlijk, maar Freund doet het feitelijk allemaal op eigen kracht, de gasten zorgen enkel voor het toefje extra. Collapsible Plans is een magnifieke melancholieke maar vooral zeer mooie plaat geworden, eentje waar je verslaafd aan kunt raken. Subliem.


terug naar de startpagina van moors magazine