een van de besproken cd's... cd-recensies
Hier volgt weer een klein overzicht van de recensies die ik de afgelopen maanden voor het Nederlandse muziekblad Heaven en het Belgische freezine RootsTown heb geschreven. In moors magazine gaat het vooral over muziek waar ik enthousiast over ben, hier zul je af en toe ook een uitgeproken negatieve recensie tegenkomen.

(11 februari 2005)

Amar Sundy – Najma – Dixiefrog DFGCD 8579 

Op het eerste gehoor is Amar Sundy zeer geïnspireerd door oude bluesmannen als Albert Collins. Het doet ook wat denken aan Robert Cray en BB King – hetzelfde smeuïge gitaargeluid, dezelfde lekker vette orgelsound, en zelfs de zang doet er wat aan denken. Denk nu niet dat Sundy een eenvoudige kloon is van Collins – hij houdt zich hier zelfs vrij moeiteloos staande, omdat hij werkelijk fenomenaal gitaar speelt. Dat hield mij in eerste instantie zelfs wat op afstand, want gitaristen die zo nodig hun virtuositeit moeten tonen vind ik lang niet altijd even interessant. En gitaristen die al te zeer op voorgangers leunen ook niet. Sundy maakt echter veel goed als hij een lichte arabische wind laat waaien. Dat doet hij helaas maar in vier van de elf nummers, die duidelijk op de berberse cultuur zijn geïnspireerd en die in het toearegs gezongen worden. Ook hier zit overigens een stevige Collinsachtige bodem, maar er klinkt nu toch een duidelijk eigen geluid. Dankzij die vier nummers heb ik de cd wat vaker gedraaid, en ook de Engelse nummers blijken dan toch te groeien. En dat virtuoze gitaarspel is tenslotte niet alleen voor gitaristen interessant – hij speelt zo moeiteloos en soepel, dat je er ook als gitaarleek van kunt genieten. Op het tweede gehoor dus een meer dan prima plaat.


Big Dave – Tellin’ you – Nakedproductions NP003 

Euroblues klinkt bijna als gewone blues, maar op de een of andere manier hoor je toch dat hij wat dichter bij huis gemaakt is. Big Dave heet voluit Dave Reniers, en zijn cd is gewoon in België opgenomen. Als je dat niet weet hoor je het in eerste instantie ook bijna niet – de plaat begint met een echte ouderwetse bluesriff, waarna er een lekkere smoelschuiver voor de microfoon gaat zitten. Big Dave speelt lekker vet mondharmonica en zingt met een vrij hoge stem, die wat aan Canned Heat doet denken. Drie kwartier ouderwetse blues volgen. Geen nieuwlichterij hier, geen experimenten, geen grenzenverleggende blues, neen, hier wordt gewoon lekker ouderwetse blues gespeeld. Maar dat gebeurt dan wel op een manier waar je je heerlijk tegenaan kunt schurken. Zet deze mannen in een donker drankhol en je hebt een beste avond. En meer moet dat soms niet zijn – blues zoals het hoort - lekker gespeeld, lekker gezongen. Gewoon een lekker plaatje, niet meer, maar zeker ook niet minder.


Binky/Squirrel/UTR Records Sampler #3 - #9003 

De derde verzamelaar die de drie platenlabels Binky, UTR en Squirrel hebben samengesteld ziet er niet echt fraai uit - het hoesje is werkelijk foeilelijk. Daardoor duurde het een paar dagen voor de cd in mijn speler terechtkwam, maar toen de muziek eenmaal klonk was ik snel om.
Eigenlijk word ik soms wat moedeloos van dit soort samplers. Je denkt dat je nu wel zo’n beetje weet wat er te koop is in het veld van de singer/songwriters, Americana, folk en aanverwante stromingen. Je ontdekt af en toe een nieuwe naam, en je platenkast wordt geleidelijk aan steeds voller. En dan fietst er ineens een verzamelaar als deze tussendoor, met het ene hoogtepunt na het andere, waardoor je de neiging hebt meteen op speurtocht te gaan en alles in huis te halen van een groep als Myshkin (met het schitterende ingetogen Market Town), of een zanger als Randy Pease. Negentien nummers van negen verschillende acts, en er zit nauwelijks een zwak moment tussen. Mike West bijvoorbeeld, die zingt “I don’t play Dixie”, maar die wel een prachtige tussenvorm heeft gevonden tussen country en bluegrass, die we voor het gemak maar alternatieve country zullen noemen. De bekendste namen zijn Ad Vanderveen en Iain Matthews, maar zij leveren niet eens de sterkste bijdragen. Bill Erickson bijvoorbeeld kan zich hier meten met de groten onder de singer/songwriters. Mooie liedjes, mooie arrangementen. Met deze cd kunnen we weer even voort, dames en heren.


Brenda Lee – Grandma What Great Songs You Sang & Miss Dynamite – Ace CDCHD 1027
Brenda Lee – This Is Brenda & Emotions – Ace DCDHD 1028 

De eerste vier platen van een rock ‘n’ roll meisje uit de jaren vijftig 

John Lennon vond dat ze de geweldigste rock ‘n’ rollstem had van die tijd, en ook Barry Hay van de Earring had een zwak voor haar, getuige de zin “Brenda Lee’s coming on strong” in Radar Love. Dankzij de heruitgave van Lee’s eerste vier platen op twee cd’s kunnen we nu constateren dat de heren wel degelijk een punt hadden. Brenda Lee’s grootste hit in Nederland was, eind jaren vijftig, de ballad I’m Sorry, die ze opnam toen ze vijftien was. In dat nummer zitten meteen de sterke en zwakke kanten verborgen. IJzersterk is die stem, die ze dan ook voluit inzet, met ruwe randjes en al. Zwak zijn de arrangementen, en dan met name de uitgesproken suffe achtergrondkoortjes en de mierzoete violen. Toch komt ze er, net als Ray Charles in zijn balladperiode, ruimschoots mee weg, dankzij die fantastische stem.
Op de cd’s zijn behoorlijk wat aangename verrassingen te vinden, want de studioband is bij vlagen fantastisch, met een uitstekende puntige bas en een aantal sublieme saxsolo’s. De legendarische producer Owen Bradley houdt de zaak meestal prima in balans, behalve op de vierde plaat, die opgenomen werd toen Lee zestien was. Daar overheersen de Anita Kerr Singers regelmatig op een hinderlijke manier en lijkt Lee even wat minder voluit te durven zingen. Toch staan ook daar een paar juweeltjes tussen. Miss Dynamite maakt al met al haar bijnaam ruimschoots waar op deze typische eind jaren vijftigplaten.


Buffy Sainte-Marie – Fire & Fleet & Candlelight – Vanguard Masters VMD 79250 

Bestaat er in de muziek ook iets als Kitsch? Zelf moet ik dan meteen denken aan de traditie van exhibitionistische hysterica als Kate Bush en Tori Amos. Buffy Sainte-Marie is een vrij vroeg voorbeeld van dit type vrouw dat zichzelf graag als kunstenares afficheert. Dit album uit 1967 is binnen dat zelfverzonnen genre dan weer zo vreselijk “over the top” dat je gerust kunt spreken van een staaltje onbedoelde humor. Het spijt me, maar ik kan niet anders dan in lachen uitbarsten bij het dramatisch bedoelde vibratogezang van deze pretentieuze dame. Die vibrato is overigens wel heel opmerkelijk – het lijkt soms alsof ze in een bubbelbad zit te zingen. Uitermate irritant, als het niet onbedoeld zo grappig was. Sainte-Marie begeleidt zichzelf op de gitaar en de mondharp, en ook dat laatste doet ze met een bloedige ernst die op de lachspieren werkt. Kortom – ik heb met dit plaatje een zeer vrolijk half uurtje beleefd, al vrees ik dat dit niet helemaal de bedoeling is geweest van dit ernstige folk-icoon uit de jaren zestig.


Chango Spasiuk – Tarefero De Mis Pagos (Sounds From The Red Land) – Piranha CD-PIR1895 

Accordeonmeesterwerk uit Argentinië 

Chango Spasiuk wordt wel de Astor Piazzolla van de Chamamé genoemd. Dat zal voor een stukje kloppen, omdat hij de Chamamé weer nieuw leven inblaast, maar wij vallen eerlijk gezegd meer voor Spasiuk dan voor Piazzolla, die altijd wat pretentieuze, maar ook steriele muziek maakte. Spasiuk maakt warmere muziek, en durft bijvoorbeeld ook heel zachtjes en gevoelig te spelen. Melodieën die bij een ander al snel tot platte wijsjes zouden worden weet hij met het juiste fingerspitzengefühl zó te brengen dat ze onder je huid kruipen. Na zes plaatselijke platen is dit de eerste cd die internationaal wordt uitgebracht en hij verdient het een doorslaand succes te worden.
Spasiuk is een meesterlijke accordeonist, die bovendien een meesterlijke band om zich heen heeft staan, die ook zijn gevoel voor subtiliteit deelt. Daarnaast wordt er soms ook heel stevig muziek gemaakt waarbij alle remmen losgaan. Chamamé is van oorsprong dansmuziek uit het noordoosten van Argentinië, waarin Indiaanse en Spaanse invloeden hoorbaar zijn. Spasiuk voegt daar nog wat van zijn eigen Oekraïense achtergrond aan toe, en heeft bovendien goed naar jazz en avantgarde geluisterd. Een swingende plaat ook. Adembenemend mooi.


Christine Lavin Presents ON A WINTER’S NIGHT – Philo 11671-1241-2 

Als jarenlang voorzitter van het antidecembercomité heb ik een gloeiende hekel aan kerstplaten. Een artiest die speciaal een kerstplaat opneemt daalt dan ook onmiddellijk in mijn achting. Christine Lavin dacht vijftien jaar geleden waarschijnlijk ook dat het anders moest kunnen, en organiseerde een plaat met winterliedjes die het vervelende moralistische van kerstliedjes missen, maar toch een beetje de wintersfeer proberen vast te leggen. Daar is ze wat mij betreft volledig in geslaagd. Verzamelplaten zijn over het algemeen alleen nuttig om leuke ontdekkingen te doen. Het werkt bij mij meestal zo, dat ik een verzamelaar een of twee keer draai en vervolgens op zoek ga naar de artiesten die er uit sprongen. De verzamelaar die ik daarna nog blijf draaien is uiterst zeldzaam, maar voor deze maak ik met genoegen een uitzondering. Philo bracht het album opnieuw uit, waarbij verschillende nummers opnieuw werden opgenomen en er wat bonustracks werden toegevoegd. Het resultaat is een aangenaam knusse winterplaat, met naast Christine Lavin een hele reeks zeer prima singer/songwriters die allemaal schitteren, als John Gorka, Bill Morrissey, Dave van Ronk, Cliff Eberhardt, Patty Larkin, Cheryl Wheeler, Shawn Colvin en nog achttien anderen. Als gezegd, een zeer prima alternatief voor de mierzoete kerstplaatjes die in december je goede humeur dreigen te bederven.


Chuck Lee Bramlet – Murder Of Crows – Cretaceous CRE 1030700 

Chuck Lee Bramlet wil graag vergeleken worden met Neil Young, Van Morrison en Tom Petty. Helaas mist hij één belangrijk item om die vergelijking door te laten zetten, namelijk een goede stem. Bramlet kan eigenlijk niet goed zingen, en doet dat dan ook nog eens heel bedeesd. Dat werkt dus niet, zelfs niet als de band het prima doet, zoals hier. Die treurigsaaie stem haalt de energie uit de muziek, lijkt het wel. Toch zijn er memorabele momenten aan te wijzen op dit middelmatige album – Not My Brother bijvoorbeeld vlamt ineens, dankzij de dramatische gastvocalen van Lisa Hayes, die de cynische tekst precies de juiste lading geeft. Misschien moet Bramlet zijn liedjes in het vervolg door deze dame laten zingen. Samen mag ook, maar als solistische zanger is Bramlet toch een maatje te klein, ondanks de prima liedjes.


Curt Boettcher – Chicken Little Was Right – RevOla cr rev 73 

Restmateriaal van de koning van de soft pop 

Curt Boettcher was de ongekroonde koning van de Californische softpop, die als geen ander fantastische arrangementen en bloedmooie meerstemmige zang combineerde tot ware meesterwerkjes. Hij produceerde onder meer hits voor The Association (Along Comes Mary), en was als producer/muzikant/zanger betrokken bij Millennium en Sagittarius, voor kenners de absolute top van de softpop. Brian Wilson was een van zijn bewonderaars. Zijn enige solo-album There’s An Innocent Face is een van de vergeten meesterwerken van de pop.
Fans van Boettcher worden de laatste jaren voorbeeldig bediend met schitterende cd-versies van al de genoemde meesterwerkjes, plus nog wat randmateriaal, dat in handzame porties wordt uitgegeven. Chicken Little bestaat uit materiaal dat voor zijn tweede soloplaat bestemd was, aangevuld met wat onbestemd restmateriaal. Drie nummers kunnen als “af” beschouwd worden (en daar valt je de mond ook van open, zo mooi), maar voor de rest horen we nummers die niet verder zijn gekomen dan de demo-stage. Daar zit ook nog een enkel juweeltje bij (Astral Cowboy bijvoorbeeld laat horen hoe goed Boettcher, ook zonder tweede stem, zong met alleen twee gitaren als begeleiding), maar meestal mis je de complete arrangementen en de fraaie meerstemmige zang die het werk van Boettcher zo bijzonder maakten.

Een cd voor de hardcore fan dus. Anderen kunnen beter beginnen bij “Begin” van Millennium en de “echte” soloplaat – de kans is groot dat ze dan later deze ook willen aanschaffen.


Dennis Feeney and the Den Dogs – Boots Belts Irons

In het eerste nummer maakt Feeney ons al ondubbelzinnig duidelijk hoe hij in het leven staat – zelf nadenken is er niet bij, hij laat dat liever geheel over aan zijn Grote Vriend Jezus. Als we bij het laatste nummer zijn aangekomen, waarin hij zingt “I’m gonna sing me a song of hope, I’m gonna fall on my knees and pray”, kunnen wij alleen nog maar zuchten “Goed Dennis jongen, maar dan alsjeblieft wel zonder mij…”
Fundamentalistische christenteksten dus, maar wel vermomd als stevige bluesrock. We horen een trio van bas, drum en elektrische gitaar, dat er redelijk stevig tegenaan gaat. Stevig maar braaf, zullen we maar zeggen. Het enige nummer dat er wat mij betreft echt uitspringt blijkt geschreven en gezongen door de gitarist, David Eisenhauer, die hier (bij de Feelin’ Good Blues) ook heel even mag laten horen dat hij op die gitaar toch wel echt goed uit de voeten kan, als Jezus even een stapje opzij doet.
Het is jammer dat eerdergenoemde Jezus voor zijn promotie steeds van dat domme volk blijkt in te huren. Zelfs de teksten die op het eerste gehoor niet christelijk zijn (“Your Love” bijvoorbeeld, kan voor een normaal liefdesliedje doorgaan), krijgen door de context een vervelend ouwelsmaakje. Eigenlijk hadden we het aan het hoesje al kunnen zien, want daar wordt niet alleen God op bedankt, maar we zien ook drie keurige mormoonachtige jongemannen, waarvan er één zelfs in korte padvindersbroek zit te spelen. Tja. Not my cup of tea, maar als je van Jezus houdt en van stevige bluesrock is dit misschien de perfecte cd voor jou.


Hazy Malaze – Blackout Love – Fargo FA20516 

Gedegen rock 

Hazy Malaze is de band van Neal Casal, dus onze verwachtingen waren hooggespannen. Dat viel een beetje tegen. We hebben hier te maken met een gedegen, ouderwetse licht funky rockplaat van een klassiek rocktrio: gitaar, bas en drums. Als we het negatief formuleren is het middle-of-the-roadrock waar alle scherpe kantjes afgevijld zijn, maar als je wat vaker luistert (Casal kreeg van ons toch het voordeel van de twijfel) groeit de plaat toch nog een beetje. Toch blijft het een wat mat album, zeker als we het vergelijken met Casal’s eerste, bijzonder mooi gearrangeerde soloplaten. Niet echt slecht, maar zeker niet zo goed als we gehoopt hadden.


Jill Barber – Oh Heart – Dependent Music dp018 

Na het enorme commerciële success van Norah Jones duiken er ineens overal jonge vrouwen op die op een jazzy manier hun eigen liedjes brengen. Daar zitten soms hele goede plaatjes bij, als die van Jolie Holland (die wat minder politiek correct en wat avontuurlijker is dan Jones, maar zeker zo goed) en Madeleine Peyroux. En nu is daar uit Canada Jill Barber, die zo vastberaden is ook op de trein te springen dat ze nu al een cd uitbracht terwijl ze voor maar een klein half uurtje muziek klaar had liggen. Een appetizer, zullen we maar zeggen. De grote vraag is dan natuurlijk: is ze goed? Het antwoord is zonder meer bevestigend – de dame is zeer goed. Haar liedjes zijn prima, de arrangementen zijn dik in orde en ze zingt fantastisch, met een tikkeltje hese stem die af en toe in de verte wat aan Melanie doet denken. Jazzy zingen is niet zo heel erg makkelijk, maar Barber zit lekker in de groove, ze swingt en zingt spannend. Het gaat tenslotte om de kwaliteit, dus wie ben ik dan nog om te klagen dat de cd nog geen vierentwintig minuten duurt? Een aanrader.


Jimmy Ågren – Close Enough For Jazz – UAE Disc 16 

One-man bluesband 

De titel van deze cd is een tikkeltje misleidend – je moet eerder aan elektrische blues dan aan jazz denken bij de muziek die de Zweedse Jimmy Ågren vrijwel in zijn eentje maakte. Denk dan niet alleen aan Howlin’ Wolf, maar ook aan Little Axe en aan Captain Beefheart. En soms denk je dat Zappa hem “Whip it out!” ingefluisterd heeft. Er wordt gespeeld met weerbarstige ritmes die bovendien verschuiven of versnellen, er wordt zowel subtiel als ruig gitaar gespeeld, en er wordt niet alleen stuwend maar ook zeer ingenieus gedrumd, allemaal door dezelfde man. Als je dat niet weet en je onbevangen deze cd opzet denk je dat je naar een zeer goed op elkaar ingespeelde band zit te luisteren. Een avontuurlijke plaat dus, geschikt voor iedereen die open staat voor iets ingewikkelder muziek, terwijl de “bluesfeel” nooit losgelaten wordt. Pure, rauwe energie en, niet te vergeten, humor. Zelfs het zingen door een vervormer stoort nergens, behalve op het laatste nummer, waar een eigenaardige vervormer is gebruikt, waar deze luisteraar letterlijk misselijk van werd (geen grapje). Maar dat is dan ook het enige minpuntje bij dit fantastische soloproject.


Luthomania – Itinérances – Papyros MXCD 5011  

Wereldfusie 

De naam Luthomania geeft al aan dat de drie groepsleden gek zijn op de luit. De Belg Philippe Malfeyt bespeelt de middeleeuwse luit, Abid El Bahri, een Belgische Marokkaan, is een autodidact op de Arabische luit, de oud, en Xia Hua heeft in Beijing de Chinese luit, de p’i-p’a, leren bespelen. Ze worden op deze cd ondersteund door een aantal gasten, waaronder de vaste percussionist Chris Joris, een accordeonist, een mondharmonicaman, een cellist en een sopraansaxofonist. Op papier ziet deze Europees/Arabische/Chinese combinatie er zeer aantrekkelijk uit, in de praktijk valt er nog wel het een en ander op af te dingen. Ze hebben onder meer de pech dat er in Europa al twee fabuleuze oudspelers actief zijn die op een fenomenale manier de Arabische oud met westerse muziek fuseren, Rabih Abou-Khalil en Anouar Brahem. De vergelijking met beide grootmeesters valt voor Luthomania niet geweldig uit. Het doet allemaal wat te veel denken aan de van-dik-hout-zaagt-men-planken-aanpak van mensen als James Last of André Rieu, waardoor de op zich interessante muziek alle scherpte en subtiliteit verliest. Als de mondharmonica dan ook nog als een kopie van Toots Thielemans klinkt zijn we definitief bij de afdeling “wereldmuziek voor miljoenen” aangeland. Af en toe worden we nog verrast door een aardige improvisatie, maar ook hier is enige subtiliteit ver te zoeken. Het juiste “fingerspitzengefühl” ontbreekt volledig bij deze multiculturele groep. Jammer.


Mike Kindred with Dexter Walker– Handstand – Loudhouse Records LHR2005 

Boogie woogie is helemaal terug, maar dan met een vleug barrelhouse, een scheut jazz, een beetje rock en veel blues. Mike Kindred heeft heel lang gewerkt als sideman, en dit hier is zijn eerste soloplaat, en wat ons betreft heeft hij daar te lang mee gewacht. Als je dit album opzet en je vraagt een argeloze luisteraar wat hij ervan vindt zal hij waarschijnlijk antwoorden: “Wat een fantastische band!” Dat we hier alleen een pianist en een drummer horen dringt pas later tot je door. Maar wat een pianist! Hij swingt als de hel, heeft een ongehoord sterke pompend bassende linkerhand die hij combineert met een heel soepel swingende melodieuze rechterhand. Dexter Walker is daarnaast een perfecte stevige drummer die ook af en toe gas terug durft te nemen en die het instrumentale geluid mooi afmaakt.
Dat was op zich al genoeg geweest voor een opwindende plaat, maar Kindred blijkt ook nog eens een fantastische rauwe grommende bluesstem te bezitten die hij bovendien inzet om zijn schitterende zelfgepende songs te brengen. Kindred levert weer eens het bewijs dat de blues nog altijd springlevend is op dit opwindende album. Great stuff!


Nitty Gritty Dirt Band – Welcome To Woody Creek – Dualtone 80302-01176-2 

Bluegrass/country/rock 

De Nitty Gritty Dirt Band heeft een wat eigenaardige loopbaan gevolgd – ze begonnen een kleine veertig jaar geleden met energieke countryrock die uit de boxen spatte (Uncle Charlie And His Dog Teddy). Daarna werd het allemaal wat traditioneler, tot ze uiteindelijk vreselijk suffe middle-of-the-road-country maakten met gristelijke teksten – muziek die je zo op de EO-landdag kon draaien. Tussendoor maakten ze dan wel weer de klassieker Will The Circle Be Unbroken, met als gasten alle groten uit de countrywereld in de ruimste zin. Daar maakten ze drie afleveringen van, waarvan de eerste nog steeds de sterkste is.
Hun nieuwe cd is een terugkeer naar hun roots – akoestische country met af en toe een vleugje rock. De teksten zijn nog steeds wat aan de suffe kant (“I’m walking in the sunshine girl, since I met you”) of gristelijk (“How long can I live in this prayer”), maar als je in staat bent die teksten te negeren heb je eigenlijk weer een buitengewoon aardige NGDB-cd in handen, met onder meer verrassend mooie versies van Gram Parsons’ She en Get Back van the Beatles.


Pieter Embrechts – Maanzin Album Nr 1 – LC Music LCM100063 

Belgische duivelskunstenaar  

Pieter Embrechts komt uit een goed Belgisch nest – zijn broer Bert is de vaste bassist van de Laatste Show Band, zijn zus Tine is de grappigste vrouw op de Vlaamse televisie. Iedereen die wel eens naar het Peulengaleis heeft gekeken kan dit laatste bevestigen. In dat programma figureerde Pieter ook een aantal malen, en sommige nummers van zijn cd Maanzin hebben ook iets van dat licht krankzinnige meegekregen. Luister maar eens naar het knettergekke Respect, met Hugo Matthysen-achtige teksten als Sommige mannen zijn zwaar geschapen, andere schapen hebben weinig wol. Toch is het niet puur gekte wat hier klinkt. Soms zijn de liedjes ook heel intiem en persoonlijk. De arrangementen zijn soms subtiel, soms spannend, soms swingend, soms ruig, maar overal goed. Een Belgische singer/songwriter met avontuurlijke trekjes, die ruim een uur lang weet te boeien. Geen zwak moment te vinden op deze plaat. En dan is hij ook nog eens verantwoordelijk voor de arrangementen en voor de tekeningen in het cd-boekje. Klasse!


The Diaspora Of Rembetiko – Network 27.418 (2cd) 

Griekse blues 

De verzamel-cd’s van het Duitse wereldmuzieklabel Network zijn altijd tot in de puntjes verzorgd. In de langwerpige doos vind je ook nu weer twee cd’s en een uitgebreid fullcolour boekje. De muzikale kwaliteit van de verzamelaars wisselt echter nogal. De absolute topper is al weer een aantal jaren oud (Road Of The Gypsies), maar over het algemeen zijn er toch altijd wel genoeg juweeltjes te vinden op de verzamelaars. Deze laatste, met voorbeelden van Rembetiko, de Griekse blues, van over de hele wereld, valt nogal tegen. Er is vooral gekozen voor langzame nummers, waarschijnlijk met de gedachte dat de melancholie daarin het duidelijkst naar voren komt. Maar wat we hier missen is het vuur, de hartstocht, die juist een kenmerk van de Rembetiko zou moeten zijn. En de rauwe randjes van de blues. Het is net alsof ze een soort Willem Duys de braafste Rembetiko hebben laten uitzoeken die hij kon vinden. Er zit af en toe nog wel een enkele ruwe diamant tussen, maar de dubbel-cd voelt vooral als een gemiste kans.  Misschien aardig genoeg voor het grote publiek, maar de echte muziekliefhebber kan beter elders kijken.


Rich Robinson – Paper – Keyhole Records KH-2004-04 

Om maar met de deur in huis te vallen – dit is een heerlijke, vrolijkmakende poprockplaat. Rich Robinson heeft hier, met zijn eerste soloalbum, een plaat gemaakt die wat mij betreft alles doet vergeten wat hij met zijn band The Black Crowes tot dusver heeft gedaan.

Robinson klinkt hier alsof hij duidelijk geïnspireerd is door Engelse bluesrock-gitaarbands uit de sixties als Thin Lizzy, Deep Purple of Black Sabbath. Daar heeft hij dan een vleug Amerikaanse Southern Rock doorgemengd, plus een goede scheut ouderwetse jaren zestig-psychedelica, en het resultaat is verbluffend goed. Fraaie tweestemmige zang plus het lekkere gitaarspel van Robinson maken het geheel af, en wat we dan in onze handen houden is een ruime selectie aan stevige meezingrock, afgewisseld met akoestischer, maar niet minder stevig klinkende nummers. Retro? Misschien een beetje, maar Robinson heeft er iets van gebakken dat wel degelijk eigentijds klinkt, terwijl het toch ook behoorlijk “basic” blijft klinken. Wat ons betreft mag Robinson voorgoed The Black Crowes vergeten en op zijn eigen weg verdergaan. Een topper.


Richard Buckner – Dents And Shells – Fargo Records FA20405 

Singer/songwriter

Richard Buckner is geen vrolijke jongen. Gelukkig weet hij zijn somberheid op een uitstekende manier in muziek te verpakken. Dit keer heeft hij bovendien een uitstekende band om zich heen verzameld, waardoor hij een voor zijn doen zeer toegankelijke cd heeft afgeleverd. Meer dan dat zelfs, want het is een van die zeldzame platen geworden die bij elke draaibeurt beter lijken te worden. Mooie intieme liedjes, prachtige arrangementen, een plezierige stem. Meer heb je eigenlijk niet nodig om een geslaagd groeiplaatje te maken.


Skeeter Truck – Skeeterhead Records ST001 – www.skeetertruck.com  

Skeeter Truck is een trio dat naar eigen zeggen rootsmuziek speelt. Dat klopt ook wel, maar het doet bij vlagen ook aan akoestische hillbilly denken. Het doet er ook niet zoveel toe welk stempeltje we op deze muziek plakken, wat belangrijk is, is dat het bijzonder aanstekelijke muziek is die smaakt naar meer. Dat is vooral te danken aan de frontman van het trio, Mark Miller, die de leadzang voor zijn rekening neemt, maar die daarnaast een fantastische partij slide-gitaar speelt. En dat niet alleen, hij kan ook zeer goed uit de voeten met een banjo, een gewone elektrische gitaar en zelfs een cuatro (kadogekregen van een collegamuzikant die dacht dat hij daar wel weg mee zou weten).
Art Schindele speelt drums en ene Sluggo houdt de staande bas in bedwang, en beiden zorgen ook voor de achtergrondzang, en dat doen ze meer dan adequaat.
Wat vinden we hier? Een paar juweeltjes van instrumentals (hoor die slide binnenglijden op Drivin’ To Vegas), een paar fraaie zelfgepende nummers en nog een handvol traditionals. En juist bij die traditionals bewijzen deze mannen hun kwaliteit, want we horen een zeer frisse en grappige versie van Seven Drunken Nights (dat hier overigens Drunkard’s Special heet) en een al net zo frisse Jack O’Diamonds, ook al zo’n nummer dat doodgespeeld leek, maar dat hier een heerlijk nieuw leven kado krijgt.
Enige minpunt is dat het plaatje maar krap een half uur duurt.


Steve Ellis – A Sort Of Innocence – RedRock REDR001 

Gezwollen Engelse poprock 

Steve Ellis heeft in een ver verleden met zijn band Love Affair een wereldhit gescoord met het nummer Everlasting Love. Tekenend is, dat dit nummer op zijn nieuwe album maar liefst twee keer langskomt. De eerste keer in een redelijke studioversie, de tweede keer in een erbarmelijke live-versie. Ook verder is Ellis blijven hangen in de Engelse poprock van veertig jaar geleden. En dan de rock van het gezwollen, bombastische, aanstellerige soort. Je hebt het gevoel dat je iemand hoort die een popster speelt, maar het niet is. Op de goede momenten doet de muziek af en toe denken aan derderangs Faces. Al met al een volkomen overbodige plaat, of je het nu als muziek of als entertainment bekijkt. Zelfs Paul Weller (gitaar en keyboards) en Roger Daltrey (mondharmonica), die op twee nummers te hulp schieten kunnen de zaak niet redden hier.


Beginner’s Guide to Tango – 3cd – Nascente NSBOX 010 

Tango’s voor een middle-of-the-roadpubliek 

De tango wordt pas interessant als hij op het scherpst van de snede gespeeld wordt. Het is muziek van extremen, en als het goed gedaan wordt hoor je de perfecte combinatie van zwoele melodieën, strakke ritmes, abrupte tempo- en sfeerwisselingen en melancholie. Nascente bracht een kartonnen doosje uit met drie cd’s in dunne doosjes die laten horen hoe je de tango ook effectief om zeep kunt helpen. De drie cd’s zijn chronologisch opgebouwd via de pretentieuze hoofdstukjes Genesis, Evolution en Contemporary.
We hebben hier op alle fronten te maken met een misser. Om te beginnen duurt elke cd krap een half uur en is de technische kwaliteit, zeker op de eerste cd, vaak zeer beroerd. Verder is de informatie op de verpakking minimaal, en zo klein afgedrukt dat de tekst alleen met een loep te ontcijferen is. We missen verder de echte grote namen, als Osvaldo Fresedo (die het beste tango-orkest ooit leidde) en Julio Sosa (dè tangostem bij uitstek), en van de andere groten die de box wel gehaald hebben (als de onvermijdelijke Astor Piazzolla of Pancho Lomuto) zijn zonder uitzondering zwakke nummers uitgekozen. Dat betekent dat we hier met de sufste tangocompilatie zitten die we ooit hoorden. Aan het eind van de derde cd zijn we dankzij een reeks lounge-tango’s definitief in slaap gevallen. Het lijkt wel of de samenstellers bewust de extremere tango’s links hebben laten liggen, terwijl je juist met mooie, strakke, felle tango’s een nieuw publiek zou kunnen aanboren. Afijn, omdat er op elke cd precies één goed nummer staat geven we één ster aan deze overbodige compilatiebox.


The Alan Lomax Collection – The Spanish Recordings – Basque Country: Navarre – Rounder 82161-1773-2

The Alan Lomax Collection – The Spanish Recordings – Basque Country: Biscay and Guipuzcoa – Rounder 82161-1772-2 

Authentieke traditionele volksmuziek 

Rounder gaat gestaag door met het uitbrengen van alle opnames die Alan Lomax op zijn tocht door de wereld gemaakt heeft. Er zijn nu weer twee Baskische afleveringen verschenen die ook weer voorbeeldig afgeleverd worden, met een ruime voorraad muziek (vijf kwartier per cd) en een boekje met zeer uitgebreide toelichtingen. Toch zijn het cd’s voor de doorbijters onder de muziekliefhebbers. In de eerste plaats betreft het hier veldopnames van zo’n vijftig jaar geleden. Dat betekent dat het niet altijd even geweldig klinkt; met name het blaaswerk klinkt allemaal wel erg blikkerig. De zang klinkt daarentegen prima, al kun je soms horen dat de amateur-zangers stijf van de zenuwen voor de microfoon zitten. Maar dat is ook weer de charme van deze opnames, want als er dan eentje met een gekke kreet de spanning doorbreekt hoor je iedereen opgelucht lachen. Daardoor heb je het gevoel dat je er bijna zelf bij zit.
Op deze beide compilaties zijn overigens ook weer de nodige pareltjes te vinden, naast de wat krakkemikkig klinkende amateurs. Dat maakt de cd’s in deze serie uiteindelijk toch interessant voor zowel de specialist die dieper in deze muziek wil duiken als voor de gewone liefhebber van volksmuziek.


The Crickets And Their Buddies – Cooking Vinyl COOKCD328 

Ouderwetse knusrock 

Tribute-cd’s zijn er in soorten en maten. Hier heeft de oude begeleidingsband van Buddy Holly, the Crickets, een behoorlijk aantal gasten uitgenodigd om vooral oude Buddy Holly-nummers te spelen. De originele Crickets, JI Allison op drums, Sonny Curtis op gitaar en Joe B Mauldin op bas, zijn bovendien uitgebreid met Albert Lee op gitaar en Glen D Hardin op keyboards, waardoor er een stevige basis wordt gelegd. Het resultaat is knusse Rock ‘n’ Roll waar je met een brede grijns naar zit te luisteren. De gasten zijn ook perfect op hun plek hier – John Prine bijvoorbeeld, die zijn platenlabel naar het nummer noemde, laat hier een fantastische vrolijke versie horen van Oh Boy; Graham Nash, die de naam van zijn eerste groep The Hollies rechtstreeks inspireerde op Buddy Holly, brengt een fraaie versie van Think It Over, Waylon Jennings maakte vlak voor zijn dood de opname van Well… All Right, die niet alleen daarom aangrijpend mooi is, en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Iedereen lijkt hier geïnspireerd en enthousiast zijn ding te doen, tot en met de oude Johnny Rivers en de onvermijdelijke Eric Clapton toe. Stevig, strak, lekker gespeeld, lekker gezongen, pure knusrock in optima forma. Een heerlijk plaatje.


Th’ Legendary Shack*Shakers – Believe – Yep-2079 

De blues is al vele malen doodverklaard in de afgelopen jaren, en steeds bleek er wel weer een band in staat om diezelfde blues overtuigend nieuw leven in te blazen. Th’ Legendary Shack*Shakers doen dat ook, op een voortreffelijke manier. Blues en boogie zoals het hoort – met een rauw, punky rafelrandje. Dus er wordt stuwend gedrumd, een gemene partij mondharmonica gespeeld en regelmatig door een vervormer gezongen, terwijl er gestreefd wordt naar een krachtig lo-fi geluid. Dat levert prettig rammelende, dampende melancholieke feestmuziek op, die beter en minder slordig in elkaar steekt dan je op het eerste gehoor zou zeggen.
De band schijnt live ook een belevenis te zijn, dus ga kijken als ze bij jou in de buurt zijn.
De Colonel, zoals de frontman, JD Wilkes zichzelf noemt, wordt door Jello Biafra van de Dead Kennedys de laatste grote “frontman” genoemd, en ook anderen roemen de live-optredens van de band. Deze cd geeft dat live-gevoel aardig weer, voor mijn gevoel, je hebt bijna het gevoel dat je zelf in een hoek van een morsige bar staat te luisteren.


Two Cow Garage – The Wall Against Our Back – Sonic Rendezvous Records SRV020 

Voor een stevige partij rock ‘n’ roll heb je maar drie man nodig, zoals Cream en Jimi Hendrix en zijn Experience in het verleden effectief hebben bewezen. Two Cow Garage denkt dat truukje ook te kunnen klaarspelen, en met een beetje bluf komen ze een heel eind. Met hun gitaar, bas en drums zetten ze om te beginnen een stevige geluidsmuur op, die wordt aangevuld met de ruige zang van de drie mannen. Alleen maak je je na het eerste nummer al meteen erg veel zorgen over de leadzanger die wel erg geforceerd bezig is een ruig geluid uit zijn strot te persen. Op hun instrumenten zijn de heren ook niet al te sterk bezig – het is meer een kwestie van stevig imponeerwerk. Alsof je brood in te grote hompen krijgt aangeboden, met forse lappen vet spek. De liefhebber zal er zonder nadenken meteen enorme happen van nemen en er intens van genieten, voor onze smaak is deze cowpunk toch iets te grof gesneden.


Warsaw Village Band – Uprooting – Jaro 4261-2 

Strakke world-fusion 

Drie zingende meiden die met hun messcherpe zang soms doen denken aan Bulgaarse collega’s, maar die er wat meer melancholie in weten te leggen, zeker als er solo gezongen wordt. Dat gecombineerd met een behoorlijk traditioneel Pools klinkende band die oude Poolse volksliedjes speelt, zou in theorie een traditioneel klinkende cd moeten opleveren. Niets is minder waar. Er wordt gescratcht, er is strakke percussie, en er is goed geluisterd naar muziek van overal. Het resultaat is een zeer geslaagd huwelijk van traditie met strakke techno. Moderne feestmuziek met de nodige melancholie. Zeer Pools maar tegelijkertijd zeer werelds. Spannend en gevoelig. Mooi.


Wreckless Eric – Bungalow Hi – Southern Domestic SND 002 

Wreckless Eric maakte zijn debuut ooit op het Stifflabel – ruige, enigszins onbehouwen muziek maakte deze gast, die soms wat al te fors uit de bocht vloog (met Ian Dury in de beginperiode op drums). Nu is hij terug, na een verblijf in Frankrijk, en een tijd in een psychiatrisch ziekenhuis, en hij heeft een cd gemaakt waar we nog niet helemaal uit zijn. Ook Eric lijkt de psychedelica van de jaren zestig herontdekt te hebben, en hij zet dan ook met veel plezier de solartron oscillator in, maar combineert dat dan weer met samples, klinkt soms techno, dan weer puur rauwe punk, en af en toe zweeft een nummer een hele tijd wat chaotisch rommelend door. Het resultaat is een fascinerende cd waar we hier niet altijd naar kunnen luisteren, maar die toch blijft intrigeren. We krijgen flarden mee van zijn niet al te vrolijke bestaan, en niet al zijn teksten zijn even goed te volgen, maar je hoort dat hier iemand zijn ziel en zaligheid in zijn muziek legt. De rauwe randjes bevallen me wel, maar als de muziek te lang nergens heen gaat haak ik af. Toch gebeurt er dan telkens wel weer iets dat de aandacht terugpakt, dus al met al een cd die voldoende te bieden heeft. Eigenlijk is dit een plaat die op een niet echt onplezierige manier enigszins irriteert, en feitelijk is dat natuurlijk zeker niet slecht.


terug naar de startpagina van moors magazine