andrew bird cd-recensies
 
Hier volgt weer een klein overzicht van de recensies die ik voor het Nederlandse muziekblad Heaven en het Belgische freezine MazzMusikas heb geschreven in de winter van 2006 en 2007. In moors magazine gaat het vooral over muziek waar ik enthousiast over ben, hier zul je af en toe ook een uitgeproken negatieve recensie tegenkomen.

De sterrenbeoordeling (die voor Heaven altijd gehanteerd wordt) moet je als volgt lezen:
* zwak
** prima maar niet geheel foutloos
*** goed
**** klassieker in zijn genre
***** mijlpaal

(december  2006)

Andrew Bird – Armchair Apocrypha www.fargorecords.com

Andrew Bird is een beschaafde, intelligente en elegante singer/songwriter. Hij is, net als bijvoorbeeld Jackie Leven, niet zo goed te plaatsen, maar zijn liedjes zijn niet alleen intelligent, ze beklijven ook goed, en de arrangementen zijn werkelijk fenomenaal. Hij zingt niet alleen goed, maar fluit ook opmerkelijk mooi en is een virtuoos op verschillende muziekinstrumenten, waaronder de viool, die hij niet alleen met de strijkstok bespeelt. Armchair Apocrypha is zeker niet zijn eerste album, maar wel het eerste dat deze recensent van hem hoorde, en het is een uitstekende aanleiding om met terugwerkende kracht het complete oeuvre van deze man te gaan exploreren, want dit is verslavende muziek, dames en heren, een echte fantastische groeiplaat die alleen maar beter en beter wordt. Luister eens naar de heerlijk rommelige, rammelende percussie in Simple X die volledig gecorrigeerd wordt door de standvastige zang. Magnifiek. Of let op de prachtige strijkers in Scythian Empires, of de mooie melancholieke fluitende opening van het verderop heftig stuwende Darkmatter. We kunnen zo alle nummers langslopen, want Bird heeft een plaatje gemaakt dat alleen uit hoogtepunten bestaat. Zijn teksten zijn als gezegd zeer de moeite waard, maar hij weet ook met een paar zeer sterke instrumentals te overtuigen. Een absoluut meesterwerkje, dames en heren.


Dolorean – You Can’t Win – Yep Roc Yep 2109

Jongens op modefoto’s kijken altijd zeer verveeld de wereld in. De jongens van Dolorean zingen al net zo verveeld. Om te laten horen dat ze niet alleen bijzonder cool zijn, maar dat ze ook niet van de straat komen pakt de drummer regelmatig de brushes, voegt de pianist af en toe interessanterige artistiek bedoelde tierelantijnige riedeltjes toe en wordt er zelfs voorzichtig een xylofoon ingezet. De heren zullen ongetwijfeld strak in het pak optreden, als ze hun pretentieuze softpop live brengen. De toch al niet zo sterke refreintjes worden zo eindeloos herhaald dat het al snel op de zenuwen begint te werken. Wellicht is dit de perfecte muziek voor iedereen die diep geraakt wordt door de verveelde blikken op modereclamefoto’s, maar deze recensent was blij dat de cd maar een half uurtje duurde.


Druzina – Tragare – Indies Records  - www.druzina.info

De Slowaakse band Druzina zier er op de foto uit als een stel jonge honden, en de muziek die je hoort als je hun derde album Tragare opzet valt in eerste instantie wat tegen – je verwacht onwillekeurig wat ruigere muziek dan hier gepresenteerd wordt. De band bewerkt traditionele Slowaakse muziek en doet dat af en toe behoorlijk avontuurlijk, al blijft het allemaal toch wat streken in braaf avontuur. Toch blijkt het hier uiteindelijk, na meerdere malen spelen, gaan om een klassiek groeiplaatje, dat toch wel erg goed in elkaar steekt. Er wordt uitstekend gezongen, zowel door de vrouwen als door de mannen, en muzikaal gesproken zijn de arrangementen geraffineerder en gelaagder dan je op het eerste gehoor zou denken.  En er zitten wat fraaie verrassingen tussen, als Groovie Fujara, waarbij een grote fluit bespeeld wordt alsof het een didgeridoo is. Volksmuziek, of zo u wilt wereldmuziek voor een groot publiek, waarbij de fijnproevers toch ook ruimschoots aan hun trekken komen. Bovendien is het een gevarieerde cd die perfect opgenomen is. Een aanrader dus.


Frederic Galliano presents Kuduro Sound System 

Frederic Galliano heeft al een plaat of tien geproduceerd in West Afrikaanse landen als Mali en Senegal. Nu presenteert hij een plaat vanuit Angola. Stadsmuziek is het geworden, muziek uit de clubs van Luanda, schreeuwrap, hiphop, house, gemengd met tot het kaalste minimum teruggebrachte Afrikaanse ritmes. Geen warmte, geen melancholie hier, maar harde, bijna verbeten dansmuziek. Fascinerende, aggressieve, uitgeklede muziek.


Mandrew – The Wonderful World Of… - Treefrog Records

Mandrew is een ouderwets lekker Amerikaans popbandje uit Minneapolis dat zijn inspiratie vooral uit de jaren zestig lijkt te halen. Denk aan een combinatie van Beach Boys, Beatles en Curt Boettcher, door elkaar gemixt met een grondige kennis van punk- en garagebandjes en steviger gitaarrock van later. Lekkere liedjes, mooie powerpoparrangementen, heerlijke meerstemmige zang. Aanstekelijke muziek. Toch klinken ze niet gedateerd, maar meer als een alt-countryband die met één been in de sixties is blijven staan. Een heerlijk plaatje, dames en heren! Een welkome zomerbries in deze kille dagen.


Martha Scanlan – The West Was Burning – Sugar Hill SUG CD 1085

Bluegrasscoryfee Dirk Powell produceerde niet alleen de cd The West Was Burning van Martha Scanlan, hij speelt er ook zo’n beetje alle bluegrassinstrumenten die je maar kunt bedenken (bas, banjo, fiddle, mandoline en meer) en zingt bovendien een tweede stem. Als we dan ook nog zien dat Levon Helm (jazeker, van The Band) achter de drums kroop en dat de onvolprezen Riley Baugus hier banjo speelt, dan zou je de conclusie kunnen trekken dat Scanlan hier net zo’n sterke band bij elkaar heeft weten te krijgen als Alison Kraus. Door de ingetogen zang van Scanlan zelf ontkom je eigenlijk niet goed aan een vergelijking, maar dat blijft toch lastig. Scanlan maakt muziek die wat stroever, wat stugger en wat broeieriger is dan die van Kraus. Somberder, en donkerder ook. Daardoor is het ook muziek geworden waar je als luisteraar wat meer moeite voor moet doen – deze muziek moet echt veroverd worden.
Maar dan komt het ook, net als bij alle goede muziek – de muziek begint te groeien, dankzij de hechte productie, de fraaie arrangementen, het meer dan uitstekende samenspel, maar ook door de sterke songs van Scanlan zelf. Muziek van honderd jaar oud, muziek van nu. Mooi.


Michael J Sheehey – Ghost On The Motorway – Glitterhouse GRCD 663 

Michael Sheehy is een ouderwetse Sombermans. Zijn, over het algemeen ingetogen, liedjes gaan over ellende, moord, doodslag en andere treurigheid. “A life without trouble is no life at all”, een zin uit één van de liedjes uit Ghost On The Motorway, lijkt wel zijn persoonlijke motto. Naargeestige teksten dus, maar mensen, wat maakt Sheehey daar een prachtige muziek van! Ingetogen, breekbaar bijna, en daardoor aangrijpend mooi, mede door de soms prachtige tweede en derde stemmen (Sandy Mill en Charlie Beddoes) die in veel van de nummers te horen zijn. Sheehey zingt soms een nummer (New Orleans bijvoorbeeld) door een vervormer, maar blijft steeds zeer goed verstaanbaar. De bescheiden begeleiding van gitaar, en soms banjo, accordeon, fiddle, mondharmonica, bas en orgel is niet alleen steeds zeer effectief, maar ook al net zo aangrijpend als de liedjes zelf. Triestigheid klonk nog nooit zo prachtig als hier. Mooi.


Ponoka – Hindsight – Volkoren

Ponoka is een Nederlandse band rond Rick de Gier, die alle liedjes schreef, tekst en muziek. In eerste instantie vond ik het allemaal iets te softpopperig, maar ik moet bekennen dat ik na drie keer luisteren helemaal om ben – het bleek zowaar een groeiplaatje te zijn. Een beetje softpop is het wel degelijk, met soms net iets te zoete samenzang. Maar dat wordt aardig gecompenseerd door de ingenieuze arrangementen. Bovendien is het een redelijk gevarieerd album geworden, met af en toe lekker scheurende gitaarpartijen en in het laatste nummer, Light Years To Kill, een prettig rammelende, maar toch mooi op zijn plaats vallende ritmesectie. Ook de melodieën nestelen zich na een tijdje op een plezierige manier in je hoofd. Geen brutale plaat dus, maar een album dat zich rustig presenteert en dat een beetje meer tijd nodig heeft voor een juiste appreciatie. De inspiratie wordt voor een deel uit de psychedelische sixties gehaald, met ondermeer achterstevoren afgespeelde bandjes en tinkelende belletjes. Toch is dat nergens hinderlijk, het geeft het album wel een plezierige sfeer, moet ik zeggen. Luister ook eens naar het fraaie titelnummer, daar zit alles wel zo’n beetje in. Mooi.


Reverend Raven – Big Bee – Land O’Blues LOB 1006 

Reverend Raven is een Amerikaanse bluesman die al een behoorlijk aantal jaren meedraait, en die weet hoe je degelijke ouderwetse blues maakt. Geen echte verrassingen dus. Sterker nog – alle bluescliché’s worden door de eerwaarde in de zelfgepende songs uit de kast gehaald, waardoor het allemaal net iets te plat en te weinig subtiel klinkt allemaal. Daar komt nog bij dat de Reverend geen echt sterke zanger is. Toch is dit zeker geen slecht plaatje, maar dat is eigenlijk uitsluitend te danken aan een van de twee jonge honden in de band – Benny Ricken op mondharmonica. Hij weet lekker ouderwets rauw en ruig te scheuren, waardoor de muziek toch nog net dat ruwe randje krijgt dat de blues toch echt nodig heeft. Dankzij Benny mogen we dit album dan toch een voldoende geven.


Robert Peckman – Stirrin’ Up Bees – Bonedag Records

Robert Peckman zingt soul met een vleug New Orleans, een tipje blues, een kruimel rock en een behoorlijke scheut Rhythm ‘n’ Blues. Zijn muziek doet soms wat denken aan Delbert McClinton, maar ook aan de grote soulzangers en aan de onvolprezen Lee Dorsey, al klinkt Stirrin’ Up Bees iets minder strak en urgent als Dorsey en zijn Meters. Denk niet dat dit een diskwalificatie inhoudt, want Peckman is hier in superieure vorm. Overtuigende schroeiende soulzang, een schitterende funky band, inclusief een vet hammondorgel en een verrukkelijke blazerssectie en bovendien een pak fantastische songs, door Peckman zelf geschreven, maar klinkend alsof het vergeten klassiekers zijn. Het wordt hier allemaal swingend en losjes opgediend allemaal, en het klinkt zo soepel en gemakkelijk dat je bijna vergeet hoe goed en hecht het allemaal in elkaar zit. Peckman heeft een mooie, licht hese, vrij hoge stem en hij wordt op zanggebied regelmatig ondersteund door een paar uitstekende harmony zangers die precies goed ondersteunen en versterken. Een prachtplaat, zonder enig zwak moment, die zelfs verslavend gaat werken na een paar draaibeurten.


Socalled – Ghetto Blaster – bleu electric

Lelijke letters op een lelijk hoesje en het woord ghettoblaster – deze cd zou ik uit vrije wil nooit uit een platenbak hebben gevist, maar omdat ik een groot vertrouwen heb in onze boss heb ik het schijfje van Socalled toch in de speler geschoven. Ik was niet meteen om, maar toen er in het tweede nummer een paar fraaie blazers opdoken was mijn interesse gewekt. En toen kwam nummer drie waarin een mannenstem verkondigt “Frankly, there’s nothing unusual in being a Jewish Cowboy”, waarna een katholiek mannenkoortje devoot “I’m a coooooowboy” begint te kwelen – er valt dan nog een zangeres in, er wordt gerapt, en deze luisteraar is tegen het eind van dit liedje al tweemaal hardop in lachen uitgebarsten. Dat zal me verderop nog een aantal keren gebeuren, en dat is, kan ik u verzekeren, tamelijk zeldzaam. In dit geval viel ik bulderend lachend zelfs bijna van mijn fiets, tot lichte verbijstering van andere weggebruikers. (Elke cd wordt door mij minstens één keer fietsend beluisterd). Behalve dat dit dus een buitengewoon vrolijkmakend plaatje is zit het ook muzikaal zeer sterk in elkaar. Denk aan een kruising tussen Spike Jones en Frank Zappa, gooi daar wat rap en hiphop bij en roer er flink wat jiddische muziek doorheen, dan krijg je een beetje een idee. Socalled bewijst weer eens dat humor en muziek zeer prima kunnen samengaan, al is het goed je te realiseren dat het een huwelijk is dat maar zeer zelden als geslaagd kan worden beschouwd. Een extra aanbeveling dus voor dit heerlijke plaatje.


Storybox – A Fool’s Attempt – Munich Records 

Storybox is een Nederlandse band. Er wordt in het Engels gezongen, en door het gebruik van banjo’s en accordeon doet de muziek op sommige momenten als Americana aan, hoewel het geluid op de een of andere manier onmiskenbaar Hollands is. De band klinkt pretentieus, ambitieus, artsy. Het licht verveelde zingen, de “interessante” bijgeluiden, het klinkt allemaal alsof er demonstratief “zijn wij niet uitermate cool?” geroepen wordt. Het antwoord moet helaas ontkennend klinken: Neen, heren, jullie zijn vooral saai en vervelend. De pretenties worden nergens waargemaakt, al groeit het geluid af en toe (bijvoorbeeld in Not Easy) tot bijna Queen-achtig bombast. Ze zijn, vrees ik, gewoon niet goed genoeg voor wat ze willen. Maar echt verschrikkelijk slecht zijn ze feitelijk niet – we geven ze een krappe voldoende.


Toure Kunda – Live Paris-Ziguinchor – Wacram distributie

Toure Kunda is de Senegalese familieband die de Afrikaanse muziek pas echt op de kaart heeft gezet. Ze begrepen al vroeg dat je voor echt groot succes in het westen moest zijn, en de westerse invloeden zijn dan ook hoorbaar. Toch is het een door-en-door Afrikaanse band en hun klassieke live album uit 1984 werd terecht opnieuw uitgebracht – de muziek is nog net zo opwindend, en klinkt nog net zo sprankelend en fris als een kwart eeuw geleden. Feestmuziek, spannend en mooi, met een fantastische blazerssectie, geweldige gitaristen, schitterende zang en een onstuitbare energie die nog steeds overrompelt. Als je nog geen Afrikaanse rock in huis hebt is dit de plaat om mee te beginnen.


Jeremy Spencer – Precious Little – Bluestown BPCD 5106

IJzersterk countrybluesalbum

Jeremy Spencer was meer dan dertig jaar geleden gitarist bij Fleetwood Mac. Dat feit alleen maakt al nieuwsgierig naar de zeldzame plaat die hij af en toe afscheidt, al is dat een nieuwsgierigheid met een zeker voorbehoud, want Spencer komt niet altijd even sterk uit de hoek. Dat voorbehoud gold dit keer ook omdat hij het album in Noorwegen met Noorse muzikanten opnam, wat voor countryblues niet bepaald vanzelfsprekend lijkt. Verbazingwekkend genoeg heeft Spencer hier een van de beste platen in zijn hele carrière gemaakt. Hij voelde zich blijkbaar zeer op zijn gemak bij de Noorse band, en speelt en zingt zeer ontspannen, en vooral ook zeer geïnspireerd. De eigen nummers zijn zeker zo sterk als de covers van onder meer Elmore James. Het slidespel is voortreffelijk en de band is buitengewoon goed op dreef, met name ook de blazerssectie. Een lekkere plaat.
***½


Classic Labor Songs is een verzamelaar zoals we die van Smithsonian Folkways gewend zijn. Zorgvuldig samengesteld en met uitgebreide achtergrondinformatie gepresenteerd. Toch is de muzikale kwaliteit dit keer wat wisselend, waardoor het vooral voor de historisch geïnteresseerden een interessante compilatie is. (Smithsonian **½)


Flogging Molly – Whiskey On A Sunday – dvd & cd - Side One Dummy SD1287

Energieke Ierse punkrock

Flogging Molly is de onwaarschijnlijkste rockband die je kunt bedenken – de energieke frontman, zanger en liedjesschrijver Dave King is een bebrilde rossige Ier van middelbare leeftijd, die pas laat in Los Angeles zijn draai heeft gevonden. Hij ziet er in zijn krijtstreeppak op het podium blakend van gezondheid uit als je hem vergelijkt met Shane McGowan van de Pogues, en hij lijkt ook een soort van omgekeerde ontwikkeling te hebben doorgemaakt door uit een diep dal te kruipen, en op latere leeftijd een fantastische band van jonge Amerikaanse honden om zich heen te verzamelen waarmee energieke maar ook melancholieke Iers-keltische punkrock gespeeld wordt. Op de ruimbemeten documentaire dvd Whiskey On A Sunday is de ontwikkeling van de band van barband naar festival-act goed te volgen, al bestaat de dvd uit relatief veel gelul en te weinig muziek. De bijgeleverde cd maakt dat een beetje goed met voortreffelijke akoestische en live-opnamen, waarop goed te horen is waarom de band een stevige live-reputatie heeft opgebouwd. Ze kunnen een aanstekelijk ruig feestje bouwen, maar weten de zaal ook stil te krijgen met melancholieke ballads. Voor liefhebbers van de Pogues en de Dropkick Murphys een absolute aanrader.
***½


Paul Brady – Say What You Feel – Compass Records 7.4396.2 

Ierse veteraan

Paul Brady live, alleen op toneel met zijn gitaar, dat was jaren geleden een van de  indrukwekkendste optredens van dat jaar. Brady heeft zeer veel zeer sterke liedjes geschreven die hits werden in de uitvoering van anderen. Na dat live-optreden waren alle albums die Brady maakte lichte tegenvallers. De liedjes waren steeds oké, maar Brady’s zang is op plaat niet echt sterk en de arrangementen zijn steeds net iets te gepolijst en gladjes. Dat geldt ook voor Say What You Feel. Een uitstekende plaat voor een artiest die een potentiële hit zoekt, maar in de uitvoering van Brady zelf maken de liedjes helaas te weinig indruk, ondanks de topartiesten als Bonnie Raitt die meedoen.
**½


Peter Ostroushko – Postcards – Red House Records RHR CD 196 

Instrumentaal portret van Amerika 

De ondertitel van Postcards is “Travels With A Great American Radio Show”. Die show is Garrison Keillor’s Prairie Home Companion, die al sinds jaren op rondreis is door Amerika. Ostroushko schreef speciaal voor die show nummers die beschouwd kunnen worden als instrumentale portretten van de steden waarin gespeeld werd. Ostroushko speelt zelf de fiddles en mandoline en heeft een topband om zich heen van akoestische superspelers op gitaar, piano, accordeon, bas en percussie. Ostroushko’s composities worden technisch briljant gespeeld, maar vooral ook met de juiste feeling. Je hoort de prairiewind door de muziek waaien. Bij vlagen adembenemend mooie akoestische folk.
****


Greg Brown – The Evening Call – Red House Records RHR CD 198

Brown’s talking blues 

Greg Brown is een sterke singer/songwriter met donkere kantjes. Hij vertelt zijn verhalen met een warme, donkere stem. Dat vertellen moet je vrij letterlijk nemen, want het grootste deel van zijn nieuwe cd The Evening Call is puur parlando, oftewel talking blues. Maar die stem van hem zorgt ervoor dat je bij de les blijft en dat het nergens saai wordt. De begeleidingsband is ingetogen maar zeer effectief, met medeproducer Bo Ramsey op elektrische gitaar en Ricky Peterson die voor de juiste flarden piano en B3 zorgt. De sfeer doet wat aan JJ Cale denken – dus laid back, alsof je met zijn allen rond het kampvuur intiem liedjes zit te spelen en weemoedige verhalen zit te vertellen. Brown lijkt met elk album beter te worden – verfijnder, relaxter en soulvoller. Een intiem meesterwerkje.
****

Los Lobos – The Town And The City – Hollywood Records 094637-08392-5

Rootstopper

Roots, blues, rock en zuidamerikaanse ritmes worden ook op The Town And The City weer voorbeeldig gemixt op een lekker jazzy manier. Los Lobos maakte een plaat die met hun sterkste albums kan concurreren, al is de algehele sfeer iets meer laidback dan we gewend zijn. Het is weer een ouderwets groeiplaatje geworden zonder enige zwakke plek, met een sterk zingende David Hidalgo en een band die hechter en uitgebalanceerder klinkt dan ooit.
Het is een licht thematische, geëngageerde plaat geworden over Mexicaanse immigranten in de VS. Toch klinkt de plaat niet bitter of somber, maar barst hij juist bijna uit zijn voegen van energie en levenslust, terwijl ook de melancholie overal doorklinkt. Op een onnadrukkelijke manier laten Los Lobos horen dat ze nog steeds een meesterwerk kunnen neerzetten. Een absolute aanrader.
****


Chip Taylor – Unglorious Hallelujah & Red Red Rose & Other Songs Of Love, Pain And Destruction – Train Wreck / Rounder TWO23 

Dubbelaar van fenomenale singer/songwriter 

Chip Taylor was in de jaren zestig leverancier van de ene monsterhit na de andere. Wild Thing was daarvan waarschijnlijk de grootste. Daarna verdween hij van het toneel en verdiende hij vele jaren de kost als gokker, maar het afgelopen decennium dook hij weer op als excellent singer/songwriter, de laatste jaren samen met Carrie Rodriguez, die binnenkort haar eerste soloplaat uitbrengt. Tijd voor Taylor om ook weer eens wat sololiedjes bij elkaar te harken. Het zijn er inmiddels weer genoeg om twee cd’s mee te vullen. Het is als altijd bij Taylor weer een aaneenschakeling van intieme pareltjes geworden, mooi uitgevoerd, indringend gezongen. En zo wordt er wederom een schitterend hoofdstuk aan een magnifiek oeuvre toegevoegd.
****


Black Snake Moan – soundtrack – New West NWA3021 

Oerblues 

Als de film net zo goed is als de soundtrack doet vermoeden zou het wel eens kunnen dat de blues van de film Black Snake Moan net zo’n duwtje krijgt als bluegrass na de film O Brother How Art Thou een paar jaar terug. Acteur Samuel L Jackson zingt zelf ook een paar van de bluesjes, waaronder de titelsong, en hij doet dat goed. Verder The Black Keys die het oerbluesgevoel goed weten te pakken, Jessie Mae Hemphill, Precious Bryant en de North Mississippi Allstars, allemaal in topvorm. Oude blues, oerblues, maar zeker geen stoffige blues, integendeel. The blues is alive and kicking, dames en heren.
***


The Ainsley Dunbar Retaliation – Idem & Doctor Dunbar’s Prescription – SPV 97892 2cd (***)
The Ainsley Dunbar Retaliation - To Mum From Ainsley And The Boys & Remains To Be Heard SPV 97912 2cd (****) 

Vergeten bluesrockmeesterwerkjes 

Alexis Corner en John Mayall waren in de jaren zestig de broeinesten voor de beste Britse bluesrock, van Eric Clapton tot Fleetwood Mac en Ainsley Dunbar. Dunbar heeft met zijn Ainsley Dunbar Retaliation nooit de wereldfaam gekregen die hij verdiende, maar nu zijn gelukkig de vier platen die de Retaliation uitbracht op cd verschenen, en kunnen we constateren dat de band met wellicht een wat beter management toch echt wereldberoemd had horen te zijn. Nu is het gebleven bij een welverdiende reputatie onder muzikanten. Dunbar zelf werd na die vier platen drummer bij Frank Zappa, en de rest van het gezelschap verdween in de luwte. Jammer, want met name de tweede, de derde en een deel van de vierde plaat zijn van absolute topklasse. Eigenlijk vanaf het moment dat Dunbar de jazzier kant opging en organist Tommy Eyre inlijfde was de band ijzersterk, met de strakke, puntige en scherpe gitarist John Morshead en de sterke soulvolle zanger Victor Brox, die ook het grootste deel van de nummers schreef. Bassist Alex Dmochovsky vormde met Dunbar samen een ritmesectie die Fleetwood en McVie deed verbleken. Grote successen in Amerika werden dankzij een slordige manager die niet verder kon denken dan Engeland verwaarloosd, en toen het succes uitbleef na het topalbum To Mum From Ainsley And The Boys gaf Dunbar het op en ging met Zappa, die al lang aan hem zat te trekken, in zee. De laatste plaat bevat de restjes en begint met een paar van de sterkste nummers die de Rataliation opnamen, aangevuld met, helaas, restjes. Toch is de tweede dubbel-cd het sterkste, omdat driekwart van het materiaal nog steeds staat als een huis. “To Mum” kunnen we zelfs beschouwen als een van de vergeten meesterwerken van de sixties.


Claire Goldfarb – Or Propos – www.homerecords.be  4446018 

Cello-improvisaties 

Het Belgische folklabel Home.be verrast steeds weer met opzienbarende randfolkverschijnselen. De folk in België is mede dankzij dit label springlevend. Op papier klinkt het niet altijd aantrekkelijk, zoals bij Claire Goldfarb, die op haar cello improviseert en daar ook nog af en toe bij zingt. Dat klinkt nogal vaag, en het komt bij dit soort projecten dan ook puur aan op kwaliteit, en die zit hier volop. Of we het jazz moeten noemen, experimentele folk of avantgarde doet er niet zoveel toe. De muziek heeft overal een melodieuze kwaliteit, de spanningsboog blijft gespannen, en je denkt nergens dat één cello misschien wat beperkt is. Integendeel, daarvoor is de muziek te avontuurlijk en tegelijk melancholiek en, we durven het bijna niet te zeggen, bloed- en bloedmooi.
(***½).


Nick Rossi Set – On The Outset – Hammond Beat HBL006 ***
The Link Quartet – Evolution – Hammond Beat HBR006 ****
Men From S.P.E.C.T.R.E – The Living Eye – Hammond Beat HBR007 ****
Phat Fred – Don’t Spoil The Soup! – Hammond Beat HBR008 **** 

Funky Hammond jazzrock 

De verrassendste juweeltjes uit de archieven kwamen dit keer van het label Hammond Beat dat vier funky cd’s uitbracht van redelijk obscure jazzrockgroepen. De hoesjes zijn nogal suf, maar de muziek is dat zeker niet. Mocht het Hammondorgel nog ergens een stoffig imago hebben dan wordt dat hier in één keer weggeblazen met rauwe jukebox-Rhythm ‘n’ Blues. Phat Fred lijkt wel een geslaagde reïncarnatie van de legendarische New Orleansfunkgroep The Meters, inclusief de onwaarschijnlijk goede drummer. Het Italiaanse Link Quartet lijkt wel de missing link tussen de elegante avontuurlijkheid van Weather Report en het pittige experimentalisme van Medeski Martin & Wood, maar is rauwer dan deze beide bands. Men From SPECTRE combineert ruige Rhythm ‘n’ Blues met sixties psychedelica met een soort funky Science Fiction-jazzrock als gevolg. De Nick Rossi Set tenslotte maakt gewoon lekkere stevige funky jazzrock, ook weer met het Hammond-orgel als stevige basis. Opwindende muziek, een herontdekking meer dan waard.
 


Classic Mania  

Klassiek ontmoet pop 

Voor sommige albums kun je niet bij een van de bestaande categorieën terecht. Daarom deze vrolijkmakende verzameling muziek die tussen klassiek en pop en jazz balanceert op deze plek. Klassieke muziek die soms tot in het hilarische verkracht wordt (“Yodelling Mozart”), pop die nog klassieker dan klassiek gezongen wordt (een bijna onherkenbaar “Hey Jude” als aria) jazzbewerkingen van Mozartmelodieën, de Franse chansonnier Boris Vian die zich ook al aan Mozart vergrijpt - alles bij elkaar een verzameling kwalitatief hoogwaardige curiositeiten waar je buitengewoon opgewekt van raakt. Niet voor puristen of echt serieuze muziekliefhebbers.
***½


Pete Townshend – Psychoderelict – SPV 97732 2cd  **½
Pete Townshend – Scoop 3 – SPV 97742 2cd **½
Pete Townshend – The Iron Man – SPV 97722 cd *** 

Solorocker 

Tja, Pete Townshend… Sinds hij erkenning kreeg voor de ambitieuze rockopera Tommy is hij zich steeds meer gaan richten op pretentieuze projecten, maar na de Who is het nooit meer echt goed gekomen met Townshend. Dat wil zeggen – als je al zijn projecten op hun merites wil beoordelen zitten er te veel zwakke plekken in. Van de drie heruitgaven van soloprojecten van de TopWho die zojuist verschenen, samen vijf ruimbemeten cd’s, zou één fantastisch album te destilleren zijn als Townshend zou accepteren dat hij af en toe fantastische liedjes schrijft, maar dat die niet noodgedwongen in het stramien van een project dienen te worden gegoten. Deze voorbeeldig uitgebrachte albums zijn vooral interessant voor de echte fan, of voor de muziekfanaat die genoegen neemt met de paar juweeltjes die hier toch wel degelijk te vinden zijn.


Dion – Bronx In Blue – SPV 

Na de primaire platen die Dylan en Cash de afgelopen jaren maakten krijgen meer oudgedienden de geest, met meer en minder geslaagde resultaten. Bij Dion (DeMucci) pakt het verbazend goed uit, want krachtiger dan hier heeft Dion maar zelden geklonken. Rockende blues, met alleen Dion op gitaren en Bob Guertin sporadisch op drums en percussie. Dat blijkt genoeg. Dion gaat niet zo diep als Cash op zijn laatste platen, maar hij speelt hier toch indrukwekkend intensief. Hij blijkt een verbazend goede gitarist te zijn. En die stem blijkt je nog net zo hard te kunnen raken als vroeger. Mooi.
***½


De Groninger Celtic Band Rapalje geeft schijnbaar een visueel spectaculaire live show, maar op hun live album Celtic Fire blijft daarvan alleen de dikhouten variant op de Dubliners over. Ze willen Ierser dan de Ieren klinken, maar het klinkt vooral erg plat, met als dieptepunt een zeer matige versie van Whisky In The Jar. (Rapalje **)


Wannes Van de Velde – In De Maat Van De Seizoenen – Granota

Het is een schande dat het werk van Wannes Van de Velde, de oervader van de Vlaamse folk, niet integraal verkrijgbaar is, maar als we het met zijn laatste moeten doen hoeven we niet ontevreden te zijn. De stugge grootmeester is hier in absolute topvorm, waarbij hij zelfs een uitgesproken aangrijpend nummer zingt waarin hij vertelt dat hij drie jaar niet heeft kunnen zingen (het prachtige Hier Is Em Terug). Prachtige teksten, mooie melodieën, een geïnspireerde band en als altijd een zeer overtuigende Van de Velde. Nog een uitschieter is het fraaie Boontje, een ode aan Louis Paul Boon, en Oorlogsgeleerden, dat hier als een echte Van de Velde klinkt, terwijl het feitelijk een vertaalde Dylan is. Vlaamse folk op zijn aller- allerbest.
****


Jackie Leven – Oh What A Blow That Phantom Dealt Me! – Cooking Vinyl 

Lyrische singer-songwriter 

Jackie Leven maakt al jaren het ene meesterwerkje na het andere zonder dat het zichtbaar indruk maakt op een groot publiek. Dat is een beetje vreemd, want Leven maakt prachtige lyrische liedjes over ellende en verdriet, zingt ze met zijn warme, diepe soulvolle stem hartverscheurend mooi en zorgt bovendien voor magnifieke arrangementen, waarin hij folk combineert met jazz, blues, rock en soul. Dat kan geen muziekliefhebber koud laten, zou je denken. Iedereen die Leven ontdekt zit dan ook verlangend uit te kijken naar elke volgende plaat van de man en raakt nooit teleurgesteld, want steeds komt er een nieuw geïnspireerd album van een uur, waarbij je het gevoel hebt dat de creatieve stroom nog steeds even heftig vloeit. Ook zijn laatste is weer van een hoog poëtisch gehalte, en ook hier heeft hij een paar vrienden uitgenodigd die de melancholieke sfeer perfect aanvoelen. Johnny Dowd zorgt voor de perfecte tweede stem, ook als hij alleen maar een gedicht voorleest. De Romantiek leeft in Leven, en als luisteraar word je opnieuw meegesleept en ontroerd. Prachtig, prachtig.
****½


Between – Contemplation – Intuition ****
Between – Silence Beyond Time – Intuition *** 

Duitse fusie van avant-garde, rock, jazz en klassiek, met oosterse invloeden 

Between was een multiculturele groep die vanuit Duitsland opereerde, onder aanvoering van componist Peter Michael Hamel, die musici uit de jazz, de klassieke muziek, maar ook de wereldmuziek om zich heen verzamelde. De laatste twee platen van de band zijn onlangs heruitgebracht, en ze zijn nog steeds mooi - uitgebalanceerde, voor een deel geïmproviseerde muziek die nergens is onder te brengen. Soms op het randje van New Age, maar steeds met net voldoende spanning om de luisteraar alert te houden. Oosterse ritmes, klassiek geschoolde fluitisten die jazzy spelen, aangename muziek die de tand des tijds uitstekend heeft doorstaan. Bij de laatste plaat die ze maakten was de inspiratie er nog maar net; hij kabbelt soms net iets te oeverloos door. Maar Contemplation blijft een fraaie aanrader.


Thomas Belhom – Cheval Oblique – Apparent Extent (****)
Kieran Hebden and Steve Reid – Tongues – Domino (***)
Hauschka – Room To Expand – Fatcat (****) 

Minimal jazz 

Het lijkt wel of de minimal music, de serieuze avant-gardistische muziekstroming van ondermeer Steve Reich, via een omweg weer helemaal terug is. Die omweg is de jazz. De Franse drummer/percussionist Thomas Belhom componeerde stukken waarbij melodieën slechts sporadisch langswaaien, maar die drijven op schuivende ritmes, zonder dat je ergens het gevoel krijgt dat je een hele lange uitgesponnen drumsolo voor je neus krijgt. Daar is de muziek te gevarieerd en vooral ook te spannend voor.
Electronicatovenaar Kieran Hebden maakte met meesterdrummer Steve Reid een album dat perfect aansluit bij de minimal-traditie, al is het bij hun allemaal wat uitbundiger en barokker, alsof iemand een Mondriaan met allemaal krulletjes en kriebels heeft opgesierd.
Hauschka (Volker Bertelsmann) werkt met geprepareerde piano’s. Hij zit nog het meest in de hoek van de serieuze avantgarde, hoewel de verdere bezetting behoorlijk jazzy klinkt. Het is mooi om te horen hoe de kale, uitgeklede muziek van de oorspronkelijke minimal music - coryfeeën hier weer voorzichtig een beetje aangekleed wordt. Dat levert in deze drie gevallen mooie, avontuurlijke, spannende muziek op die niet snel verveelt.


The Hollies – The Dutch Collection – EMI 

Van The Hollies kwam een aardige verzamelaar uit, niet veel slechter of beter dan andere verzamelaars die je in de goedkope bakken kunt vinden. The Dutch Collection heeft één fors pluspunt, waardoor Holliesfans kwijlend naar de winkel stappen – er is een dvd toegevoegd met maar liefst dertig videoclips uit dertig jaar Hollies, variërend van melige zestiger jarenfilmpjes tot en met prima live opnames. Van deze band was niet zoveel beeldmateriaal voorhanden, en hier wordt een fraai tijdsbeeld gegeven aan de hand van een muzikale reis door drie decennia. Een zeer leuk stukje pophistorie, dat voor de verandering echt iets toevoegt.
***½


Soft Machine – Third (****), Fourth (****), Fifth (*****), Six (****), Seven (****) – Sony BMG

Tussen rock, jazz en minimal music 

Soft Machine begon als de psychedelische Britse variant op De Mothers of Invention, met intelligente, absurdistische rock. Op hun eerste twee albums vinden we korte nummers met zang van Kevin Ayers en de later tot cultfiguur uitgegroeide Robert Wyatt. De groep vond zijn vorm pas echt op het derde (dubbele) album, hun eerste voor CBS. De nummers besloegen hier een complete langspeelplaatkant, en er wordt alleen op Moon In June, dat eigenlijk een soloprestatie van Wyatt is, gezongen. Vanaf dit moment is Soft Machine een instrumentale band die serieus op avontuur gaat in het tot dan toe onontgonnen gebied ergens tussen jazz, rock en minimal music. De vijf albums die ze voor CBS maakten zijn stuk voor stuk, zeker ook bij herbeluistering, meesterwerkjes, met als hoogtepunt het verstilde vijfde album. Het publiek had er soms wat moeite mee, want voor liefhebbers van minimal music gebeurde er te veel, voor rockliefhebbers was het te jazzy en voor jazzfans was het niet genoeg jazz. Toch kunnen we achteraf constateren dat Soft Machine zijn tijd ver vooruit was. Een band als Medeski Martin & Wood, die een tijd geleden jazzrock weer zeer nadrukkelijk op de kaart knalde, hebben hier duidelijk de mosterd vandaan. Let maar eens op wat Mike Ratledge voor bijzondere geluiden uit zijn orgels weet te toveren, en luister dan nog eens naar Medeski. Soft Machine was iets minder gelikt en iets minder melodieus dan hun Amerikaanse collega’s van Weather Report, hoewel hun aanpak erg verwant was. Soft Machine zoekt het iets meer in riffs, in spelen met ingewikkelde ritmes, in gelaagdheid. En ze klinken vaak iets rauwer dan hun Amerikaanse collega’s, hoewel ze ook buitengewoon subtiel uit de hoek kunnen komen. Maar hun kracht ligt vooral in het feit dat ze telkens weer een fraaie spanningsboog weten te creëren, ook in hun minimal music-achtige stukken. Luister maar eens naar het prachtige Drop op hun vijfde album, dat begint met een paar vallende waterdruppels en dat uitmondt in een free jazzachtige improvisatie. De vijf topalbums van deze Britse supergroep werden door Sony BMG heruitgebracht. Alleen bij het derde album wordt een fantastisch BBC-liveconcert toegevoegd, de andere albums hebben nauwelijks extra’s, op één fraaie bonustrack op 5 na. Maar feitelijk maakt dat niets uit – het is een puur genot de band te volgen op hun muzikale avontuur, dat in een periode van krap drie jaar vijf absolute topalbums opleverde, waarvan twee dubbel-lp’s.


David Bromberg – Try Me One More Time – Appleseed 

Basale singer/songwriter op zijn best 

Op de eerste plaat van Bromberg uit 1971 prijkt een fraaie zwartwittekening – op zijn laatste staat net zo’n tekening van de oude Bromberg. De impact van de liedjes (Bromberg wist op zijn eerste plaat al echte kippevelliedjes te maken – luister naar Sammy’s Song) is, net als die tekeningen, nog net zo sterk. Melancholieke blues, prachtig fingerpicking gitaarwerk, en een zanger die ook nu weer onder de huid weet te kruipen. Van een Dylansong maakt hij een eigen versie die nog het meest aan Jimmy Rodgers doet denken, terwijl hij daarbij de kern van het nummer weet te raken, hij zingt aangrijpende acapellanummers, wisselt af met wondermooie instrumentals en hij laat je ontroerd achter met het gevoel dat je aangeraakt bent door een hele grote.
****


terug naar de startpagina van moors magazine