Met de roman In dit land wil niemand wonen heeft Peter Lenssen een boek geschreven dat op een onrustbarende manier onder de huid kruipt. Het is een boek dat geschreven lijkt met het motto van Louis Paul Boon in het achterhoofd: “schop de mensen een geweten”.

Het boek vertelt het verhaal van een journalist die een boek wil schrijven over asielzoekers, en die onderweg betrokken raakt bij een aantal van die asielzoekers – een vrouw uit Somalië, een man uit Iran, een gezin uit Bosnië. De ik-figuur raakt zelfs verliefd op de vluchtelinge uit Somalië. De verhalen van die mensen worden zo indringend verteld dat je als lezer net zo betrokken raakt als de verteller. Je realiseert je dat je de laatste jaren lamgeslagen bent geraakt door al het politieke geblaat over allochtonen en asielzoekers en dat je enigszins vergeten bleek te zijn waarom die mensen hun land eigenlijk ontvlucht waren. In dit boek is ruimte voor die verhalen en achtergronden, en het is geen boek voor mensen met een zwak gestel. Het is een boek dat je keel regelmatig dichtknijpt, en het is ook een boek waar je niet veel optimistischer van wordt. Maar het is tegelijk ook een hartstochtelijk pleidooi voor een menselijker asielbeleid, een pleidooi om onze grenzen open te zetten in plaats van ze af te grendelen, een pleidooi voor rechtvaardigheid.

Een geëngageerd boek dus, maar tegelijk ook een literaire roman. Het is vooral een confronterend boek geworden, een aanklacht waar je als lezer niet koud onder kunt blijven. Er lopen nog meer verhaallijnen door het boek heen, waarin het gaat over drie broers, over liefde, vriendschap en vertrouwen, maar het verhaal over Faduma, de vrouw die uit Somalië vluchtte omdat haar leven daar gevaar liep, is het indrukwekkendst.