De toekomst
Mijn zusje had twee vriendinnen. De een had een oogje op mijn broer en de ander had een oogje op mij. Degene die een oogje op mij had, had de pech dat ik haar moeder kende. Ze droeg vaak een tricot jurkje waarin haar buik een beetje opbolde. Dat vond ik wel mooi, een zacht bol buikje. Maar als ik aan haar moeder dacht, dan zag ik de toekomst van dat buikje voor me en verdween alle potentiële lust als sneeuw voor de zon. Ze was ook nog eens twee jaar jonger dan ik en ik zag mij, als vijftienjarige, echt geen verkering hebben met zo’n jong wicht.

Eerste verliefdheid
Het eerste meisje waar ik ooit verliefd op werd had ook zo’n zacht bol buikje. We waren allebei tien jaar oud. Zij woonde in het huis naast ons. Ik geloof dat ik vooral op haar ogen viel. Helderblauw met lange wimpers. Ik denk niet dat mijn verliefdheid erg seksueel geladen was. Ze maakte me zacht van binnen en dat was het dan. Fladderende vlindertjes. Haar vader had haar wel seksueel aantrekkelijk gevonden en had daar anderhalf jaar gevangenisstraf voor gehad. Daarna was hij weer gewoon thuis komen wonen.

Slachtoffers
Als jong volwassene hoorde ik op een gegeven moment beweren dat één op de drie vrouwen in haar leven last zou hebben gehad van seksuele intimidatie. In eerste instantie dacht ik dat dat zwaar overdreven moest zijn. Over wie zou het dan moeten gaan? En toen dacht ik terug aan mijn buurmeisje. Het eerste meisje waar ik verliefd op was geweest was zo’n slachtoffer.

Topje van de ijsberg
Ook mijn zus was, op de lagere school, door de broeder die haar onderwijzer was betast. Van een tante wist ik dat ze in haar jonge jaren door een commies in het veld was verkracht. De vrouwen die zoiets was overkomen liepen er niet mee te koop. Dat betekende dat de drie vrouwen uit mijn eigen omgeving waarvan ik wist wat hen overkomen was, waarschijnlijk het topje van de ijsberg vormden.

Het grote zwijgen
Hoeveel vrouwen die ik kende hadden wel degelijk te maken gehad met seksuele intimidatie, maar zwegen daar over? Ik dacht aan een jonge vrouw die, in de kroeg waar ik vaak vertoefde, door een oudere man in het kruis werd gegrepen en daar giechelend op gereageerd had. Niemand had die man tot de orde geroepen. Haar reactie leek daar ook niet om te vragen, maar was toch duidelijk ongemakkelijk. Zou ze dat thuis hebben verteld? Waarschijnlijk niet, want dan zou ze wellicht niet meer naar die kroeg hebben gemogen.

Misbruik
Een andere bezoekster van die kroeg was, op veertienjarige leeftijd, de maîtresse van één van de barmannen, een vent van vijfentwintig. Iedereen wist dat. Iedereen wist ook dat hij haar alleen maar voor zijn eigen lust gebruikte. Was dat geen misbruik dan? Hoe langer ik er over nadacht, hoe plausibeler de claim dat één op de drie vrouwen ooit last zouden hebben gehad van seksuele intimidatie. Het zou best kunnen dat dat zelfs een onderschatting was.

Verlangen naar intimiteit
Ik wist op tienjarige leeftijd dat mijn buurmeisje door haar vader was misbruikt. Ik wist ook dat dat niet normaal was, hij had er per slot van rekening voor in de gevangenis gezeten, maar het drong niet echt tot me door wat dat betekende. Mijn verliefdheid was niet seksueel geladen. Ik werd verliefd op haar zachte uitstraling. Daar werd ik zelf week van en dat voelde goed. Het was een verlangen naar lichamelijke intimiteit, niet naar seks. Het bleef trouwens bij een verlangen. Ik kan me niet herinneren dat ik haar ooit heb aangeraakt. Dat durfde ik niet.

Hand in hand
Twee jaar later waren we verhuisd en werd ik voor de tweede keer in mijn leven verliefd. Ook dit meisje had een vollemaansgezichtje, net zoals mijn voormalige buurmeisje, maar ze had geen blonde maar donkere haren. Volgens mijn moeder liepen we samen hand in hand totdat ik zag dat mijn moeder dat zag waarop ik snel mijn hand terugtrok. Ik kan mij die vergaande intimiteit niet herinneren. In mijn herinnering heb ik haar nooit aangeraakt. Ik kan me niet voorstellen dat ik dat zou hebben gedurfd.

Aanraking
Ik was ongeveer veertien toen ik voor de derde keer verliefd werd. Ik heb haar één keer bij haar middel gegrepen waarna zij lachend wegliep. Ik wist niet of ze lachte omdat ze mijn aanraking plezierig vond of omdat ze niet goed wist wat ze er mee aan moest. Ik durfde dat niet te vragen en ik durfde haar zeker niet nog eens vast te grijpen.

Anders
Meisjes, het was toch een volk apart. Ze zaten op een andere school. Ze waren van een andere soort. Ze trokken me aan. Maar ik had nooit geleerd om op een normale manier met ze om te gaan. Ik had het gevoel dat meisjes mij maar raar vonden, niet onaardig, maar ook niet iemand om op te vallen. Niet dat ik niet opviel. Maar misschien was dat juist het probleem. Ik was anders dan andere jongens. Absoluut niet stoer.

Igna
Ik was vijftien toen ik Igna tegenkwam. Igna en haar vriendin waren met zijn tweeën op vakantie in Valkenburg en maakten een uitstapje naar Maastricht waar ze de sociëteit bezochten waar ik op dat moment op woensdag de theetuin beheerde. Ze vroegen of er de dag daarna iets te doen was in Maastricht en ik nodigde hen uit om, samen met een aantal vrienden, bij mij thuis langs te komen om te chillen. Dat deden ze.

Briefcontact
Op onze zolder hadden we ons eigen honk gemaakt en daar kwamen we met een groepje bij elkaar. Voordat ze weer terug gingen naar Voorhout, waar ze vandaan kwamen, vroeg ik hun adres om per brief in contact te blijven. Met Igna volgde daarna een correspondentie die een aantal jaren stand zou houden. Ik was al een beetje verliefd op haar geworden toen ik haar in Maastricht was tegengekomen, maar door onze brieven werd dat nog sterker. Dat bleek niet wederzijds, hoewel ze onze vriendschap per brief wel degelijk belangrijk vond.

Sporadische momenten
We schreven regelmatig, maar hebben elkaar na Maastricht maar twee keer gezien. Ik ben één keer bij haar langs gegaan toen ze al op kamers woonde in den Haag en bleef toen bij haar vriend slapen. Ik trouwde toen ik negentien was en nodigde haar voor dat huwelijk uit. Dat was de tweede keer dat we in elkaars gezelschap waren. Na mijn huwelijk werd de correspondentie snel minder en verloren we alle contact. Toch zit ze, tot op de dag van vandaag, nog steeds in mijn hart.

Vriendschap
Op de een of andere manier had ik er nooit problemen mee om vriendschap met vrouwen te sluiten. Dat vond ik gemakkelijker dan vriendschappen met mannen. Mannen waren hooguit kameraden. Dat voelde anders dan vriendschappen. Minder intiem. Met vrouwen kon ik makkelijker praten. Ze deelden zichzelf op een andere manier dan mannen dat deden. Vrouwen beschouwden mij al snel als een vriendin. Weliswaar een vriendin van het mannelijk geslacht, maar desalniettemin een vriendin.

Een echte man
Als ik verliefd werd op een vrouw waarmee ik intieme gesprekken had gevoerd, was dat nooit wederzijds. Voor vrouwen die lesbisch waren was ik niet vrouwelijk genoeg en voor vrouwen die hetero waren was ik niet mannelijk genoeg. Met echte mannen heb je blijkbaar geen intieme gesprekken. Dus als je met een man intieme gesprekken hebt, dan kan dat geen echte man zijn.

Verkering
Pas toen ik achttien was kreeg ik voor het eerst verkering. Het initiatief voor die verkering kwam niet van mij. Ik zou het niet gedurfd hebben. Ik werkte al een half jaar als leerling-verpleegkundige in een psychiatrische inrichting toen ik haar tegenkwam. Bea heette ze. Ze was net als leerling-verpleegkundige begonnen. De zon scheen. We hadden allebei les gehad en lagen in de pauze naast elkaar op het gras. Ze draaide zich naar me toe en gaf me een zoen. Vanaf dat moment hadden we verkering.

Uit
Na een maand maakte ze het uit. Ik voldeed toch niet helemaal aan het beeld dat ze in eerste instantie van me gehad had. We waren samen op een feest in de verpleegstersflat toen ze me vertelde dat het wat haar betreft uit was. Ik had dat niet zien aankomen. Op het moment dat ze het vertelde had ik al aardig wat gedronken. Daardoor kwam het verdriet ongecensureerd naar buiten. Ik huilde letterlijk tranen met tuiten. Met lange uithalen gierde ik het uit van verdriet. Verschillende mensen deden hun best mij te troosten. Dat verzachtte de pijn een beetje.

Thuis
Dat weekend ging ik naar huis. Ik vertelde mijn vader en moeder wat er was gebeurd en werd ook door hen getroost op de typische manier waarop ouders dat doen, met de beste bedoelingen, maar niet helemaal adequaat. Ik trok me terug op de slaapkamer die ik vroeger deelde met mijn broer en ging er op bed liggen. Even later kwam mijn broer thuis met een vriend en vriendin en stapte nietsvermoedend de kamer binnen. ‘O, ik dacht me hier even terug te kunnen trekken met mijn vrienden’, zei hij. ‘Is goed’, zei ik, ‘ik trek me wel even in de kamer hiernaast terug’. En ik stapte op.

Een aardige vent
Na een uurtje meldde mijn broer dat zijn kamer weer vrij was. ‘O ja’, zei hij, ‘Ria vertelde dat ze jou een aardige vent vindt omdat je meteen plaats voor ons maakte. Tis maar dat je het weet.’ Ineens vond ik het zo erg niet meer dat het uit was tussen mij en mijn eerste verkering. Alsof ik me realiseerde dat de wereld daar helemaal niet door verging. Dat er wel degelijk vrouwen waren die me wel konden waarderen. Dat ik daar Bea helemaal niet voor nodig had.

Een tweede kans
Diezelfde avond belde Bea me op om te vragen of ze snel een keer langs kon komen omdat ze met me wilde praten. ‘Natuurlijk’, zei ik en we spraken af om elkaar een paar dagen later te zien. ‘Kom maar bij mij langs’, zei ik. Dat deed ze. Ze bleek zich bedacht te hebben. ‘Eigenlijk wil ik het nog een keer proberen’, zei ze. ‘Ik niet’, zei ik. Ze keek me verbijsterd aan. Ze had gedacht dat ik blij zou zijn met een tweede kans, ook omdat ze wist hoe ontdaan ik was geweest toen ze het uit had gemaakt.

Geen denken aan
‘Waarom niet?’, vroeg ze, en er klonk irritatie in haar stem. ‘Je kunt me toch wel een tweede kans geven’. ‘Nee’, zei ik. ‘Waarom niet?’. ‘Jij hebt het uitgemaakt, dus ik hoef niet uit te leggen waarom ik je geen tweede kans geef’, zei ik. Haar gezicht betrok. Dit was niet zoals zij het zich voorgesteld had. Ik zag haar neusgaten groter worden en haar ogen donkerder. Er kwam een lelijke frons op haar gezicht. ‘Nou, ik vind dat je me best een tweede kans zou mogen geven’, zei ze geagiteerd. Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee’, zei ik, ‘geen denken aan.’

Ik heb nooit meer zo’n diep liefdesverdriet gevoeld. Nooit meer het hopeloze gevoel dat de wereld vergaat omdat iemand het met je uitmaakt.

Zo diep heb ik me nooit meer door een afwijzing laten raken.

Ik kijk wel uit.