Ik hoef niks meer. Anna zegt: ‘Je kan niks meer’, maar dat vind ik zo negatief klinken. Het is ook niet waar. Ik adem nog. Mijn hart rikketikt nog. Het bloed stroomt nog steeds door mijn aderen. Ik droom nog. Ik denk nog, Ik voel de kilte in de kamer als ik word verschoond nog, net zoals de aanrakingen op mijn huid.  Met andere woorden: ik leef nog. Ik weet niet waarom, maar ik hou van het leven, ook al worden de beperkingen die de ouderdom mij oplegt steeds groter. Ik beschouw het leven als een wonder, een wonder dat er zoiets als bestaan is. En hoe langer ik deel mag uitmaken van dat wonder, hoe liever het mij is.

Anna ziet alles als een taak, als een corvee. ‘Voor mij hoeft het niet meer’, hoor ik haar steeds vaker zeggen. Vreemd, want Anna kan nog van alles. Ze loopt nog, ze poetst nog, ze doet de was nog, ze doet nog boodschappen, ze zet nog koffie en thee en smeert nog boterhammen. Allemaal dingen die ik niet meer kan. Maar ze doet alles met tegenzin. En als ik dan voorstel om iemand in te huren om het voor haar te doen, wordt ze boos.

“Ik ga geen vreemde inhuren om het huishouden te doen. Die doet het toch nooit zoals ik het wil en dan moet ik alles na gaan lopen om te kijken of het wel goed gebeurt. Dan gebruikt zo iemand het verkeerde doekje om het aanrecht schoon te vegen of het verkeerde emmertje om sop in te maken voor het schoonmaken van het toilet of de douche. Nou dan doe ik het liever zelf’. 

Wat Anna in haar hoofd heeft, heeft ze niet in haar kont zitten, denk ik wel eens. Maar ik pas wel op om dat te zeggen. Anna verdraagt kritiek niet echt goed. Ze wil het liefste dat ik haar zie zoals ze zichzelf ziet, of misschien wel zoals ze door iedereen gezien wil worden. Maar eigenlijk weet ik niet precies hoe Anna zichzelf ziet en kan daardoor ook niet goed inschatten hoe ze wil dat ik haar zie.

Volgens Anna kan alles maar op één manier. De hare. Elke andere manier is fout. Dat vond ik eigenlijk nooit zo’n groot probleem. Niet toen ze nog vasthield aan de manieren waarop ze dingen deed. Daar kon ik me nog wel aan aanpassen. Dat de theepot na gebruik meteen diende te worden afgespoeld, afgewassen en met een speciale theedoek diende te worden gedroogd, kon ik wel volgen, maar op een gegeven moment mocht ik de thee niet meer in de theepot zetten omdat dat, volgens Anna, teveel gedoe was. Dan moest heet water rechtstreeks in de theeglazen worden geschonken en werd daar precies één minuut lang een theezakje in gehangen. Niet 50 seconden, want dan was de thee niet sterk genoeg, maar ook geen minuut en tien seconden, want dan was de thee te sterk.

Toen ik nog mobiel was, dacht ik haar op een gegeven moment een plezier te doen door spontaan een pot thee te zetten. Ze klaagde namelijk altijd dat ik nooit iets spontaan deed, dat ze er altijd om moest vragen. Maar toen ik spontaan een pot thee had gezet werd ze woedend. ‘Je weet toch dat we tegenwoordig de thee gewoon in een theeglas zetten, en nou maak jij die theepot weer vies. Waarom moet jij ook zo nodig op je eigen houtje thee zetten als je het niet op de goede manier doet? Dan doe ik het liever zelf’. Vervolgens besloot ik om haar dan alles maar zelf, op haar eigen manier, te laten doen, maar toen was ze weer boos omdat ik nooit spontaan een taak op me nam en zij alles in haar eentje moest doen.

We zijn bijna zeventig jaar getrouwd, maar ik snap nog steeds niks van die vrouw. Ik heb geen idee hoe ik haar tevreden kan houden. Niet dat ik het niet probeer, maar op de een of andere manier doe ik, zeker de laatste jaren, altijd alles fout. Dat is best wel vervelend, maar ik troost me maar met het idee dat ze het goed bedoelt. Het huis is altijd aan kant. Ze zorgt er altijd voor dat we ons natje en droogje hebben. Dus eigenlijk mag ik niet klagen. Ik had het slechter kunnen treffen. Wat ik wel jammer vind is dat ze niet ziet dat ik heus mijn best wel doe. 

Ik lig nu de hele dag op bed. Als ik op probeer te staan, val ik om. De keren dat ik op probeerde te staan, kreeg ik de wind van voren. ‘Je weet toch dat je niet meer stevig op je benen staat. Waarom moet je dan zo nodig toch proberen naar het toilet te lopen? Je hebt toch niet voor niets een luier om?’. Dat ik die luier vervelend vind, wil er bij haar niet in. ‘Tja, dat moet nou eenmaal, dat hoort erbij als je bedlegerig bent’. Ja dat is zo, maar vervelend is het wel, zeker omdat ik maar twee keer per dag word verschoond. Dan lig ik een hele tijd in mijn eigen uitwerpselen en dat voelt niet prettig.

Maar als ik dat tegen Anna zeg, antwoordt zij dat het voor haar ook niet leuk is om meerdere malen per dag vreemden over de vloer te hebben omdat ik hulp nodig heb. Ze heeft niet graag mensen over de vloer. Zelfs niet als die hulpverleners bereid zijn om papieren sokjes over hun schoenen te doen omdat anders haar vloer te vies wordt waardoor ze na ieder bezoek de vloer zou moeten dweilen. ‘Dat kan ik niet meer op mijn leeftijd’, zegt ze. ‘Maar dat hoeft toch ook niet elke keer’, heb ik één keer menen te moeten opmerken. Ze keek me woedend aan, draaide zich om en heeft twee weken niets tegen me gezegd. 

Soms hoor ik Anna ruzie maken met onze jongste. Dat doet me echt pijn. Nora heeft er voor gezorgd dat we hulp kregen toen het nodig was. Ze komt minstens drie keer per week om te kijken wat ze voor ons kan doen en om te checken of er nog iets geregeld moet worden. ‘Gaat het nog pa?’, vraagt ze dan. ‘Ja hoor meisje’, antwoord ik dan. ‘Is mama niet te lastig?’. ‘Nee hoor’. Op het moment dat ik het zeg, meen ik het nog ook. Anna bedoelt het allemaal niet verkeerd, denk ik. Ze vindt het leven gewoon zwaar. Dat is altijd zo geweest.

En ik denk dat ze niet begrijpt dat ik niet begrijp waarom ze het leven zo zwaar vindt. Want om heel eerlijk te zijn, begrijp ik daar niets van. We hebben het goed samen. We hebben twee geweldige kinderen, vier mooie kleinkinderen en we hebben elkaar nog. Ook financieel hebben we nooit grote problemen gehad. Eigenlijk zijn we best in goede doen. Ik heb altijd goed verdiend en een goed pensioen opgebouwd. Tot een paar jaar geleden gingen we nog regelmatig samen op reis, met zijn tweeën of met het hele gezin en aanverwanten. We gingen elke dag wandelen, deden samen boodschappen. Allemaal dingen die de meeste mensen van onze leeftijd al lang niet meer konden.

Maar ook toen was ze eigenlijk nooit echt tevreden. Ik weet niet waarom niet. Alsof ze teleurgesteld is in hoe god de wereld heeft gemaakt. Alsof ze stiekem vindt dat zij dat beter had gekund. In haar ideale wereld zou alles precies zo geregeld zijn zoals dat volgens haar geregeld zou moeten zijn. Dan zouden zelfs de blaadjes pas van de bomen vallen op het moment dat zij vindt dat het tijd is voor die blaadjes om van de boom te vallen. En geen moment eerder. En dan zouden ook meteen alle blaadjes tegelijkertijd van de boom moeten vallen, zodat het niet nodig is om iedere keer opnieuw de bezem te moeten pakken om die blaadjes bij elkaar te vegen. 

Ik hoop voor hem dat er geen god is, want als hij wel bestaat en Anna komt hem in het hiernamaals tegen, dan mag hij zijn borst wel natmaken. Binnen de kortste keren neemt zij de regie van de hemel van hem over. Dan moet god het niet wagen om thee in een pot te zetten terwijl zij heeft bepaald dat thee in een theeglas dient te worden gezet. Of dat de lunch pas om half twee geserveerd wordt, terwijl Anna die lunch om half een wil nuttigen, omdat ze anders chagrijnig wordt omdat anders haar bloedsuiker teveel daalt.