Als kind was ik al constant in gesprek met mezelf en niet alleen in mijn hoofd, maar ook hardop, zodat ik kon horen wat ik tegen mezelf zei. Als ik dan, al pratend met mezelf, over straat liep, kreeg ik daar weleens vervelende opmerkingen over, waardoor ik enigszins van slag was, omdat ik me realiseerde dat ik, door dat praten in mezelf, door anderen als raar werd gezien.

Als ik nu in het openbaar hardop zou praten, wat ik overigens zelden meer doe, dan zou dat waarschijnlijk niet opvallen. Al die mensen die met mobieltjes en oortjes in, in het openbaar met anderen aan het communiceren zijn terwijl ze wandelen, winkelen of in de bus of in de trein zitten, praten ook vaak hardop. Zo hard dat je ze vaak letterlijk kunt verstaan. Mocht daar iemand tussenzitten die niet met een ander maar met zichzelf aan het praten is, dan valt dat waarschijnlijk niemand op.

Door dat in mezelf praten kwam ik in contact met Anton. Ik stond op het schoolplein en had helemaal niet door dat hij in de buurt stond. Ik had een nogal heftige discussie met mezelf en vergat even om dat niet in stilte te doen. ‘Wat zei je?’, vroeg Anton. ‘O, niks’, zei ik. ‘Ik hoorde je toch duidelijk iets zeggen’, zei Anton, ‘of was je met jezelf aan het praten?’. ‘Eh…’, stamelde ik, bang dat als ik dat zou bevestigen hij me maar raar zou vinden, maar hij vervolgde: ‘dat doe ik ook vaak, in mezelf praten, gewoon om dingen helder te krijgen’. ‘Ja. ik ook’, zei ik opgelucht. Dat was het begin van onze vriendschap.

‘Waar heb jij het de laatste tijd met jezelf over gehad?’, is een vraag die we elkaar vaak stelden als we elkaar weer zagen of aan de telefoon hadden. Daardoor gingen de gesprekken die we samen hadden eigenlijk altijd vanzelf. En daardoor deelden we ook vrijwel alles waar we mee bezig waren. Er is niemand waar ik mijn gedachten zo aan toe durfde vertrouwen als aan Anton. Behalve ik zelf dan. Bij Anna laat ik zeker niet het achterste van mijn tong zien.

Ik heb me vaak afgevraagd hoe dat kan, dat ik met Anton alles kon delen, zonder angst dat hij mij af zou wijzen, en dat ik dat met Anna niet kan. Terwijl ik met haar getrouwd ben en niet met Anton. Een enkele keer hoort zij me in mijn studeerkamer praten en vraagt dan met wie ik aan de telefoon heb gezeten. ‘Met niemand’, zeg ik dan naar waarheid. ‘Maar ik hoorde je toch duidelijk praten’, zegt zij dan met een fronsende blik. Ik weet dat ze, als ik haar zou vertellen dat ik met mezelf in gesprek was zou reageren met ‘Doe niet zo raar’, dus zeg ik snel dat ik een speech of een college aan het voorbereiden was. Dat is niet helemaal gelogen, want ik praat vaak in mezelf om gesprekken voor te bereiden of te evalueren.

Het is niet dat ik me bij Anna niet op mijn gemak voel. Hoewel. Eigenlijk ben ik wel altijd op mijn hoede, zoals ik dat vroeger bij mijn vader ook was. Bang om iets fout te doen en afgewezen te worden, denk ik. Toch voelt Anna als thuis. En misschien is dat ook wel waarom ik me bij haar niet helemaal op mijn gemak voel. Dat voelde ik me thuis ook niet. Een verkeerd woord en je kon een draai om je oren krijgen. Als ik een taak volgens mijn vader niet naar behoren had afgerond kreeg ik een reprimande die wel een half uur kon duren. Na dat half uur was ik, bij wijze van spreken, nog maar vijf centimeter hoog. Een piepklein kaboutertje dat angstig naar zijn reusachtige vader opkeek.

Ik trok me thuis vaak op mijn kamer terug om daar, intens verdrietig, in een foetushouding, met de duim in de mond, innerlijk te huilen. Niet hardop, want als mijn vader dat hoorde wekte dat alleen nog maar meer woede op. ‘Stel je niet zo aan, slappe slampamper. Hou op met huilen. Ben jij nou een vent of een krielkip?’. En mocht ik desondanks nog een keer snikken, dan kreeg ik nog een tik na. Zo leerde ik af om te laten zien hoe verdrietig ik was.

En het gekke was dat ik altijd het gevoel had dat ik die gramschap, die over me werd uitgestort, verdiend had. Dat ik maar een Sulletje Rozenwater was. Dat mijn vader gelijk had en dat ik nergens voor deugde.

Niet dat Anna me slaat. Dat zou ik ook niet accepteren, maar haar woorden zijn net zo scherp als de woorden waarmee mijn vader meende mij te moeten corrigeren. En ze hebben, ben ik bang, ook vaak hetzelfde effect. Als Anna mij verbaal de maat neemt dan voel ik hoe mijn ego in elkaar krimpt, totdat er niets overblijft dan een piepklein kaboutertje dat niet anders kan dan zich aan de reus tegenover zich te onderwerpen.

Ik heb dat altijd gehad bij mensen die zich autoritair gedragen. Die hoeven maar op een bepaalde manier naar me te kijken en ik voel me al klein worden. Ik heb wel eens tegen Anton gezegd dat dat gewoon mijn aard is, maar dat weersprak hij. ‘Je bent getraind om je te onderwerpen’, zei hij, ‘dat is niet je natuur. Als je van jongs af aan hebt geleerd om je te voegen naar het gezag dan pas je je daar noodgedwongen aan aan. Maar je bent desondanks vrij in je gedachten gebleven. En dat vind ik knap. Want wat dat betreft heb ik het gemakkelijker gehad’.

Dat was zo. Anton’s vader nam zijn kinderen al vanaf hun geboorte serieus. Ik heb hem nooit horen zeggen ‘doe maar gewoon wat je gezegd wordt’, of ‘dat is zo omdat ik het zeg’, of ‘wie denk jij in godsnaam wel dat je bent snotneus’. Als Anton een opdracht die zijn vader hem gaf weigerde te doen, dan vroeg zijn vader waarom hij dat weigerde en ging hij met Anton in discussie. Meestal won zijn vader die discussie waarna Anton die opdracht alsnog uit ging voeren. Dat had ik bij mijn vader niet hoeven proberen. Die had me alle hoeken van de kamer laten zien, als ik alleen maar had durven opperen dat ik een opdracht die hij me gaf niet zou willen uitvoeren.

‘Ja, mijn vader is een aparte’, zei Anton toen ik zei dat ik het wel heel erg bijzonder vond dat hij tegen zijn vader in mocht gaan, ‘hij houdt ervan om met ons in discussie te gaan. En als je in staat bent hem te overtuigen, dan glimlacht hij van oor tot oor. Ik hem hem nooit kwaad zien worden als we een discussie met hem aangaan, integendeel. ‘Je moet zelf na leren denken’, zegt hij vaak. dat vindt hij belangrijk. Mijn moeder protesteert daar wel eens tegen. ‘Ja maar ze moeten toch ook gewoon leren te luisteren naar een autoriteit, want anders komt er nooit iets van ze terecht’, zegt ze meer dan eens. ‘Natuurlijk moeten ze luisteren’, beaamt mijn vader dan, ik wil zelfs dat ze heel goed luisteren, zodat ze weten of zo’n autoriteit onzin uitkraamt of niet. Wat ik ze wil leren is om heel erg goed te luisteren, maar dat dat juist niet betekent dat ze altijd moeten gehoorzamen’.

Eigenlijk is mijn moeder het wel met mijn vader eens, maar zij beweert dat we het daardoor maatschappelijk niet altijd even gemakkelijk zullen krijgen. Mijn vader had het maatschappelijk ook veel verder kunnen schoppen als hij zich gewoon naar de autoriteiten van dienst had kunnen voegen. Maar dat heeft hij altijd vertikt. Niet dat hij altijd dwarsligt, zo zit hij ook niet in elkaar, maar hij vindt dat beslissingen op grond van argumenten genomen moeten worden en niet op grond van de positie van degene die de uiteindelijke beslissing neemt’. Ik vond dat Anton maar bofte met zo’n vader.

Als Anton bij ons thuis kwam was mijn vader meestal niet thuis. En als mijn vader thuis was dan ging Anton met hem nooit in discussie. Ik had hem gewaarschuwd dat hij dat bij mijn vader beter niet kon proberen. Dus als mijn vader iets beweerde waarvan ik wist dat Anton het daar niet mee eens was, dan zei Anton rustig: ‘Dus zo denkt u erover, interessant’. En als mijn vader hem dan vroeg hoe hij er over dacht, zei Anton tactisch dat hij daar zijn mening nog over aan het vormen was, maar dat hij zeker de mening van mijn vader in zijn denkproces zou meenemen. Mijn vader wist niet goed hoe hij daar op moest reageren en ik keek vol bewondering naar mijn vriend die misschien niet tegen mijn vader in leek te gaan, maar zich ook niet door hem liet overbluffen.

Wat ik al snel doorhad was dat de vader van Anton veel slimmer was dan mijn vader. Mijn vader meende dat hij gelijk had omdat hij zijn eigen mening als de hoogste wijsheid beschouwde. Maar als je nooit twijfelt, zul je ook nooit tot een voortschrijdend inzicht komen. Dan blijf je, wat er ook gebeurt, vasthouden aan je eigen mening, zelfs als die mening zich tegen je keert. ‘Bevroren wijsheid’, noemde Anton’s vader dat. ‘En bevroren wijsheid is ijskoud’, voegde hij er aan toe, ‘daar is geen ruimte voor twijfel, daar is geen ruimte voor liefde. Dat soort wijsheid stroomt niet, dat soort wijsheid beweegt niet, dat soort wijsheid leeft niet’.

‘Durf te twijfelen’, zei Anton’s vader, ‘durf je wijsheid op te warmen zodat ie weer gaat stromen’.

Ik was wel jaloers op Anton omdat hij zo’n vader had. Maar ik was niet afgunstig. Waarom zou ik Anton iets misgunnen alleen maar omdat ik het zelf ook wel zou willen hebben… En daarbij, doordat ik Anton leerde kennen leerde ik ook zijn vader kennen. En op een bepaalde manier deelde hij zo zijn vader met mij. Dat zou ik niet hebben willen missen.