ruud moors ik leef nog aflevering 11
Ik heb de krant al wekenlang niet meer gelezen. Op de een of andere manier doet de waan van de dag er voor mij niet meer zo toe. Ik hoef niet meer precies te weten waar de geschiedenis zich naar toe beweegt. Het duurt niet lang meer of er komt een einde aan mijn bestaan. Dat is het moment dat voor mij de geschiedenis definitief stopt. Ik weet dat de wereld dan nog doorgaat, maar feitelijk gaat mij dat dan niet meer aan. Dus waarom zou ik me nog druk maken over alles wat er in de wereld gebeurt. Nou ja, alles… datgene dat er in de krant staat of in het nieuws komt.
We menen van de geschiedenis te leren, maar als er iets is dat de geschiedenis ons leert is dat we nog nooit iets van de geschiedenis hebben geleerd. Niet dat de geschiedenis zich iedere keer weer op precies dezelfde manier herhaalt, maar in essentie maken we steeds dezelfde fouten. Ik zou willen dat ik dat zelf had bedacht, maar de waarheid is dat Anton me daarop gewezen heeft.
‘Denk je nou werkelijk dat de aard van de mensen wezenlijk verandert?’, vroeg hij toen ik beweerde dat de geschiedenis zich in positieve zin naar een steeds betere beschaving ontwikkelde. ‘Wat bedoel je?, vroeg ik. Hij pakte een boekje en begon er in te bladeren. ‘Dit boekje is vijfentwintighonderd jaren oud’, zei hij, en toch is wat er in staat nog steeds actueel. Verbazingwekkend actueel zelfs. Luister:
- De machthebbers zorgen uitsluitend voor hun eigen belangen, terwijl de akkers allemaal braak liggen en de pakhuizen helemaal leeggehaald zijn. Overtuigd van zichzelf klappen ze voor hun eigen spitsvondigheden. Door het gebruik van wapens verkrijgen ze hun voordeel. Ze zijn oververzadigd van voedsel en drank en bezitten overbodige rijkdommen.
Dit noemen we ‘trots zijn op diefstal’.
Deze tekst werd vijfentwintighonderd jaar geleden geschreven door een Chinese wijsgeer die Laozi genoemd werd. Durf jij te beweren dat de machthebbers door de eeuwen heen minder voor het eigenbelang zijn gegaan terwijl hun onderdanen tekort kwamen? Dat ze tegenwoordig minder overtuigd zijn van hun eigen spitsvondigheden waarmee ze hun gedrag goedpraten? Dat ze zich minder tegoed doen aan voedsel, drank en overbodige rijkdommen? De aard van degenen met macht is nog precies hetzelfde als vijfentwintighonderd jaar geleden’.
‘Ja, maar we hebben na de tweede wereldoorlog wel de universele rechten van de mens opgesteld en een instituut als de Verenigde Naties ingesteld’, dacht ik er tegen in te brengen. ‘En is er nu geen oorlog meer?’, vroeg Anton, ‘Zijn er geen machthebbers meer die uitsluitend voor hun eigen belangen gaan? Is er nu wereldvrede? Is er geen honger meer, ook al is er wereldwijd genoeg voedsel voor iedereen?. Dit is wat Laozi er vijfentwintighonderd jaar geleden over zei:
- Als het volk honger heeft dan komt dat omdat de elite teveel voedsel als belasting int, daardoor is er honger. Als het volk moeilijk te regeren is dan komt dat omdat de elite alleen maar uit eigenbelang handelt, daardoor is het volk moeilijk te regeren.
Geldt dat niet nog steeds? En zijn wij niet deel van die elite?’. ‘Hoezo zijn wij deel van die elite?’, vroeg ik verbaasd. ‘Hebben wij hier in het westen geen overvloed terwijl er elders honger heerst? En hebben wij die overvloed niet te danken aan een geschiedenis waarin wij de hele wereld zijn overgetrokken om onze rijkdommen bij elkaar te stelen? Of dacht jij dat de VOC vriendelijk was gaan vragen of ze slaven mochten maken van de mensen die ze in de Oost aan zich onderwierpen?’.
‘Ja, maar er is ook heel veel verbeterd’, zei ik, ‘en in de afgelopen decennia is de hongersnood wel degelijk afgenomen’. ‘Dat klopt’, zei Anton, ‘maar de hongersnood is nog steeds niet opgelost, terwijl dat wel zou kunnen. En machthebbers gaan nog steeds vaak puur voor het eigenbelang en niet alleen in dictaturen. En nog steeds vinden wij dat Afrikanen die naar Europa willen omdat ze ook willen meeprofiteren van de rijkdom die wij hier hebben, dankzij het feit dat we hun continent van veel rijkdommen hebben beroofd, terug moeten naar Afrika omdat ze hier niet thuis zouden horen. Die moeten dan in de regio worden opgevangen. Iets wat alleen maar kan als we Afrikaanse landen terug zouden geven wat we van hen gestolen hebben, maar dat zijn we niet van plan’.
‘Je kunt de geschiedenis niet ongedaan maken’, meende ik. ‘Maar je kunt de geschiedenis wel rechtzetten’, meende Anton, ‘alleen moeten we dan bereid zijn om de rijkdom die we gestolen hebben terug te geven’. ‘Maar die mensen die daar nu leven zijn helemaal niet dezelfde mensen van wie die rijkdom gestolen is’, wierp ik tegen. ‘O, dus als mijn vader jouw vader’s rechtmatig bezit gestolen zou hebben, dan zou ik dat, als ik dat gestolen bezit zou erven, mogen houden?’, opperde Anton. ‘Ja, eigenlijk wel ja’, gaf ik schoorvoetend toe. ‘Maar ik zou dat gestolen bezit helemaal niet willen erven’, zei Anton fel, ‘ik zou vinden dat jij daar recht op zou hebben en ik zou het aan jou terug willen geven’. ‘Ja, dat kan je doen’, zei ik, ‘maar het hoeft niet’. ‘Maar hoe zou je het vinden als ik het je terug zou geven, niet omdat ik daar wettelijk toe verplicht ben, maar puur omdat mijn geweten mij dat opdraagt? Zou je dat waarderen?’. ‘Natuurlijk’, zei ik. ‘Dan ben je het met me eens dat, als we ons geweten zouden volgen, we de rijkdom die we geërfd hebben terug zouden moeten geven aan de nazaten van degenen van wie we die rijkdom gestolen hebben. Dat kan niet anders’. Daar wist ik weinig tegen in te brengen.
Zoals zo vaak plantte Anton met zijn redenaties een zaadje in mijn hoofd. Een zaadje dat vaak pas na enige tijd begon te ontkiemen. Aan de onderkant van de samenleving gaan mensen er vaak maar heel mager op vooruit en soms zelfs op achteruit. Tegelijkertijd groeit het aantal multimiljardairs gestaag. En waar die superrijken vooral goed in lijken te zijn is in het zomin mogelijk betalen van belasting, terwijl ze wel het meeste profiteren van de infrastructuur die door anderen wordt bekostigd. De machtigen der aarde zijn inderdaad vooral bezig met hun eigenbelang, en wat me nog het meest verbijstert is dat ze dat ook steeds schaamtelozer doen.
‘Er is nog nooit een periode in de geschiedenis van de menselijke beschaving geweest dat er niet ergens op de wereld oorlog was’, zei mijn professor ooit. Hoe langer ik de geschiedenis van de menselijke beschaving bestudeer, hoe meer ik moet erkennen dat dat inderdaad zo is. En ook dat Laozi gelijk had met zijn stelling dat machthebbers vooral met hun eigenbelang bezig zijn en veel minder met het belang van hun onderdanen.
Het ergste wat een samenleving kan overkomen is als een veroveraar de leiding van die samenleving op zich neemt. Dan wordt het voeren van oorlog de essentie van beleid. Daar zijn de bewoners van de landen die veroverd worden de dupe van, maar ook de bewoners van het land dat die veroveringen pleegt. Niet alleen omdat die bewoners de soldaten moeten leveren die, met gevaar voor eigen leven, moeten gaan vechten, maar ook omdat het die bewoners moreel corrumpeert. Ook dat is iets waar Anton me op wees. Je kunt als soldaat je medemens niet doden zonder jezelf wijs te maken dat die medemens niet net zoveel recht heeft om te bestaan als jij zelf hebt.
Dus moet je jezelf wijsmaken dat de mensen die tot de groep behoren waar je zelf toe behoort, superieur zijn aan de mensen die tot de groep behoren die je wil veroveren. En dat je daardoor de belangen van die mensen mag onderwerpen aan de belangen van je eigen groep.
‘In het woord ‘veroveraar’, zit niet voor niets het woord ‘rover’ ‘. zei Anton. ‘En er is niets positiefs aan roven’, voegde hij er aan toe. Zo had ik nog nooit naar het woord ‘veroveraar’ gekeken, maar nadat Anton deze zin in mijn hoofd had geplant, kan ik het woord ‘veroveraar’, niet meer zien of horen zonder me te realiseren dat een veroveraar in essentie gewoon een ‘rover’ is, en dat diens leger in essentie gewoon een roversbende is.
Iedere oorlog is ooit begonnen omdat een machthebber de ambitie had om meer macht en rijkdom te veroveren. Iedere machthebber die ooit een oorlog is begonnen is niet meer dan een rover die zijn leger heeft gebruikt als roversbende. Feitelijk zouden we veroveraars als criminelen moeten zien. En feitelijk zouden we ze ook als zodanig moeten behandelen. Anders zal de geschiedenis zich alleen maar blijven herhalen en zullen machthebbers het gevoel hebben dat ze juist groots zijn als ze zich als grote schurken gedragen. Zeker als ze, als ze succes hebben, op handen worden gedragen.
Hoewel Anton al twaalf jaar dood is, zit hij nog steeds in mijn hoofd. Misschien wel meer dan ooit. Alsof ik, hoe dichter ik bij de dood kom, ook dichter bij Anton kom.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: