Veertien jaar geleden kwam Donna, de dochter van Nora, langs om ons te vertellen dat ze bezig was een transitie te ondergaan van vrouw naar man. Ik begreep in eerste instantie helemaal niet waar ze het over had. Ik wist dat sommige mannen zich vrouw voelen en dat er mannen zijn die zich niet alleen als vrouw verkleden, maar zich ook tot vrouw laten ombouwen, maar dat dat omgekeerd ook kon was nieuw voor me. Bij een man halen ze gewoon wat weg en maken een opening waar er eerst geen was. Dat lijkt me wel te doen, maar hoe maak je van een vrouw een man?

‘Dat is inderdaad ingewikkelder’, zei Donna, ‘maar het kan wel. En ik heb besloten dat ik niet langer als vrouw door het leven wil gaan, maar als man’. ‘Maar waarom dan?’, vroeg ik. ‘Omdat ik me gewoon een man voel’, zei Donna, ‘mijn hele leven al. En het wordt tijd dat ik door het leven ga als de persoon die ik ben’. ‘Maar je bent geboren als vrouw’, probeerde ik nog. ‘Ja, maar ik heb me nooit vrouw gevoeld’, was Donna reactie.

Eigenlijk wist ik dat wel. Donna had zich nooit als een meisje gedragen. Ze speelde ook nooit met meisjes. Ze vertikte het om rokjes te dragen. Ze voetbalde met de jongens en werd, als kind, door de jongens in haar klas als een van hen behandeld. In zekere zin was ze stoerder dan de meeste jongens. Als ze vocht delfden de meeste jongens het onderspit. Ik dacht dat dat wel over zou gaan als ze ouder was, dat als ze verliefd zou worden vanzelf haar vrouwelijke kant tevoorschijn zou komen.

Een beetje zoals Doris Day in ‘On Moonlight Bay’ of ‘By The Light  Of The Silvery Moon’. Ik haal die twee films altijd door elkaar en vergeet welke de eerste film was en welke de tweede. In die eerste film zie je Doris Day zich ook als een jongen gedragen. Sporten met jongens en zelfs sleutelen aan een auto. Dat verandert als ze verliefd wordt op haar buurjongen Bill. Dan komt als vanzelf haar vrouwelijke natuur naar boven. En eigenlijk dacht ik dat dat bij Donna net zo zou gaan.

Toen ik dat tegen Anton vertelde begon hij te lachen. ‘Had je dan niet door dat die films met Doris Day propagandafilms waren, die de bedoeling hadden om vrouwen weer terug achter het aanrecht te krijgen nadat ze in de oorlog hadden laten zien tot dezelfde dingen in staat te zijn als mannen. Dat was in de oorlog noodzakelijk geweest omdat veel mannen in het leger moesten, maar na de oorlog moesten die weer terug aan het werk en moesten vrouwen weer terug naar het aanrecht. Dus moesten vrouwen zich weer ‘vrouwelijk’ gaan gedragen, dat wil zeggen dat ze zich weer ondergeschikt moesten maken aan de man’.

Daar had ik nooit zo over nagedacht. Ik was er van overtuigd dat het logisch was dat de man de kostwinner was en dat het huishouden de exclusieve taak van de vrouw was. Daarom had ik me ook nooit met het huishouden bemoeid. Dat was Anna’s taak. Anna zou het ook niet hebben geaccepteerd als ik me met haar zaken had bemoeid. Niet dat ik niets in het huishouden deed, maar ik deed alleen iets als mij dat werd opgedragen.

Maar in tegenstelling tot Doris Day liet Donna zich niet in een vrouwelijke rol dwingen. Nou is de tegenwoordige tijd ook anders en wordt nu van vrouwen verwacht dat ze economisch hun eigen broek op kunnen houden, maar dat een vrouw er voor kan kiezen om zich te laten verbouwen om als man door het leven te gaan, dat was iets dat, tot dan toe, mijn verbeeldingsvermogen te boven was gegaan. Maar ja, zoals Anton zei: ‘Daar ga je niet over, beste Otto’.

Dus onderging Donna haar transitie en kwam terug als Johan. Door de hormonen die ze slikte kreeg ze zelfs baardgroei. Haar trekken werden mannelijker, haar stem dieper, totdat zij ook in mijn ogen een hij was geworden. ‘Kun je nou ook kinderen verwekken?’, vroeg ik nadat hij verteld had dat hij nu ook een mannelijk geslachtsdeel had’. ‘Nee opa’, zei Johan, ‘dat is helaas nog niet mogelijk. Maar ja’, voegde hij er aan toe, ‘ook niet iedereen die als man geboren is is vruchtbaar’.

Ik blijf het vreemd vinden om iemand die ik als kleindochter beschouwde nu ineens als kleinzoon te moeten zien. Toch is het ook voor mij duidelijk dat Donna als Johan veel beter in haar vel zit, in zijn vel zit. En in wezen is het nog steeds dezelfde persoon. En die persoon heb ik altijd gemogen. Recht door zee, met het hart op de goede plek. Dus mijn liefde voor deze persoon is niet veranderd, ook al is die persoon van geslacht veranderd.

Dat Donna op vrouwen viel was altijd al duidelijk, maar dat ze als man een relatie met een vrouw zou krijgen verbaasde me toch. ‘Weet je vrouw dat jij niet altijd een man bent geweest’, vroeg ik. ‘Wat denk jij dan opa?’, zei Johan, ‘dat ik dat voor haar zou verzwijgen?’. ‘Heeft ze daar dan geen probleem mee?’, vroeg ik nog. ‘Ik vermoed van niet’, zei Johan met een glimlach, ‘althans ik heb dat nog nooit gemerkt. Vind je het goed als ik haar een keer meeneem om haar kennis met jullie te laten maken?’. ‘Dat lijkt me heel leuk’, zei ik, ‘wat denk jij Anna?’. Tot mijn grote verbazing vond Anna dat geen enkel probleem.

Twee weken later kwam Johan langs met zijn nieuwe liefde en haar dochtertje. ‘Hoe heet je?’, vroeg ik aan dat dochtertje. ‘Carol’, zei ze. ‘Dat lijkt wel een engelse naam’, merkte ik op. ‘Ja’, zei ze’, mijn vader is Amerikaan’. ‘En waar is hij nu?’. ‘In Amerika’, zei ze. Toen vroeg ze mijn naam. ‘Otto’, zei ik. ‘Die naam heb ik nog nooit eerder gehoord’, zei zij. ‘Dan is dit de eerste keer’, zei ik met een grijns. Er kwam een glimlach op haar gezicht.

‘Wil je een glaasje limonade?’, vroeg ik. ‘Graag meneer Otto’, zei ze. ‘Je mag me wel opa noemen, hoor’, meende ik. ‘Maar u bent mijn opa toch niet, zei ze. ‘Nee, dat is waar’, zei ik, ‘eigenlijk is Ronald je opa en niet ik’. “Heb ik dan drie opa’s”, vroeg ze verbaasd. ‘Ja, eigenlijk wel’, meende ik, ‘en je hebt ook minstens één overgrootvader en dat ben ik’. ‘Daar moet ik even over nadenken’, zei ze pedant en legde het topje van haar wijsvinger tegen het puntje van haar neus. Toen zuchtte ze even en zei: ‘Maar als jij mijn overgrootvader bent en Ronald mijn grootvader is, is Johan dan mijn vader?’. ‘Eigenlijk ga jij daar over’, zei ik, ‘jij beslist of je Johan als je vader wilt zien, en als je daarvoor kiest dan wordt Ronald je grootvader en ik je overgrootvader’. Ze duwde haar tong even tegen de binnenkant van haar wang die daardoor dikker leek. ‘Dan heb ik dus twee papa’s, drie opa’s en één overgrootvader’, concludeerde ze. Dat beaamde ik. ‘Is Anna dan mijn overgrootmoeder?’. ‘Dat moet je aan Anna vragen’, zei ik, ‘daar ga ik niet over’. Ze liep naar Anna toe en vroeg: ‘Mevrouw Anna, wil jij mijn overgrootmoeder zijn?’. Ik zag dat Anna volschoot. ‘Maar natuurlijk, lief kind’, zei ze met een bibber in haar stem. Ik voelde een enorme opluchting. Ik was even bang geweest dat Anna haar af zou wijzen.

Carol is nu een volwassen vrouw. Ze kwam een paar dagen geleden langs om afscheid van me te nemen. Ze weet dat ik niet lang meer heb. ‘Hoe gaat het gropa Otto?’, vroeg ze. ‘O, naar omstandigheden wel’, zei ik en ontlokte daarmee een glimlach. ‘En hoe zijn die omstandigheden dan?’, vroeg ze. ‘Ach lief kind’, zei ik, ‘het duurt niet lang meer en dan is het allemaal voorbij’. ‘Ben je bang voor de dood?’, vroeg ze. ‘Nee’, zei ik naar waarheid, ‘ik heb een beetje angst voor het stervensproces, maar ik ben niet bang voor de dood’. ’Zou je niet nog wat langer willen blijven leven?’, vroeg ze vervolgens. ‘Weet je Carol’, zei ik, ‘ik hou van het leven. Ik had wel honderd willen worden, of zelfs wel ouder. Maar juist omdat ik van het leven hou ben ik niet bang voor de dood’.

Ze glimlachte. ‘Ik geloof dat ik je wel begrijp’, zei ze. ‘Ik heb altijd vrede gehad met de dood’, vervolg ik, ‘omdat de dood bij het leven hoort. Zonder dood geen leven, zonder leven geen dood. Het ene kan niet zonder het andere. Dus kun je het ene niet liefhebben en het andere haten. Soms denk ik dat mensen die bang zijn voor de dood op de een of andere manier ook bang zijn om te leven’.

‘Ik zal je missen’, zei ze. ‘Ik jou ook’, zei ik. ‘Dat geloof ik niet’, zei zij, ‘ik geloof niet dat als je dood bent je überhaupt iets mist’. ‘Nou laat ik het zo zeggen’, zei ik, ‘ik vind het jammer dat ik afscheid van je moet nemen’. ‘Maar je blijft in mijn hart zitten’, zei ze en gaf me een kus op mijn voorhoofd. ‘Dan vind ik het nog minder erg dat ik doodga’, zei ik. Vlak voordat ze de kamer verliet, draaide ze zich nog even om. ‘Ik hou van je’, zei ze zacht. ‘Ik ook van jou’, zei ik naar waarheid.