Aron zal een jaar of zeventien geweest zijn toen ik per ongeluk een gesprek afluisterde tussen Nora en haar beste vriendin. Ze zaten in de kamer terwijl ik om de hoek aan de keukentafel zat. ‘Heeft je zus nog steeds een oogje op Aron?’, hoorde ik Nora aan haar vriendin vragen. ‘Welnee’, zei deze. ‘dat was na één afspraakje al over, want ze vindt hem maar een moederskindje’. Ik hoorde Nora lachen. ‘Ja’, zei ze, ‘dat heeft hij niet van een vreemde’. ‘Hoezo?’, vroeg haar vriendin. ‘Mijn vader is ook een doetje’, antwoordde Nora, ‘hij zit ongelofelijk onder de plak bij mijn moeder. Hij doet precies wat ze van hem vraagt en durft nooit tegen haar in te gaan’.

Als ik heel eerlijk ben, had ze wel gelijk. Ik heb nooit het lef gehad om echt tegen Anna in te gaan. Het leek me altijd makkelijker om me maar naar haar te voegen. Ik vraag me af of ik daar wel goed aan heb gedaan. Het lijkt de makkelijkste weg, de weg van de minste weerstand, maar uiteindelijk is de prijs die ik daarvoor heb moeten betalen niet mals. Misschien had ik Anna meer weerwoord moeten geven, zodat ze niet het idee zou hebben gekregen dat alles precies zo moet gaan zoals zij dat bepaalt. Maar of ik tegen Anna opgewassen zou zijn geweest, vraag ik me af.

Tot in de kleinste details moet alles altijd precies volgens haar regels en inzichten gebeuren, anders wordt ze ongelooflijk chagrijnig. Maar het vervelende is dat die regels en inzichten zo maar kunnen veranderen. Zelf lijkt Anna dat niet door te hebben en dan kan ze ineens kwaad worden omdat ik iets doe volgens de regels die zij me heeft opgelegd, maar dan blijken die regels ineens veranderd te zijn. Dan weet ik vrij zeker dat ze me die nieuwe regels nooit heeft meegedeeld, maar dat lijkt er niet toe te doen. Ze gaat er gewoon vanuit dat als zij iets bedenkt, ik dat vanzelf weet en me daar als vanzelf naar zal voegen. Alsof ze er van uitgaat dat ik haar gedachten kan lezen.

Ze kan zich niet voorstellen dat ik niet kan weten wat ze precies wil. En misschien heeft ze het, tussen neus en lippen door, wel even genoemd, maar het kan best zijn dat ik, toen ze dat deed, helemaal niet in de buurt was. De hele dag door is ze hardop aan het denken. Dan vertelt ze wat ze allemaal heeft gedaan, wat ze allemaal nog wil gaan doen en hoe ze dat dan wil gaan doen en waarom dat precies op de manier moet die zij heeft bedacht en met welk materiaal en hoe dat materiaal dan gebruikt moet worden, en dan verwacht ze dat ik daardoor precies weet wat ze heeft bedacht. Maar ze heeft niet door dat ze soms halverwege ineens van gedachten verandert. Of hoe ze in alles wat ze zegt van de hak op de tak springt. Voor haar zelf zijn haar gedachten immers logisch. Dat ze dat voor mij wel eens niet zouden kunnen zijn, gaat haar voorstellingsvermogen te boven.

Ronald zei ooit over Anna dat het is alsof ze een toneelstuk schrijft waarin iedereen de rol moet spelen die Anna voor die persoon heeft bepaald en dat ze op hetzelfde moment de regisseur is die bepaalt wat ieder moet doen en hoe iedere persoon zich hoort te gedragen, maar zich ook halverwege kan bedenken, en dat er altijd maar één de hoofdrol spelen kan en dat is Anna zelf. Alsof ze de diva, de schrijver en de regisseur van het toneelstuk is, allemaal tegelijkertijd. Ik zei dat ik dat wel overdreven vond. ‘Ach ja, misschien wel’, zei hij met een grijns. ‘Maar dominant is ze wel’, voegde hij er aan toe. Ik meende dat ik Anna moest verdedigen omdat ik het moeilijk kan verdragen als iemand anders negatief over haar is.

Maar als ik eerlijk ben, kan ik hem niet helemaal ongelijk geven. Hij wees me er bijvoorbeeld op dat als hij mij iets vroeg, Anna vrijwel altijd antwoord gaf alsof de vraag aan haar gesteld was. ‘Zelfs als ik jou vraag naar je jeugdervaringen, neemt Anna het woord over om uitgebreid te vertellen over de dingen die jij als kind mee hebt gemaakt’, zei hij. Dat is inderdaad zo. De enige keren dat Ronald en ik ongestoord kunnen praten is als Anna er niet bij is. ‘Ze heeft zich zelfs jouw geschiedenis eigen gemaakt’, merkte hij op. Pas toen hij dat zei realiseerde ik me dat dat zo is. Dat zij altijd het gesprek overneemt. Alsof zij beter weet wat ik allemaal heb meegemaakt dan ik zelf. En dat is zo’n patroon geworden dat ik dat soms zelf ben gaan denken. Dat, als Anna iets over mijn  jeugd vertelt, ik aan mijn eigen geheugen ga twijfelen.

Ik geloof dat ik al vrij snel in ons huwelijk doorhad dat als ik tegen Anna in zou gaan, dat tot een machtsstrijd zou leiden, en dat dat een machtsstrijd zou zijn die ik nooit zou kunnen winnen. Daarom ben ik hem ook nooit aangegaan. De enige in ons gezin die zich verzette en tegen Anna in durfde te gaan was Nora. Soms zocht ze steun bij Aron of bij mij, maar die kreeg ze niet. We waren allebei te laf, denk ik, of misschien dachten we dat zij het aan zichzelf te wijten had dat het tussen haar en haar moeder zo botste. Op een bepaalde manier was ze ook een bliksemafleider op die manier. De frustratie die Anna ten opzichte van haar had, had ze in ieder geval niet ten opzichte van ons.

Misschien zijn mannen ook wel gewoon laffer dan vrouwen, ik weet het niet.

Nou heeft Aron wel een andere positie dan ik heb. Anna heeft de neiging om alles wat Aron doet en zegt geweldig te vinden, zelfs als wat hij doet of zegt helemaal niet zo bijzonder is. In Anna’s ogen wordt het bijzonder omdat Aron het doet. Als Nora of ik het zouden doen, zou ze het weinig vinden voorstellen, maar als Aron het doet, is het alleen daardoor al bijzonder. Als Nora uit zichzelf afwast, wordt daar nauwelijks aandacht aan besteed of krijgt ze zelfs commentaar op de manier waarop ze dat doet, maar als Aron een keer spontaan de afwas doet dan prijst ze hem de hemel in, en niet alleen op de dag dat hij die afwas doet, maar ook nog dagen daarna.

Misschien is dat ook wat de zus van de vriendin van Nora bedoelde toen ze Aron een moederskindje noemde. Dat hij zo door zijn moeder in de watten is gelegd dat hij is gaan geloven dat hij wel heel erg speciaal moet zijn en dat dat ook zijn gedrag ten opzichte van vrouwen bepaalt. Dat hij van vrouwen verwacht dat ze hem net zo speciaal zullen vinden als zijn moeder hem vindt. En ik kan me voorstellen dat er genoeg vrouwen zijn die helemaal geen zin in zo’n moederskindje hebben.

Uiteindelijk is Aron met Marjon getrouwd. Marjon plaatst Aron niet op een voetstuk en heeft hem van het begin af aan duidelijk gemaakt dat hij dat van haar ook niet hoeft te verwachten. Een vrouw met haar op haar tanden die hem, als hij het te hoog in de bol krijgt, met een enkele opmerking weer met beide benen op de grond weet te krijgen. Het heeft hem zichtbaar goed gedaan. Hij is nog steeds erg overtuigd van zichzelf, maar heeft, dankzij Marjon, ook oog voor anderen gekregen. Ik heb de indruk dat hij en Nora het samen ook steeds beter kunnen vinden.

Nora is een geval apart. Ik heb heel lang gedacht dat zij alleen zou blijven. Veel te eigenwijs om zich te voegen naar een man. Dat zei ze zelf ook vaak. ‘Ik hoef niet zo nodig een vent’, zei ze, ‘als ik me teveel moet aanpassen, blijf ik net zo lief alleen’. En toen kwam ze Ronald tegen, die er precies hetzelfde over dacht. Die twee laten elkaar volledig vrij, maar zijn inniger met elkaar verbonden dan welk ander stel dat ik ken. Blijkbaar hebben ze allebei de behoefte om hun eigen gang te gaan en hebben ze een manier gevonden om dat samen te doen, zonder dat ze elkaar daarbij in de weg zitten. Ik ben er nog steeds niet achter wie van hun tweeën de baas in de relatie is. Toen ik dat een keer schertsend aan Nora vroeg zei ze: ‘Niemand papa, wij gaan volledig gelijkwaardig met elkaar om’. Als ik ze samen zie, geloof ik dat, ook al kan ik me nauwelijks voorstellen dat dat mogelijk is.

Zelfs toen ze een kind kregen veranderde dat niet. Ik denk niet dat Nora zich ondergeschikt aan een partner had kunnen maken. Maar ik kan me ook niet voorstellen dat ze gelukkig zou zijn als zij een dominante positie in haar relatie zou hebben. Tegelijkertijd kan ik me nauwelijks voorstellen hoe dat is: een relatie waarin beide partners gelijkwaardig aan elkaar zijn. Waarin de een niet de ander domineert, waarin niemand de baas is.