ruud moors ik leef nog aflevering 15
Anna zit naast me. ‘Het zal niet zo lang meer duren’, zeg ik en vervolg met: ‘Je zult wel blij zijn als je binnenkort eindelijk van me verlost bent’. Ik hoop natuurlijk dat ze dat zal ontkennen. ‘Voor mij is het ook allemaal niet gemakkelijk’, zucht ze. Dat is niet de reactie waarop ik had gehoopt. Ik zwijg. Ik begrijp haar reactie niet. Zij is niet bedlegerig. Zij ligt niet met een luier om, niet bij machte om nog zelf naar het toilet te gaan. Zij is nog niet op sterven na dood. We zitten zwijgend naast elkaar, maar ik heb me nog nooit zo ver van haar verwijderd gevoeld als nu.
Na een tijdje pakt ze mijn hand vast. Zonder er bij na te denken trek ik mijn hand terug en strengel de vingers van mijn beide handen in elkaar om te voorkomen dat ze mijn hand weer vast kan pakken. Ik heb mijn ogen gesloten en doe alsof ik slaap. Het duurt niet lang voordat ze opstaat en langzaam de kamer uit sloft. Zuchtend en kreunend. Alsof ze me nog even wil laten weten hoe zwaar ik haar val.
Ik hou mijn ogen gesloten omdat ik niet het risico wil lopen dat ze zich omdraait en ziet dat ik mijn ogen geopend heb. Ik voel de spanning in mijn lijf. Mijn gewrichten doen pijn. Ik adem diep in en daarna even diep weer uit om bij elke ademhaling de moeheid door mijn lichaam te voelen stromen. Vreemd genoeg werkt dat ontspannend, altijd weer.
Als je in gedachten reist, kun je niet alleen overal naar toe reizen maar ook reizen in de tijd. Soms gaat dat automatisch. Ik zit ineens weer aan dat vennetje in de buurt van Heeze waar ik tachtig jaar geleden tijdens een fietstocht terecht was gekomen. Ik had mijn fiets tegen een boom gezet en was aan de rand van dat vennetje gaan zitten om even uit te rusten. Ik ben er weer en voel me, net als toen, volledig één worden met mijn omgeving, alsof alles deel uitmaakt van een groter geheel.
Dat gevoel heb ik altijd als ik in gedachten naar dat vennetje terugkeer. Alsof alle materie waaruit ik besta en alle materie waar alles om me heen uit bestaat een geheel vormen dat meer is dan de som der delen. Alsof alles met alles verbonden is. Ik heb dat wel eens met Anna proberen te delen, maar die snapt daar niet veel van. Ik geloof niet dat Anna zich ooit echt met iets verbonden heeft gevoeld.
Waarom denk ik nou weer aan Anna? Waarom verstoort zij, door alleen maar aan haar te denken, het gevoel van verbondenheid dat ik net nog had? Alleen al de gedachte aan haar maakt dat ik me eenzaam voel, verlaten van alle verbondenheid. Waarom heb ik me ooit met haar verbonden?
Ik vraag me zelfs af of ik me wel ooit met haar verbonden heb gevoeld. We hebben een leven lang samen gedeeld, maar niet een leven lang met elkaar geleefd. Alsof ons leven samen verdeeld was in een leven van Anna en een leven van mij, zonder dat er van een echte verbinding sprake was. Alsof we precies paralel naast elkaar leefden, maar elkaar nooit echt raakten, nooit een verbinding met elkaar aangingen. Alsof we allebei op ons eigen spoor dezelfde kant opgingen, allebei in een andere trein. En een heel enkele keer ontmoetten we elkaar op een station om daarna weer ieder in onze eigen trein te stappen.
En, om die vergelijking maar even door te trekken, op zo’n station verwekten we onze twee kinderen. Aron reed vervolgens met Anna mee en Nora zweefde tussen die twee treinen in, niet echt bij Anna in haar trein, maar ook niet echt bij mij in mijn trein. Alsof ze zich bij ons allebei niet echt thuis voelde. Ik heb het gevoel dat ze zich pas ergens thuis is gaan voelen toen ze Ronald ontmoette.
Hoewel ik van mijn beide kinderen houd, voel ik me ook met hen niet echt verbonden. Ik heb het gevoel dat ik er niet echt voor hen geweest ben. Ik had het nodig om me op mijn eigen eiland terug te trekken, om vooral niet in Anna’s trein te stappen omdat ik daar mezelf kwijt zou zijn geraakt. En misschien was ik ook wel bang dat ik Anton dan kwijt zou zijn geraakt. Niet omdat Anton dan niet meer langs zou zijn gekomen, maar omdat Anna zich Anton dan toegeëigend zou hebben, zoals ze zich mij en onze kinderen ook toe heeft proberen te eigenen.
Anton is de enige persoon waarmee ik me innig verbonden heb gevoeld. Wij zaten wel degelijk op hetzelfde spoor. Alsof we in dezelfde trein zaten, op weg naar dezelfde bestemming, maar wel ieder in een eigen coupé. Maar die coupé’s sloten wel op elkaar aan zodat we, als we dat wilden, met elkaar konden communiceren op elk moment dat we daar behoefte aan hadden. Innig verbonden in vrijheid.
Anton reist nog steeds met me mee, ook al heeft hij de eindbestemming al bereikt. Alsof die eindbestemming overal en nergens is. Dus ook hier en nu. Hoewel ik niet in een hiernamaals geloof, geloof ik wel in de oneindigheid van het bestaan. Alles wat ooit bestaan heeft leeft voort in wat er na komt. In alles wat nu bestaat leeft alles voort dat ooit bestaan heeft. In mij leeft de hele geschiedenis van het universum voort. Elke gebeurtenis die plaats heeft gevonden voordat ik geboren werd, heeft het moment veroorzaakt waarin ik kon ontstaan.
Alles is met alles verbonden. Ik ben wie ik ben door mijn vader en mijn moeder. En zij waren wie ze waren door hun ouders, die op hun beurt weer waren wie ze waren door hun ouders. En als er ook maar een klein verschil was geweest waar of wanneer dan ook in het verleden dan zou wellicht één van mijn ouders er niet zijn geweest, of dan waren ze elkaar nooit tegengekomen, of pas een paar jaar later, en in al die gevallen zou het moment waarop ik werd verwekt nooit plaats hebben gevonden. Dan had ik simpelweg nooit bestaan.
Ik zit, in gedachten weer even aan de rand van het vennetje bij Heeze. Met Anton in mijn hart. Nog niet wetend dat ik Anna ooit tegen zal komen. Niet wetend dat er daardoor twee mensen zullen ontstaan die ik mijn kinderen zal noemen. Ik zit aan de rand van dat vennetje en voel me één met mijn omgeving. Niet alleen met dat vennetje en met Anton in mijn hart, maar met de hele wereld, met het totaal van alle bestaan.
En ik vraag me af: als ik vannacht in mijn slaap overlijd, word ik dan morgen dood wakker?
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: