Als ik het me goed herinner zag ik Anna voor het eerst in de bibliotheek van onze universiteit. Volgens Anna had ik haar al eerder aangesproken in de mensa om te vragen of de plek tegenover haar vrij was, maar volgens mij was dat later. Het is niet verstandig om daar een discussie met Anna over aan te gaan, want ze heeft nergens zo’n grote hekel aan als aan tegengesproken worden. Zelfs de suggestie dat we het ons allebei op onze eigen manier zouden kunnen herinneren, gaat er bij haar niet in. Zoals zij het zich herinnert, zo is het gegaan en niet anders.

Ik heb al snel afgeleerd om tegen Anna in te gaan. Als ze niet te genieten is, dan is ze ook echt niet te genieten. En echt belangrijk wie gelijk heeft over onze eerste ontmoeting, lijkt het me nou ook weer niet. Niet belangrijk genoeg om er ruzie over te maken in ieder geval. Misschien is het ook wel zo dat ik haar voor het eerst in de bibliotheek heb opgemerkt en we elkaar toen nauwelijks hebben gesproken. Wel weet ik dat ze me, de eerste keer dat ik haar zag, opviel omdat ze er uiterst verzorgd uitzag.

Daarom was ik ook verbaasd om haar in de mensa te zien zitten. In haar eentje aan een tweepersoons tafeltje. Hoewel ik me niet kan voorstellen dat ik, verlegen als ik toen was, het zou hebben aangedurfd om haar aan te spreken. Nu ik er over nadenk begin ik te twijfelen. Zat ik niet gewoon aan dat tafeltje en vroeg zij niet, op haar allercharmantst, want als ze wil kan ze zeer charmant zijn, of de plek tegenover mij vrij was.

Niet dat ze dat zou toegeven, want een dame hoort niet het initiatief te nemen, maar eigenlijk weet ik vrijwel zeker dat ik dat initiatief nooit had durven nemen. In ieder geval zaten we samen aan dat tafeltje in de mensa met een bord vol boerenkool met worst. Tenminste, ik denk dat het boerenkool met worst was. Ik vermoed dat als ik het aan Anna zou vragen, ze met zekerheid zou beweren dat er die dag erwtensoep op het menu stond, of aardappels, vis en spruitjes.

Ik stelde mij aan haar voor. ‘Ik ben Otto’, zei ik. ‘Mijn naam is Anna’, zei zij. ‘Ah, dan zijn we allebei een palindroom’, merkte ik op. ‘Nee’, hoor ik Anna in gedachten zeggen,’ik merkte op dat we dan allebei een palindroom zijn. Per slot van rekening studeerde ik Nederlands’. Slimme opmerkingen komen namelijk altijd uit de mond van Anna, volgens Anna. Daar ben ik helemaal niet ad rem genoeg voor, volgens haar. Dus als er bij onze kennismaking een slimme opmerking geplaatst zou zijn, dan kan die niet anders dan door haar geplaatst zijn.

In mijn herinnering lachte ze om die opmerking. Een stralende en klaterende lach. Haar ogen leken te glinsteren. Zoals ik al zei, als Anna haar best doet kan ze uitermate charmant zijn. Ik had weinig ervaring met vrouwen. Ik zat altijd in de boeken en had niet de indruk dat vrouwen in een boekenwurm zoals ik geïnteresseerd zouden zijn. Maar Anna gaf me het gevoel dat ze wel degelijk interesse in mij had. Ik weet niet of ik op haar verliefd werd of op de aandacht die ze me gaf of op de indruk die ze op me maakte, maar vanaf dat moment had Anna mij in haar macht.

Twee maanden later trouwden we, althans voor de wet. Het was, op haar verzoek, een eenvoudige gebeurtenis. Een vriendin van haar en mijn oude vriend Anton traden op als getuigen, toen we op maandagochtend op het stadhuis voor de wet trouwden. Op maandag was het trouwen gratis, en waarom zou je geld uitgeven voor iets dat je ook gratis kon krijgen, vond Anna. Toen ik met haar trouwde, kende ik haar nog nauwelijks. Volgens Anna had zij meteen al door wat voor een vlees ze met mij in de kuip had.

Overigens waren we, wat Anna betreft, nog niet echt getrouwd nadat we elkaar op het stadhuis het jawoord hadden gegeven. We waren pas echt getrouwd als we voor de kerk getrouwd waren, had ze besloten. Dus gingen we ieder, nadat we met zijn vieren ergens een kopje koffie waren gaan drinken, naar ons eigen thuis. Ik naar mijn kleine appartement en Anna naar de kamer die ze bij een hospita had gehuurd.

Voordat we daadwerkelijk in de kerk zouden trouwen, moesten we eerst een groot huis vinden. Minstens vijf slaapkamers was Anna’s onverbiddelijke wens. Pas daarna zouden we ook voor de kerk kunnen trouwen. Dat we maanden daarvoor al in het stadhuis waren getrouwd was vooral omdat dat belastingtechnisch gezien handig was. Vanaf dat moment was ik officieel kostwinner en betaalde daardoor minder belasting. Dat geld konden we goed gebruiken, vond Anna en ik zag daar de logica wel van in.

Ik had nog wel voorgesteld om samen in mijn appartement te gaan wonen, maar daar wilde Anna niets van weten. ‘Nee, dan zitten we elkaar maar in de weg’, vond ze. ‘En daar heb ik helemaal geen zin in’, voegde ze er aan toe. Ik wist toen al dat het geen zin had om te proberen haar van gedachten te doen veranderen, dus schikte ik me, omdat ik redeneerde dat een paar maanden op een heel leven samen niet zo heel veel uit zouden maken. En stiekem had ik het ook wel naar mijn zin in mijn eigen appartement, en zag ik er een beetje tegen op om samen te gaan wonen.

Als we samen waren waren we vooral bezig om dingen te regelen. Samen naar een notaris om rechten vast te leggen. Samen naar een makelaar om het zoeken naar een huis te regelen. Samen naar de dominee van haar kerk om het kerkelijk huwelijk voor te bereiden. Samen op zoek naar de beste bakker en de beste cateraar en de beste locatie voor het huwelijksfeest. Hoewel de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat vooral Anna bepaalde wat de beste bakker, cateraar en locatie was, en dat zij ook het huis uitkoos dat we uiteindelijk kochten. Ik had soms het gevoel dat ik voor spek en bonen meedeed in een huwelijksspel waarin ik alleen maar een bijrol leek te spelen.

Hoewel ik uiteindelijk degene was die voor het huis betaalde, was het, vanaf het begin, nadrukkelijk Anna’s huis. Op één ruimte na. Dat was mijn werkkamer. Ik maakte duidelijk dat ik mijn eigen ruimte nodig had om mijn werk goed te kunnen doen en dat die ruimte voor Anna verboden terrein zou zijn. ‘Maar hoe moet ik die dan schoonmaken?’, had ze gevraagd en ik zei: ‘Dat doe ik zelf, die maak jij niet schoon’. ‘Maar jij kan helemaal niet schoonmaken’, zei ze nog, maar ik was op dit punt onverbiddelijk. Als ik Anna zou toestaan mijn kamer op te ruimen, zou ze dat op haar manier doen waardoor mijn orde verstoord zou worden en ik was bang dat ik dan niets meer terug zou kunnen vinden.

‘Maar jij kan helemaal geen orde houden’, beweerde Anna nog. ‘Er is één ruimte in dit huis waar jij niet de baas over bent, Anna, en dat is mijn werkkamer, want als je me die ruimte niet gunt, kan ik mijn werk niet goed doen, en dan kan je het vergeten dat ik een fatsoenlijke kostwinner voor je kan zijn’. Ze keek me wel tien minuten lang verbijsterd aan, nadat ik dat, met een stelligheid die me zelf verbaasde, had gezegd. Toen zuchtte ze en zei: ‘Nou, vooruit dan maar’. Ik geloof dat het de enige confrontatie is geweest die ik ooit van haar gewonnen heb. En ik weet niet zeker of ik die confrontatie wel gewonnen zou hebben als we al voor de kerk getrouwd waren geweest.

Maar vanaf dat moment was er één ruimte in ons huis waar ik de baas was. Waar ik me veilig terug kon trekken om me op mijn werk te concentreren. Waar ik me niet continu hoefde af te vragen aan welke regels ik allemaal moest voldoen. In principe zou ik er zelfs met mijn schoenen aan kunnen vertoeven, iets wat ik in de rest van het huis zeker niet mocht. Niet dat ik dat deed, want dan zou ik bij de voordeur eerst mijn schoenen uit moeten trekken en mijn pantoffels aan moeten trekken om vervolgens mijn schoenen mee naar mijn kamer te nemen om daar mijn pantoffels weer voor mijn schoenen te verwisselen.

Teveel gedoe. Dus had ik ook in mijn eigen kamer mijn pantoffels aan. Maar alleen het idee al dat ik met mijn schoenen aan in mijn werkkamer kon gaan zitten, gaf me een gevoel van vrijheid.