ruud moors ik leef nog aflevering 4
‘Je hebt wel een pittige dame uitgekozen, Otto’, zei Anton, nadat hij met Anna kennis had gemaakt. ‘Weet je wel zeker dat je haar aankan?’. Ik geloof dat ik er een beetje schaapachtig om gelachen heb. ‘En jullie trouwen wel heel snel. Zou het niet verstandiger zijn als je wat langer zou wachten?’. ‘Nou’, zei ik, ‘volgens Anna is het verstandig om zo snel mogelijk voor de wet te trouwen vanwege het belastingvoordeel dat ik dan als kostwinner heb’. ‘Maar weet je wel zeker dat zij de ware voor je is?’, opperde Anton. ‘Ik ben zevenentwintig Anton, en het is niet alsof de vrouwen in een lange rij op me hebben staan wachten. En ik wil graag een gezin. dat weet je toch?’. Anton keek me even zwijgend aan en toen knikte hij zachtjes. ‘Nou ja’, zei hij, ‘ook met een lange verkering weet je niet altijd of je de juiste keuze gemaakt hebt. Daar kom je eigenlijk pas echt achter als je al getrouwd bent.’
Ik was even bang geweest dat Anna en Anton met elkaar zouden schuren, maar dat bleek absoluut niet het geval. Ze leken het prima met elkaar te kunnen vinden. ‘Ik mag Anton wel’, zei Anna, ‘hij komt net als ik uit een moeilijk gezin en begrijpt waar ik het over heb als ik hem vertel hoe zwaar ik het vroeger had. Ik denk dat jij dat moeilijker kan begrijpen omdat jij zo’n lieve moeder had, terwijl mijn moeder echt een kreng was. Totaal onberekenbaar. Net zoals de moeder van Anton’.
Dat was waar. De moeder van Anton was, zoals Anton zelf zei, zo labiel als een deur. Nou weet ik niet hoe labiel een deur is, maar dat was de uitdrukking die Anton gebruikte om zijn moeder te beschrijven. Toch voelde ik me altijd welkom als ik bij Anton op bezoek ging. Zijn moeder leek altijd blij om mij, maar ook andere vrienden van Anton, te zien. Ze ontving ons altijd hartelijk. ‘Ach, mijn moeder is altijd mentaal twaalf gebleven’, zei Anton, en als ik vrienden mee naar huis nam, dan voelde ze zich gezien. Dan was ze net een twaalfjarig meisje met allemaal leuke jongens om haar heen’.
Blijkbaar kan iemand verschillende gezichten hebben. Nou ja, misschien is het dat niet eens, maar kan iemand in verschillende situaties ook een totaal verschillend persoon zijn. Anton vertelde wel eens over de hysterische buien die zijn moeder kon hebben, terwijl het probleem waar ze zo hysterisch over deed helemaal niet zo groot was. Paniekaanvallen om niets. Tegelijkertijd konden wij totaal onverwacht met een vriendengroep bij haar binnenvallen en vond ze dat geen enkel probleem. Mijn moeder wilde dat het liefst van tevoren weten zodat ze er rekening mee kon houden. Niet dat ze anders boos werd, maar dan was ze wel enigszins van haar stuk gebracht. Anton’s moeder niet. Die ging meteen koffie en thee zetten of zelfs pannenkoeken bakken. Alsof ze de gastvrouw op een feestje was.
Mijn moeder was inderdaad een lieverd. Gelukkig maar, want mijn vader was bijzonder streng. Ik heb die man nog nooit zien lachen en zelfs niet zien glimlachen. Zijn snor accentueerde zijn omlaag hangende mondhoeken en zijn wenkbrauwen leken altijd op onweer te staan. Als kind zag ik hem als een verontwaardigde god die afkeurend om zich heen keek omdat zijn omgeving niet voldeed aan zijn hoge verwachtingen. Alsof er niets was dat zijn goedkeuring kon wegdragen. Als ik daar aan denk dan realiseer ik me dat Anna en mijn vader wel op elkaar lijken.
Ik was mijn leven lang bang voor die man. Bang voor zijn afkeuring. Bang dat hij zou besluiten dat ik het niet meer waard was om in zijn nabijheid te mogen vertoeven. Ik probeerde me, ten opzichte van hem, zo onopvallend mogelijk te gedragen omdat niet door hem gezien worden altijd nog beter was dan dat zijn gramschap over mij werd afgeroepen. Daar was niet veel voor nodig. Als mijn hemd uit mijn broek hing omdat ik aan een klimrek had gehangen, en hij dat zag dan riep hij met een bulderende stem waar de rillingen me van over de rug liepen: ‘Doe je hemd in je broek! Je loopt volslagen voor schut zo!’. Die afwijzing ging me door merg en been. Dan had ik het gevoel alsof ik een doodzonde had begaan. Omdat mijn hemd uit mijn broek hing.
Mijn moeder verdroeg mijn vader met een zachtmoedigheid die me nu nog verbijstert. Ten opzichte van haar kinderen was ze de antidode van mijn vader. Tegenover zijn hardheid en intolerantie ten opzichte van alles wat afweek van zijn normen bood zij haar zachtheid en tolerantie aan. Niet dat ze geen normen had en dat ze er niet op stond dat we ons aan die normen hielden, maar ze dwong ze met zachtheid af, niet met hardheid.
Anton was bij haar altijd welkom. We waren bevriend geraakt toen we elf jaar oud waren en waren vanaf dat moment onafscheidelijk. Dus beschouwde mijn moeder hem al snel als een familielid. Mijn vader tolereerde Anton’s aanwezigheid wel, maar hield hem op afstand. Gelukkig maar. Ik had het vervelend gevonden als mijn vader Anton net zo zou behandelen als hij ons deed. Ik denk dat Anton zich dan zeker niet bij ons thuis had gevoeld. Maar als ik het waagde om met een stel vrienden onverwacht binnen te vallen, merkte ik al snel dat mijn moeder zich niet meer op haar gemak voelde omdat mijn vader dan nog chagrijniger dan anders werd. Toch zei ze er niets van. Maar ik voelde het wel aan, dus besloot ik geen stel vrienden meer mee naar huis te nemen, om haar niet in een lastig parket te brengen. Gelukkig was het nooit een probleem als Anton langs kwam.
Als we met een stel waren gingen we naar Anton’s huis, waar zijn moeder ons altijd hartelijk ontving.
Anton is altijd mijn beste vriend gebleven, tot aan zijn dood toe. Ik mis hem nog elke dag. iedere keer als we elkaar gezien hadden voelde ik me weer energiek, alsof alleen zijn aanwezigheid mijn energie een enorme boost had gegeven. Alsof het hele leven lichter werd door zijn aanwezigheid. Als Anton een vrouw was geweest dan was ik met hem getrouwd. Anton is overigens nooit getrouwd. ‘Ik ben gewoon liever alleen’, zei hij als iemand daar een opmerking over maakte. ‘Maar heb je dan nooit behoefte aan een vrouw’, vroeg Anna ooit. ‘Nee’, zei hij, ‘ik niet’.
Ik heb hem eigenlijk nooit gevraagd waarom niet. Misschien had het te maken met zijn moeder en was hij bang voor vrouwelijke hysterie, maar tegelijkertijd kon hij heel goed met vrouwen opschieten. Hij had niet alleen vrienden, maar ook veel vriendinnen. Maar verkering met een vrouw zat er niet in. Zijn moeder begreep daar niets van. ‘Je kan vrouwen genoeg krijgen’, vond ze, ‘dus je kan kiezen. Ik begrijp niet waarom je dan alleen wil blijven’. ‘Nou, er zit geen vrouw tussen die ik wil’, antwoordde Anton. ‘Daar krijg je nog spijt van’, meende zijn moeder, ‘want op een gegeven moment ben je oud en alleen en wie moet dan voor je zorgen’. ‘Mam, ik zorg nu al jaren voor mezelf en dat gaat prima’, meende Anton.
En dat was ook zo. Hij woonde in een klein appartement dat bijna net zo schoon was als ons huis. Anton was ook een uitstekende kok en schaamde zich niet om met een keukenschort voor het fornuis te staan of aan het aanrecht om af te wassen. Vriendinnen mochten hem wel helpen als hij zijn vriendenkring uitnodigde voor een etentje, maar alle voorbereidingen had hij dan allang zelf gedaan. ‘Alles wat een vrouw kan, kan een man in principe ook’, zei hij, ‘en andersom is het ook waar. Alles wat een man kan, kan een vrouw in principe ook’.
‘Ja, maar vrouwen zijn gewoon beter in het huishouden’, beweerde Anna. ‘Dat klopt over het algemeen wel’, beaamde Anton, ‘maar dat is zo omdat vrouwen dat beter hebben geleerd en omdat mannen denken dat het van mannelijkheid getuigt om geen huishoudelijk werk te kunnen doen. Dan zijn ze er trots op dat ze nog geen kopje koffie kunnen zetten. Maar hoe dom moet je wel niet zijn om trots te zijn op het feit dat je iets niet kunt’. ‘Daar heb je wel gelijk in’, moest Anna toegeven. ‘Maar jij bent wel de uitzondering die de regel bevestigt’, voegde ze er snel aan toe.
Ik heb me wel eens afgevraagd of ik wel met Anna getrouwd zou zijn als ik had geleerd voor mezelf te zorgen. Misschien had ik er dan, net als Anton, voor gekozen om alleen te blijven.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: