Ik werd vrijgesteld van dienst en hoefde dus niet naar Indonesië toen daar de onafhankelijkheidsoorlog uitbrak. Toen Anton mij kwam vertellen dat hij wel was opgeroepen, was mijn eerste reactie: ‘Dan meld ik mij ook vrijwillig aan’. Anton reageerde als door een wesp gestoken. ‘Ben je helemaal gek geworden’, bulderde hij, en zijn ogen leken vuur te spuwen, ‘waarom zou je?’. ‘Eh, uit solidariteit met jou en misschien ook wel voor het avontuur’, zei ik weifelend.

‘Ik ga niet’, zei Anton. ‘Maar als je opgeroepen wordt dan moet je’, meende ik. ‘Ik moet helemaal niks’, zei Anton, ‘waarom zou ik naar Indonesië gaan om de mensen die daar onafhankelijk willen zijn te onderdrukken terwijl wij zelf net bevrijd zijn van het juk van de Duitsers?’. ‘Ja maar dat is totaal iets anders’, probeerde ik nog. Anton zuchtte. ‘Die mensen in Indonesië hebben gelijk dat ze zich van ons willen bevrijden. Wij hebben daar helemaal niks te zoeken. Ze hebben net zoveel recht op zelfbeschikking als wij hebben’. ‘Ja maar Indonesië is al honderden jaren van ons’, probeerde ik nog. ‘Dan wordt het tijd dat we daar eindelijk eens opsodemieteren’, zei Anton met een felheid die ik niet van hem gewend was.

Anton ging niet. Hij weigerde omdat hij, zoals hij zelf zei, gewetensbezwaren had. ‘Maar als de overheid je die opdracht geeft, dan moet je die uitvoeren’, vond ik. ‘O, dus bevel is bevel’, antwoordde Anton onderkoeld. ‘Ja, nee, zo bedoel ik het niet’. Ik wist eigenlijk niet precies wat ik bedoelde. Eigenlijk had ik gewoon nog niet echt nagedacht over de kwestie Indonesië. Net zoals ik nog nooit nagedacht had over de mogelijkheid te weigeren om iets te doen wat de overheid van me vroeg.

‘Mijn geweten zegt mij dat ik aan de verkeerde kant vecht als ik in Indonesië ga vechten’, zei Anton stellig, ‘en gehoorzamen aan mijn geweten vind ik belangrijker dan gehoorzamen aan de overheid’. ‘Maar ja, als iedereen dat zou doen’, probeerde ik nog, ‘dan hadden die dienstplichtige Duitsers er wellicht nooit voor gekozen om ons land binnen te vallen’, vulde Anton mijn zin aan, ‘en dan was de wereld wellicht een wereldoorlog bespaard gebleven’.

Het gevolg was dat Anton veroordeeld werd voor dienstweigering, daardoor een strafblad had en een gevangenisstraf moest uitzitten. Dat deed me pijn. Anton had geen misdaad begaan. Hij was alleen maar ongehoorzaam geweest. Hij had alleen maar geweigerd om iets te doen dat hij als hij naar zijn eigen geweten luisterde niet kon doen. En hoe langer ik er over nadacht, hoe beter ik het begreep. Zeker nadat bekend werd wat voor een oorlogsmisdaden wij in Indonesië hebben begaan.

Achteraf besef ik dat Anton gewoon gelijk had. Dat hij volkomen terecht geweigerd had om in Indonesië te gaan vechten. En dat de gevolgen van die terechte weigering ook weer onterecht waren. De overheid wist dat ze fout had gezeten toen ze besloten had om zich militair te verzetten tegen de onafhankelijkheid van Indonesië. Dan was het wel zo netjes geweest om degenen die terecht geweigerd hadden daaraan mee te doen te rehabiliteren. Maar dat weigerde de overheid decennia lang. Degenen die gelijk hadden gehad door niet naar Indonesië te gaan betaalden daar een hoge prijs voor, terwijl degenen die fout hadden gezeten daar geen enkele negatieve gevolgen van ondervonden. Maar ook dat is wellicht niet waar, want als je fout hebt gehandeld, ook al is het in opdracht, dan ondervind je daar wel degelijk schade van.

Ik ben achteraf blij dat ik me niet vrijwillig heb aangemeld om in Indonesië te gaan vechten. Voordat Anton vertelde dat hij was opgeroepen had ik dat wel al overwogen. Niet dat het vechten mij trok, maar daar dacht ik, voordat ik met Anton sprak helemaal niet over na. Wat me trok was de mogelijkheid ‘iets van de wereld te zien’, een lange reis te maken en met eigen ogen te aanschouwen hoe het er aan de andere kant van de aardbol uitzag.

Dat ik dan ook zou moeten leren schieten en wellicht mensen zou moeten doden, daar dacht ik gemakshalve maar niet over na. Dat was een abstracte prijs die ik voor dat avontuur zou moeten betalen. Anton wees me op de hoogte van die prijs. ‘Geen soldaat komt ongeschonden uit een oorlog’, zei hij, ‘zelfs als je zelf niet schiet ben je onderdeel van een moordmachine’. ‘Als het zelfverdediging is, is het geen moord’, wierp ik tegen. ‘Als jij daar gaat vechten en een Indonesiër schiet jou uit zelfverdediging dood of jij schiet die Indonesiër uit zelfverdediging dood, wie is dan verantwoordelijk voor de dood van jou of van die Indonesiër?’, bracht Anton daar tegenin. ‘Jullie moeten je allebei tegen elkaar verdedigen omdat iemand dat besloten heeft, omdat er mensen zijn die dat besloten hebben. Die hebben besloten dat het oké is als jullie elkaar vermoorden. Dat jullie elkaar uit zelfverdediging doden doet daar niets aan af. Dat is waarom ik het een moordmachine noem’.

Zo had ik er nog nooit over gedacht, nog nooit over willen denken. ‘Stel dat de leiders van een land besluiten om het leger in te zetten om een ander land te bezetten en dat leger vertikt het, wat dan?’, opperde Anton. ‘Maar dat gaat nooit gebeuren’, zei ik zelfverzekerd. ‘Nee’, zei Anton, ‘maar als het zou gebeuren dan zou er nooit meer oorlog zijn. Dan zouden leiders van een land wel kunnen besluiten dat ze een ander land willen annexeren, maar dan zou dat nooit lukken’. Ja als’, zei ik, ‘as is verbrande turf’. ‘Maar stel dat ons leger had geweigerd naar Indonesië te gaan’, ging Anton verder met zijn redenering, ‘dan zou Indonesië alleen maar sneller zelfstandig zijn geweest, dan zouden de mensen in Indonesië niet zo’n pokkenhekel aan ons hebben en dan zouden al die soldaten niet voor niets gesneuveld zijn’.

Anton had natuurlijk gelijk, maar zo werkt het niet in de wereld. Dat wist Anton zelf ook wel. ‘Maar je moet die vragen wel stellen’, vond hij. ‘Hoe kan het dat iemand als Hitler of Stalin of Mao een heel volk aan zich kan onderwerpen? Dat is toch raar’, vond hij. ‘Maar dat is toch altijd zo geweest’, bracht ik er tegen in. ‘Dat is geen antwoord op die vraag’, vond hij. ‘Hitler was geen superman. Hij had geen superkrachten. Hij kon niet in zijn eentje de wereld aan zich onderwerpen. Dus hoe kan het dat zo’n onbenullig mannetje die, als je naar zijn toespraken luistert, vooral bombastische taal uitsloeg vol ongefundeerde meningen, een heel volk en bijna een heel continent aan zich wist te onderwerpen? Als iedereen zijn schouders had opgehaald over de onzin die hij uitkraamde, dan had hij hooguit als dorpsgek carrière kunnen maken. Dus hoe kan het dat zo’n onbenul zoveel mensen aan zich wist te onderwerpen?’. ‘Ja, weet ik veel’, zei ik.

Maar toen Anton die vraag eenmaal in mijn hoofd had geplant, bleef ik er mee bezig. Hoe kan één mens duizenden, miljoenen en zelfs ruim een miljard mensen aan zich onderwerpen? En hoe kan het dat dat elke keer weer opnieuw gebeurt in de geschiedenis. Dat is niet omdat diegene die zoveel macht heeft intelligenter, geestelijk en lichamelijk gezonder, knapper, sterker of zelfs charismatischer is dan anderen. ‘De vraag is waarom wij onszelf toestaan om iemand anders boven ons te plaatsen’. Toen Anton dat zei, begreep ik waar hij heen wou. Maar ik begreep ook dat ik mij die vraag ook persoonlijk aan moest trekken.

Anton had besloten dat hij over zichzelf ging en dat er niemand was waar hij zich aan wilde onderwerpen. Dat wilde niet zeggen dat hij niet naar anderen luisterde, integendeel. Hij wilde zich niet aan anderen onderwerpen maar hij wilde ook anderen niet aan hem onderwerpen. ‘Ieder mens is autonoom’, vond hij. ‘Ieder mens behoort zichzelf toe en is daarom zelf verantwoordelijk voor alle gedrag dat hij of zij pleegt. En ook voor de gevolgen van dat gedrag’.

‘Er is een verschil tussen mensen die autoritair zijn en mensen die autoriteit hebben. Mensen die autoritair zijn verdragen het niet als je hen tegenspreekt of kritische vragen stelt, mensen die autoriteit hebben, hebben daar geen enkel probleem mee. Autoriteiten hebben echt verstand van zaken en kunnen zich altijd verantwoorden. Dat zijn mensen waar ik graag naar luister omdat ik er veel van kan leren. Autoritaire mensen hebben helemaal niet zoveel verstand van zaken, maar zullen dat nooit toegeven. Die denken dat hun mening belangrijker is dan feiten, dat feiten ondergeschikt zijn aan hun meningen.

Autoritaire mensen zijn degenen die willen dat anderen zich kritiekloos aan hen onderwerpen, zodat ze die anderen kunnen gebruiken om hun eigenbelang na te streven. Ze offeren hun medemensen zonder scrupules op als ze dat nodig achten om hun ambities te verwezenlijken. Als het een autoritair persoon lukt om absolute macht vergaren, dan valt hij iedereen die ook maar de minste kritiek op hem heeft aan. Dan worden intellectuelen en dissidenten die zich tegen hem verzetten in het gevang gegooid, of vergiftigd, of uit een raam geknikkerd, of met de doodstraf bedreigd. Het doet er niet toe of die kritiek terecht is of niet. Een autoritair persoon leert nooit van zijn fouten. Al was het maar omdat hij ze nooit toegeeft. Daarom moet je je nooit onderwerpen aan een autoritair persoon. Niet als het de leider van je land is, niet als het je baas is en ook niet als je per ongeluk met zo iemand getrouwd bent’.

‘Ben je daarom nooit getrouwd?’, vroeg ik met een knipoog. Hij glimlachte even maar antwoordde niet. Anton is nooit getrouwd, maar is altijd trouw aan zichzelf gebleven. Hij was niet voor niets de meest trouwe vriend die ik ooit heb gehad.