Anton vertelde me dat hij, toen hij vanwege het dienstweigeren in detentie zat, daar een jehova-getuige had ontmoet. In eerste instantie had hij dat vreemd gevonden, omdat hij dacht dat juist jehova-getuigen zich uit gehoorzaamheid aan de wet zouden houden, dus had hij die man gevraagd waarom hij er zat. Zo was hij er achter gekomen dat jehova-getuigen vanwege hun geloof zich niet mogen onderwerpen aan dienstplicht. Volgens die jehova-getuige waren ze alleen dienst verplicht aan God en had God hen aan zichzelf gegeven. Een overheid had niet het recht om iemand op te eisen als een soort bezit. Althans zo heb ik het begrepen.

Dat zette Anton aan het denken. Vooral omdat hij de gedachtengang van die jehova-getuige wel kon volgen. Als je in God gelooft dan stel je je leven in dienst van God en niet van een wereldse heerser. Het verbaasde Anton dat jehova-getuigen niet vrijgesteld werden van militaire dienstplicht op grond van hun geloof. Vrijheid van religie zou toch leidend moeten zijn. Maar dat was niet zo. Dus alle jehova-getuigen die voor dienst werden opgeroepen kwamen uiteindelijk in de gevangenis terecht.

Mag je mensen eigenlijk wel tot een dienst verplichten, vroeg Anton zich vervolgens af. Een jehova-getuige kiest er voor om dienstbaar te zijn aan zijn God. En daar is niks op tegen. Ook als je vrijwillig in militaire dienst gaat is daar, in principe, niets op tegen. Maar als je als overheid iemand tot militaire dienst verplicht dan behandel je die persoon als een soort bezit. Dan zeg je eigenlijk dat hij een tijdlang niet van zichzelf, maar van de staat is. En dat is principieel onjuist, vond Anton.

Ik bracht daar tegenin dat je toch deel uitmaakt van een groter geheel en dat je daardoor ook verplichtingen hebt ten opzichte van dat grotere geheel. ‘Maar betekent dat ook dat dat grotere geheel je tot een dienst mag verplichten?’, opperde Anton. ‘Ja, dat lijkt mij wel’, zei ik, ‘want je profiteert toch ook van dat grotere geheel’. Maar wie, in dat grotere geheel, bepaalt dan welke verplichtingen jij of ik op ons zouden moeten nemen?’, vroeg Anton. ‘Nou ja, degene die daarvoor is aangesteld’, zei ik. ‘Maar wie bepaalt dan wie daarvoor wordt aangesteld’, redeneerde Anton verder. ‘Ja, hallo, zo kun je wel door blijven gaan’, reageerde ik enigszins geïrriteerd.

‘Ik vind dat je je inderdaad moet afvragen op welk basisidee die ongelijkheid gebaseerd is’, zei Anton, en ik kon aan zijn gezicht zien dat hij het serieus meende. ‘Het is nogal wat als iemand beslist dat jij of ik in militaire dienst moeten gaan om daar onder strikte gehoorzaamheid de bevelen die ons door anderen worden gegeven op te volgen. Want feitelijk betekent die beslissing dat ik geacht wordt mijn geweten uit te zetten. En dat betekent weer dat ik de verantwoordelijkheid voor mijn handelen uit handen zou moeten geven. Dat is nogal wat Otto, dat is nogal wat!’.

Het duizelde me even. Anton had soms redenaties die mij zo vreemd waren dat ik in eerste instantie niet wist wat ik er van moest denken. ‘Wat bedoel je precies?’, vroeg ik. ‘Wat ik bedoel is dat ik mij verantwoordelijk voel voor mijn handelen en daardoor ook voor de gevolgen van mijn handelen. Die verantwoordelijkheid kan ik niet uit handen geven. Ook als iemand anders mij de opdracht geeft om iets te doen dat tegen mijn geweten in gaat, betekent dat niet dat mij dat van die verantwoordelijkheid voor de gevolgen van dat handelen ontslaat. Dan kun je wel zeggen ‘bevel is bevel’ en ik heb alleen maar gedaan wat van me gevraagd werd, maar dat ontslaat je nooit van je verantwoordelijkheid. Dat is waarom ik niet in militaire dienst ben gegaan’, zei Anton en toen begreep ik wat hij bedoelde.

‘Vrijheid en verantwoordelijkheid nemen zijn twee kanten van dezelfde medaille’, vervolgde hij, ‘vrijheid betekent niet dat je gewoon maar kunt doen waar je zin in hebt. Het betekent dat je de volle verantwoordelijkheid voor je handelen op je neemt. Of ben je het daar niet mee eens?’. ‘Ja’, zei ik, ‘daar ben ik het wel mee eens’. ‘En dat is waarom je helemaal niet tot een dienst verplicht mag worden, vind ik’, zei Anton, ‘niet tot militaire dienstplicht en niet tot maatschappelijke dienstplicht’. ‘Nou ga je wel heel erg ver’, vond ik.

‘Slaven, horigen en lijfeigenen moeten doen wat een ander hen opdraagt. Als ze er voor kiezen om dat niet te doen wordt er geweld tegen hen gebruikt. Ze zijn dus niet vrij omdat een ander beslist tot welke dienst zij verplicht worden. Ben je het daarmee eens Otto?’. Ik voelde aan mijn water dat Anton me een bepaalde denkwijze aan het inlokken was. Ik wist niet of ik dat wel wilde. ‘Nou ga je wel heel erg ver’, probeerde ik nog, maar Anton was onverbiddelijk.

‘Als een medemens jou dwingt om een dienst te verlenen, op zijn voorwaarden, zonder dat jij daar verder nog iets over te zeggen hebt, op straffe van fysiek of psychologisch geweld, dan ontneemt die persoon jou je vrijheid en maakt jou tot zijn slaaf. Iemand verplichten om bepaalde diensten te verlenen is, per definitie, iemand tot slaaf maken’. ‘Nou, dat vind ik wel heel erg extreem’, zei ik, enigszins geschokt. ‘Een slaaf is iemand die gedwongen wordt om te doen wat een ander van hem eist. Alleen als iemand er voor kiest te doen wat een ander van hem vraagt, is die persoon geen slaaf van de ander’, zei Anton beslist. ‘Als ik aan jou vraag of je mij wil helpen met verhuizen en jij stemt daarmee in, is er geen sprake van slavernij. Ik vraag van jou een dienst en jij besluit mij die dienst te verlenen. Maar als ik jou daar toe zou dwingen, door je een pistool tegen je hoofd te houden en je te vertellen dat ik je anders doodschiet, dan behandel ik jou niet als een vrij mens, maar als een mens waarover ik mag beslissen. Als een slaaf dus.’

Ik kon niet ontkennen dat Anton hier een punt had. ‘Ja, dat klopt wel’, zei ik enigszins aarzelend. ‘Maar als niet ik, maar de overheid jou tot een dienst dwingt, is dat dan niet precies hetzelfde?’, opperde Anton. ‘Maar dat is toch in het belang van de gemeenschap’, meende ik. ‘Zelfs als dat zo is’, beweerde Anton, ‘dan nog word je door die overheid als slaaf behandeld. Met als excuus dat dat zou mogen omdat de gemeenschap, de maatschappij, het land daarmee gediend is. Maar is het land wel gediend met het maken van slaven van burgers ten bate van dat land? Daar zit toch iets tegenstrijdigs in. Want je wordt geacht in dienst te moeten gaan om de vrijheid te verdedigen. Dat betekent dat je wordt gevraagd om te accepteren dat je tot slaaf gemaakt wordt om je vrijheid te verdedigen. Dat is toch paradoxaal’.

Soms duizelde het me als Anton argumenteerde. Dat was niet omdat zijn argumenten niet klopten, maar omdat ze afweken van alles dat ik als logisch had leren accepteren. Ik snapte wel dat Anton de vinger op de zere plek had gelegd, maar ik had toch het gevoel dat het niet helemaal klopte. Een mens staat niet op zichzelf en is onderdeel van een groter geheel en daar horen bepaalde verantwoordelijkheden bij. Dat zei ik hem ook. ‘Want wie gaat het land verdedigen als niemand in het leger wil’, voegde ik er nog aan toe.

‘Ik wist dat je met dat argument zou komen’, lachte Anton, ‘maar vind je dan ook dat mensen gedwongen mogen worden om aardbeien te gaan plukken als er een tekort aan aardbeienplukkers is, of dat mensen verplicht zouden mogen worden een jaar lang als putjesschepper te moeten werken, als daar een tekort aan zou zijn, zelfs als die mensen een universitaire studie hebben afgerond?’. ‘Dat is heel wat anders’, vond ik.

‘Nee hoor’, zei Anton, ‘dat is niet wezenlijk anders. Als er een tekort aan aardbeienplukkers is dan lossen we dat niet op door willekeurige mensen te verplichten aardbeien te gaan plukken. Als er een tekort aan putjesscheppers is dan lossen we dat niet op door willekeurige mensen te verplichten putjes te gaan scheppen. Dan horen we dat op te lossen door aardbeienplukken of putjes scheppen aantrekkelijker te maken zodat meer mensen het vrijwillig willen doen. Bijvoorbeeld door het uurloon voor dat soort werk te verhogen. Niet door mensen daartoe te verplichten. En hetzelfde geldt voor militaire dienst. Als te weinig mensen zich vrijwillig voor militaire dienst aanmelden dan horen we militaire dienst aantrekkelijker te maken, zodat meer mensen er uit vrije wil voor kiezen om in militaire dienst te gaan’.

‘Maar we zijn  toch allemaal verantwoordelijk voor de verdediging van ons land’, wierp ik tegen. ‘Maar dat betekent niet dat we ook allemaal in militaire dienst moeten’, zei Anton. ‘We zijn ook allemaal verantwoordelijk voor een goede infrastructuur, voor goede wegen , een goed elektriciteitsnet, schoon water en noem maar op. Maar dat betekent niet dat iedereen gedwongen moet worden om wegen aan te leggen, of een elektriciteitsnet of wat dan ook. Dat betekent dat we met zijn allen moeten bijdragen aan de kosten. En dat doen we door middel van belastingen. Het aanleggen van wegen laten we over aan de mensen die daar goed in zijn. Het aanleggen van een elektriciteitsnet idem dito. En wat mij betreft geldt dat ook voor het leger.

Zorg dat je de juiste mensen op de juiste plek krijgt. Dat mensen die goed kunnen metselen, timmeren, waterleidingen en elektriciteit aanleggen en beton kunnen storten, huizen bouwen. Dat mensen die goed zijn en plezier hebben in het werken in de zorg dat werk graag willen doen en dat mensen die dol zijn op het maken van rekensommen als accountants en belastingconsulenten willen werken. Dat laat je toch ook niet aan willekeurige mensen over, door die tot die diensten te verplichten, maar aan gemotiveerde mensen die dat uit vrije wil doen’.

‘Ik weet niet zeker of ik het met je eens ben’, zei ik, ‘daar moet ik echt eens een nachtje over slapen’. Anton grinnikte. ‘Ik hoop niet dat je er hoofdpijn van gekregen hebt’, zei hij. ‘Nee, dat is niet zo, maar het duizelt me wel’, zei ik. Anton zette me vaak aan het denken, ook over dingen waar ik eigenlijk helemaal niet over na wilde denken. Tot op de dag van vandaag weet ik niet of, of in hoeverre, ik het met hem eens ben of niet.