Ik heb me vaak afgevraagd wat ik gedaan zou hebben als ik in Anton’s plaats geweest zou zijn. Als ik wel als dienstplichtige opgeroepen zou zijn en de opdracht zou hebben gekregen om in Indonesië te gaan vechten. Ik denk dat ik geen moment getwijfeld zou hebben, maar gewoon was gegaan. Hoewel ik respect heb voor de principiële keuze die Anton daarin gemaakt heeft, weet ik nog niet eens zeker of ik het in principe wel met hem eens ben.

Ik heb al jong geleerd dat je je niet moet verzetten tegen autoriteiten, en dat je je maar kritiekloos te voegen hebt. ‘Wie denk jij wel niet dat je bent snotneus!’, kon mijn vader nog woedend uitroepen toen ik al ruim in de dertig was en dacht dat ik nu wel gewoon kon zeggen wat ik dacht. Dan liepen de rillingen me weer als van oudsher over de rug en kon ik nog alleen maar een ‘sorry papa’, prevelen. Niet omdat ik het met hem eens was, maar omdat ik zijn toorn nog steeds niet kon verdragen, laat staan dat ik in staat zou zijn geweest om me er niets van aan te trekken. Laat staan dat ik in staat zou zijn geweest me er tegen te verzetten.

Als ik wel het leger in had gemoeten dan had ik, denk ik, alle bevelen die me gegeven werden kritiekloos uitgevoerd. Als mijn sergeant dan de opdracht had gegeven om een granaat in een hut te gooien, dan had ik dat gewoon gedaan, zonder zelfs maar na te durven denken over de gevolgen daarvan. En als ik er vervolgens achter was gekomen dat er alleen maar een oude man met zijn dochter en haar twee kleine kinderen in die hut aanwezig zouden zijn geweest, dan zou dat beeld me mijn hele leven hebben achtervolgd. Maar dan nog zou ik mezelf hebben wijsgemaakt dat ik niet anders kon omdat ik dat bevel van een hogergeplaatste had gekregen.

Als je wordt opgevoed met het idee dat je kritiekloos gehoorzaam hoort te zijn aan iemand die, om wat voor een reden dan ook, een hogere maatschappelijke positie dan jij bekleedt, dan doe je wat van je gevraagd wordt, zelfs als het tegen je eigen intuïtie of geweten ingaat. Ik weet dat dat bij mij niet anders is. En ondanks dat ik me daar lang niet altijd prettig bij voel, heb ik wel het idee dat het zo hoort. Waar zouden we zijn als iedereen maar zelf zou besluiten wat er zou moeten gebeuren.

‘Draai het eens om’, zei Anton, toen ik hem mijn dilemma voorlegde,’ wat gebeurt er als mensen degenen die boven hen staan kritiekloos gehoorzamen? Dan kan een leider van een land die zijn oog heeft laten vallen op de rijkdommen van een ander land, besluiten om dat land binnen te vallen. Niet omdat zijn land in gevaar is, maar omdat hij de ambitie heeft om meer macht te verkrijgen. Dan roept hij zijn leger op om dat land binnen te vallen zodat de leider van dat land zijn leger weer op moet roepen om zijn land te verdedigen. Aan beide kanten krijgen soldaten dan de opdracht om elkaar te bestrijden en te doden. Niet omdat die soldaten de ambitie hebben om hun macht te vergroten, maar omdat één man dat heeft. Dan kan dat duizenden, tienduizenden, zelfs wel honderdduizenden doden tot gevolg hebben. Allemaal omdat niemand zelf besloot wat er zou moeten gebeuren, maar dat door de mensen liet bepalen die toevallig een hogere maatschappelijke positie hadden en er voor kozen om misbruik van hun macht te maken. Dat is het gevolg van het feit dat de meeste mensen niet zelf besluiten wat er zou moeten gebeuren’.

Het was een sluitende redenering. Dat moest ik toegeven. Maar toch was ik het er gevoelsmatig niet mee eens. Naar mijn  idee zou het hele bestaan maar een chaos worden als iedereen voor zichzelf zou besluiten wat er zou moeten gebeuren. ‘Je hebt geschiedenis gestudeerd’, zei Anton, ‘en dan heb je nog niet door dat de wereld waarin we leven een chaos is doordat we accepteren dat een mens in een bepaalde positie het recht zou hebben alle anderen aan zich te onderwerpen. Dat vind ik vreemd. Alle chaos in de wereld wordt veroorzaakt door de ambities die machtige mensen koesteren en het dedain dat ze hebben voor de belangen van het gewone volk’.

Zo had ik de geschiedenis nog nooit geïnterpreteerd. Ook hier kon ik niet veel tegen Anton’s redenatie inbrengen. ‘Maar er zijn toch ook goede leiders geweest. Leiders die voor vrede en welvaart zorgden’, wierp ik tegen. ‘Hoeveel van die leiders kun je opnoemen?’, vroeg Anton. ‘Ik neem aan dat je grote veldheren genoeg kent, zoals Alexander de Grote, geroemd omdat hij de toenmalig bekende wereld in zijn eentje heeft weten te veroveren. Die ambitie kostte meer dan honderdduizend mensen het leven. Mensen die werden afgeslacht door zijn leger. Nog los van al die vrouwen en kinderen die als slaven werden verkocht nadat ze door Alexander waren ‘overwonnen’. Zo viel hij ook Perzië binnen. Voordat hij dat land veroverde had daar driehonderd jaar vrede geheerst. Noem mij eens één van de heersers op die het voor elkaar hadden gekregen om een land driehonderd jaar lang niet in een oorlog te storten. Om een land driehonderd jaar lang in vrede te laten leven. Ik durf er om te wedden dat je er niet één op kunt noemen. Maar die klootzak die die driehonderd jaar vrede met zijn gewelddadige verovering verstoorde staat wel in de geschiedenisboeken. Als een voorbeeld van een groot veldheer’.

Ik stond met mijn mond vol tanden. Natuurlijk had ik de veldslagen van Alexander de Grote uitgebreid bestudeerd. Maar de heersers die Perzië driehonderd jaar lang vrede hadden bezorgd komen in de geschiedenisboeken nauwelijks voor. Ik had ze althans niet paraat. Daardoor realiseerde ik me eigenlijk pas voor het eerst dat de geschiedenis zoals ik die had gestudeerd vooral de geschiedenis van oorlog en ellende is. Hoewel dat natuurlijk niet voor alle geschiedenis geldt. Het maakt nogal verschil uit of je het over politieke geschiedenis, economische geschiedenis, wetenschappelijke geschiedenis of religieuze geschiedenis hebt. Hoewel al die geschiedenissen ook weer nauw met elkaar verbonden zijn.

‘Maar feitelijk is het altijd zo geweest’, zei ik, ‘dus daar verander je toch niet zomaar iets aan’. ‘Ik denk dat je daarin gelijk hebt’, zei Anton en dat verbaasde me. Ik had verwacht dat hij ook dat zou proberen te weerleggen. ‘Maar dat iets altijd zo geweest is, althans voor zover wij weten, betekent niet dat je je er daarom aan moet conformeren’, vervolgde hij. ‘Er zijn altijd mensen geweest die, ondanks dat ze heus wel wisten dat je niet zomaar iets aan een situatie kunt veranderen, toch hebben geprobeerd om er kritisch naar te kijken. Dat iets altijd zo geweest is betekent niet dat iets ook altijd zo moet blijven. En ook al kun je de wereld maar een heel klein beetje veranderen, door je, daar waar je kunt, te verzetten, dan is dat mijns inziens meer dan de moeite waard’.

‘Maar dan loop je wel een groot risico’, zei ik. ‘Ja’, zei Anton, zoals Jezus Christus die ervoor aan het kruis genageld is’. ‘Maar jij bent Jezus Christus toch niet’, meende ik op te moeten merken. Er kwam een lichte grijns op Anton’s gezicht. ‘Hoe weet je dat zo zeker?’, vroeg hij. Ik schoot in de lach. ‘Ja’, zei ik, ‘dat weet ik inderdaad niet zeker, maar ik ga er vanuit van niet’. ‘Dat lijkt mij inderdaad wel verstandig’, zei Anton met een twinkeling in zijn ogen.

En toch. Hoewel ik zijn argumenten overtuigend genoeg vond, bleef ik het gevoelsmatig niet met hem eens. Maar misschien was dat wel een keuze. Want als ik zijn gelijk zou erkennen dan zou ik mijn houding ten opzichte van autoriteiten moeten veranderen. En het is niet dat ik dat niet zou hebben gewild, maar om eerlijk te zijn durfde ik dat niet. Angst weerhield me ervan om het volledig met Anton eens te durven zijn. Achteraf had ik gewild dat ik meer lef had gehad. Want hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik Anton’s standpunten begrijp.

Want eigenlijk is het ook een vorm van gemakzucht, van het ontlopen van verantwoordelijkheid. Ik geloof dat ik dat mijn hele leven lang gedaan heb. Het is gemakkelijker om je te laten domineren dan om je eigen vrijheid op te eisen. Ik heb wel eens ergens gelezen dat mensen bang zijn voor de vrijheid. Dat herken ik wel. Ik heb in ieder geval niet de moed om me te verzetten als iemand zich dominant ten opzichte van mij gedraagt. Als dat gedoe geeft lijkt het me gewoon makkelijker om maar toe te geven. Daarom is Anna ook de baas in huis en niet ik. Het is gewoon makkelijker haar haar zin te geven dan tegen haar in te gaan.