ruud moors vriendschap aflevering 1
‘Elke dag lijkt hetzelfde, maar elke dag is anders’, zeg ik. “Elke appel lijkt hetzelfde, maar elke appel is anders’, reageert Anke. ‘Elke man lijkt hetzelfde maar elke man is anders’, voegt Dora er aan toe en dan schieten we alledrie in de lach. Eigenlijk weten we alledrie niet precies waarom. ‘Wat weet jij nou van mannen?’, grinnikt Anke, ‘je hebt nog nooit een man gehad’. ‘En wat weet Gertrude nou van dagen? Ze heeft nog nooit een dag gehad’, giechelt Dora. ‘Tja’, zeg ik tegen Anke, ‘wat weet jij nou van appels? Je hebt één keer een appel gegeten en toen was je strontziek, weet je nog?’. ‘Ja, ik bleek allergisch voor appels’, geeft Anke toe. ‘Dat heb ik nou met mannen’, zegt Dora met een grijns. Zowel Dora als Anke kijken mij verwachtingsvol aan. ‘Nee’, zeg ik beslist, ‘ik ben niet allergisch voor dagen, integendeel’.
‘Als we mannen waren dan zouden we ons de drie musketiers noemen’, zei Anke ooit. ‘Nou dan noemen we ons toch de drie musketiersters’, meende Dora. Maar uiteindelijk vonden we dat ook geen goede naam. ‘Misschien moeten we ons Vrouwen Met Een Visie noemen’, stelde ik voor. Daar had niemand bezwaar tegen. We vinden onszelf ook echt Vrouwen Met Een Visie. We hebben namelijk overal wel een idee over. En als we niet één idee hebben dan hebben we er wel meerdere. Hoe meer visies hoe beter. Over één ding zijn we het namelijk altijd eens en dat is dat we het nergens over eens hoeven te zijn. Toch denken we over veel zaken hetzelfde.
We zijn het er over eens dat de vriendschap die we met zijn drieën hebben heel bijzonder is. Niet omdat we denken dat er geen andere mensen bestaan die eenzelfde soort vriendschap hebben, maar omdat elke vriendschap uniek is. Daar hadden we laatst nog een discussie over. ‘Elke vriendschap is uniek zoals elke sneeuwvlok uniek is’, vond Dora. We keken haar verwachtingsvol aan maar het bleef stil. ‘Wat bedoel je?’, vroeg Anke. ‘Ik heb ooit gelezen dat geen enkele sneeuwvlok precies gelijk is aan een andere sneeuwvlok, maar toch is iedere sneeuwvlok evenveel sneeuwvolk als iedere andere sneeuwvolk’, zei Dora.
‘Hoe weten ze dat geen enkele sneeuwvlok precies gelijk is aan een andere sneeuwvlok?’, vroeg ik. ‘Wat bedoel je?’, vroeg Dora. ‘Nou, hoe hebben ze dat onderzocht?’, vroeg ik. ‘Hebben ze alle sneeuwvlokken die er ooit gevallen zijn onderzocht? Hoe dan?’. ‘Ja, weet ik veel’, zei Dora, ‘ik heb dat ooit ergens gelezen en het leek mij wel plausibel. Elke sneeuwvlok heeft een bepaalde structuur en geen twee sneeuwvlokken hebben precies dezelfde structuur’. ‘Ja, maar hoe weten ze dat dan?’, hield ik vol. ’Als je niet alle sneeuwvlokken stuk voor stuk hebt onderzocht, dan kan je toch niet zeker weten of er niet toevallig twee totaal identieke exemplaren tussenzitten’.
Dora keek me aan met gefronste wenkbrauwen. ‘Ze heeft wel een punt’, zei Anke, ‘als je niet elke sneeuwvlok in kaart brengt, in een database stopt om vervolgens al die miljarden, wat zeg ik triljarden, misschien wel miljarden keer triljarden sneeuwvlokken met elkaar te vergelijken, dan kun je nooit zeker weten of er niet, tussen al die verschillende sneeuwvlokken die er ooit gevallen zijn, twee exemplaren zitten die precies, maar dan ook precies op elkaar lijken’.
‘Nou ja’, zei Dora, ‘dan kun je ook niet stellen dat onze vriendschap uniek is, want dan zou je alle vriendschappen die er zijn en die er ooit geweest zijn precies in kaart moeten brengen om er zeker van te zijn dat er niet ergens een vriendschap tussen drie mensen is, of is geweest, die precies op onze vriendschap lijkt’. ‘Maar dat kan alleen als de drie personen die die vriendschap voor elkaar voelen alledrie sprekend op ieder van ons lijken’, meende Anke. ‘En dat is hoogstonwaarschijnlijk’, meende ik.
‘O en dat is wel ineens hoogstonwaarschijnlijk’, reageerde Dora enigszins geïrriteerd. Ik schoot in de lach. ‘Dora’, zei ik, ‘je hebt een tweelingzus. Die is genetisch identiek aan jezelf. Maar die is niet precies hetzelfde als jij. Met haar ben ik niet bevriend. Niet omdat ze niet aardig is hoor, maar ze is jou niet. Ook al ben je een deel van een tweeling, toch ben je uniek. Wat is dan de kans dat er drie mensen zouden zijn die in alles op ons drieën lijken en dan ook nog het geluk hebben gehad om elkaar tegen te komen?’. ‘Daar heb je wel een punt’, vond Anke. Dora zuchtte eens diep. ‘Maar is het dan ook onmogelijk?’, opperde ze. Daar moesten we even over nadenken. ‘Of het onmogelijk is weet ik niet, maar ik acht het niet erg waarschijnlijk’, meende Anke. ‘Nou’, zei Dora, ‘dan is het misschien niet onmogelijk dat twee sneeuwvlokken precies op elkaar lijken, maar ik acht het hoogst onwaarschijnlijk’. Daar waren Anke en ik het wel mee eens.
Dat onze vriendschap uniek is is overigens op zichzelf niet echt uniek. Elke vriendschap is uniek, denk ik. Geen enkele vriendschap lijkt precies op een andere vriendschap. Het feit dat we een unieke vriendschap hebben is op zichzelf niet bijzonder. Behalve voor ons drieën. Voor ons is onze vriendschap de meest bijzondere vriendschap die er ooit geweest is. Dat komt omdat we onszelf en elkaar bijzonder vinden.
Drie vrouwen met een visie.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: