In elke vriendschap moet er sprake zijn van gelijkwaardigheid’, zeg ik. ‘Nou’, reageert Anke, ‘dat is maar de vraag’. Ik kijk haar verbaasd aan. ‘Het lijkt mij vanzelfsprekend’, zeg ik. ‘Is er wel ooit sprake van echte gelijkwaardigheid?’, oppert Anke. ‘Maar onze vriendschap is toch gelijkwaardig’, stel ik, ‘de vriendschap die wij met zijn drieën hebben, bedoel ik’. ‘Dat is maar de vraag’, zegt Anke, ‘want soms heeft de een de ander harder nodig dan de ander die ene nodig heeft, en als het goed is tast dat de vriendschap niet aan’. ‘Het is ook maar wat je onder gelijkwaardigheid verstaat’. zegt Dora, ‘want dat er een zekere wederkerigheid moet zijn is duidelijk. Als de een altijd een beroep op de ander doet en de ander nooit een beroep op de ene kan doen, dat lijkt vriendschap me feitelijk onmogelijk’.

‘Weet je’, zegt Anke, ‘zelfs dat is de vraag. Op de afdeling waar ik werk zijn twee mensen onafscheidelijk. Als je de ene ziet, zie je de ander ook. Henk is zwakbegaafd en daarbij vrijwel blind. Erik is redelijk begaafd, maar heeft weer andere psychische problemen. Tenminste daar gaan we vanuit omdat hij al dertig jaar in de inrichting vertoeft. Ik denk niet dat hij buiten de inrichting zou kunnen functioneren, maar waarom hij ooit is opgenomen is mij niet echt duidelijk. Ze beweren dat hij een beetje godsdienstwaanzin heeft, maar dat lijkt mij overdreven’.

Als Anke op haar praatstoel zit laten we haar meestal haar gang gaan, nieuwsgierig naar wat ze te vertellen heeft. ‘Ga door’, zegt Dora. ‘Nou ja, Erik is nogal gelovig, maar wel op een mooie manier, vind ik. Zo zij hij laatst tegen mij dat Jezus van me houdt. ‘Ik geloof niet in Jezus, Erik’, zei ik, en weet je wat zijn reactie was? ‘Dat maakt niet uit, zuster Anke, Jezus houdt toch van u’. En dat vind ik mooi. Ik bedoel, hij probeerde mij niet te bekeren en me in Jezus te doen geloven omdat hij er oprecht van overtuigd was dat Jezus van mij houdt, simpelweg omdat Jezus voor hem een en al liefde is. En hoe zou Jezus dan niet van mij kunnen houden? Of ik in Jezus geloof of niet, maakt voor Erik niets uit en dus kan hij zich ook niet voorstellen dat dat voor Jezus wel iets uit zou kunnen maken’. ‘Wow!’, roep ik spontaan uit, ‘wat een mooie manier van geloven’.

‘Ja’, zegt Anke, ‘en als dat godsdienstwaanzin is, dan zou iedere gelovige wat mij betreft wel godsdienstwaanzinnig mogen zijn. Maar goed, ik had het dus niet alleen over Erik maar ook over Henk, een zwakbegaafde man die zowat blind is. Hij heeft weliswaar een bril op met dikke jampotglazen, maar of hij daar ook iets door ziet is absoluut niet zeker. Elke ochtend komt Erik Henk ophalen, vlak na het ontbijt. Dan gaan ze samen naar het toilet, dat wil zeggen, dan brengt Erik Henk naar het toilet. Daarna gaan ze samen op pad, arm in arm. Na de ochtendwandeling brengt Erik Henk weer naar de afdeling terug. Hij zit zelf op een nabijgelegen afdeling en gaat daar de middagmaaltijd gebruiken terwijl Henk dat bij ons doet’.

Anke lacht even, alsof ze zich iets grappigs herinnert. ‘We hebben ooit geprobeerd om Henk te leren alleen naar het toilet te gaan. Dat was toen Erik een week op vakantie was, ik geloof op een boot op de Rijn of zoiets. In ieder geval probeerden we Henk de weg naar het toilet zelf te doen vinden. Dat moest niet zo moeilijk zijn want het toilet ligt maar zo’n tien meter van de tafel af waar hij zijn vaste plaats heeft. Hij moet dan wel een hoekje om, maar dat leek ons geen probleem. We legden hem uit waar hij heen moest gaan en dat hij met zijn handen moest tasten om nergens tegen op te botsen. In het begin vergat hij dat steeds. Hij wilde ook niet. Hij was zo gewend dat iemand hem overal naar toe leidde dat hij helemaal niet wilde leren hoe hij dat zelf kon doen. Maar na een week hadden we hem zover dat hij in ieder geval de weg naar het toilet zelf kon vinden’.

‘En toen?’,vroeg ik. ‘Toen kwam Erik terug van zijn korte vakantie. We namen hem even apart om hem uit te leggen dat we Henk hadden geleerd zelf naar het toilet te gaan en dat hij dat ook kon. Toen riep Henk dat hij naar het toilet moest. Erik stond meteen op en nam Henk onder de arm om hem naar het toilet te brengen. We probeerden nog of we Erik tegen konden houden, maar meteen begon Henk te roepen dat hij heus niet zelf naar het toilet kon. ‘Kom maar’, zei Erik en bracht hem als vanouds naar het toilet. Daarna gingen ze weer samen op stap. Arm in arm. Als vanouds. Tja, wie waren wij om te denken dat we iets konden veranderen aan de relatie tussen Henk en Erik…’. Anke lacht bij de gedachte.

‘Gelijkwaardig is die relatie niet’, zegt Anke’, maar ik zou niet durven beweren dat die twee geen vrienden zijn. Ze hebben het goed samen. De een omdat er iemand is die zich om hem bekommert en de ander omdat hij zich om iemand kan bekommeren. Ik geloof dat ze buiten elkaar niet echt iemand hebben. Ze zijn allebei blij en tevreden met elkaar. Ondanks dat er geen sprake is van gelijkwaardigheid of wederkerigheid’. ‘Nou ja, in zekere zin is hun relatie wel wederkerig’, zegt Dora, ‘want de een geeft de ander wat hij wil en de ander geeft de ene wat hij wil. Zo hebben ze allebei voordeel van de relatie die ze hebben’. ‘Tja, als je dat wederkerigheid noemt’, reageer ik, ‘dan is er inderdaad sprake van wederkerigheid. ‘Dat is de manier waarop Mozi het zag’, zegt Dora stellig. Voor wederkerigheid is gelijk zijn niet nodig. Als ieder maar profijt heeft van de relatie die er is. En feitelijk is dat ook wat gelijkwaardigheid betekent, niet dat mensen gelijk zijn, maar dat ze niet op elkaar neer kijken en elkaar, ondanks de verschillen, als waardevol zien. Dat de een de ander niet als minderwaardig beschouwt’. Ze denkt even na en zegt dan: ‘Mozi zei dat een koning goed moet zijn voor zijn onderdanen en pas dan van zijn onderdanen kan verwachten dat ze loyaal aan hem zijn. Als een koning niet goed is voor zijn onderdanen heeft hij ook niet het recht loyaliteit van die onderdanen te verwachten. Dat is wat Mozi bedoelde met wederkerigheid’. ‘Daar kan ik me wel in vinden’, zeg ik.

Omdat mensen verschillen heeft ook iedereen een eigen rol in een vriendschap. Mensen kunnen niet gelijk zijn aan elkaar. Dan zou je allemaal op elkaar moeten lijken. Dan zou iedereen precies hetzelfde van elkaar moeten verwachten. Maar mensen hebben niet dezelfde verwachtingen of behoeftes. En misschien zoek je daar je vriendschappen wel op uit, of je elkaar kunt aanvullen, niet of je evenveel aan elkaar hebt. Want als je dat laatste als norm hebt dan beschouw je vriendschap als een zakelijke transactie. En als vriendschap iets niet is dan is het een zakelijke transactie. Die kan wel wederkerig zijn, en zelfs vriendschappelijk. Maar het is geen vriendschap. Tenminste, dat denk ik.