Nadat ik Henk aan Huub had voorgesteld vroeg ik aan hem wat hij van mijn nieuwe liefde vond. ‘Nou’, zei hij, ‘ik vond hem wel erg negatief over zijn ex’. ‘Ja, maar dat was ook een kreng’, nam ik het voor hem op. ‘Ken je haar dan persoonlijk?’, vroeg Huub. ‘Nee’, moest ik bekennen, ‘maar ik heb wel een indruk van haar gekregen door Henk’s verhalen’. Huub zuchtte. ‘Waarom zucht je nou?’, vroeg ik geïrriteerd. ‘Je vraagt wat ik van hem vind, maar als ik dat probeer duidelijk te maken wil je dat helemaal niet horen’, zei Huub. ‘Dat komt omdat je veel te snel je oordeel klaar hebt’, reageerde ik gepikeerd, ‘en daar houd ik niet van’. ‘Ik zeg alleen maar dat ik hem erg negatief over zijn ex vond’, zei Huub, ‘en je kan niet ontkennen dat hij dat ook was’.

Ik wilde niet horen wat mijzelf ook al was opgevallen, namelijk dat Henk wel heel vaak heel negatief over zijn ex was. Alsof hij het nodig vond om haar in mijn ogen zwart te maken. Overigens niet alleen in mijn ogen. Hij deed dat vrijwel in elk gezelschap. Dat Huub op mijn vraag wat hij van Henk vond precies datgene benoemde dat ik zelf ook niet prettig aan Henk vond, wilde ik niet horen omdat ik het niet wilde zien.

En Henk kon ook overtuigend aantonen waarom zijn ex de schuld was van het falen van hun relatie. Daarmee suggererend dat het feit dat ze uit elkaar waren gegaan haar schuld was en niet de zijne. Door haar negatief af te schilderen voorkwam hij dat hij het over zijn eigen rol in die relatie hoefde te hebben, denk ik achteraf. Ik denk dat Huub dat intuïtief doorhad en daardoor de vinger op de zere plek legde.

Liefde maakt blind, zeggen ze. Maar misschien is het niet de liefde die blind maakt, maar verliefdheid, de fase die aan liefde voorafgaat. De fase waarin je niet wilt zien wat voor obstakels er zijn tussen die verliefdheid en de liefde die er eventueel uit voortkomt. Ik was zo blij dat er weer eens een man was die aandacht voor me had dat ik te weinig aandacht besteedde aan voortekenen die er op zouden kunnen wijzen dat die man helemaal niet goed voor me zou kunnen zijn.

Diep van binnen wist ik wel dat Huub naar eer en geweten gezegd had wat hij had gezegd en toch nam ik het hem kwalijk. Mijn twijfel reageerde ik op mijn broer af door kwaad op hem te worden omdat hij mij met die twijfel confronteerde. En toen ging ik samen met Henk op vakantie en bleek hij een klootzak te zijn die niet anders kan dan degene met wie hij een relatie heeft kleineren. En nog steeds wilde ik dat eigenlijk niet zien, wilde ik het niet weten. Dus had ik de neiging om mezelf de schuld te geven van de manier waarop Henk mij behandelde.

Gelukkig waren Anke en Dora bereid om me opnieuw met mijn twijfel te confronteren en me duidelijk te maken dat de manier waarop Henk mij meende te mogen behandelen niet deugde. En dankzij hen realiseerde ik me in wat voor een valkuil ik getrapt was. Door het gesprek met mijn vriendinnen wist ik er uit te ontsnappen. Maar als ik beter naar Huub had geluisterd, had ik dat al veel eerder kunnen doen.

‘Ik voel mezelf ongelofelijk stom’, zeg ik tegen Huub. We zitten in mijn keuken aan de keukentafel met ieder een kopje koffie, met slagroom. Als ik die slagroom op de koffie spuit vraagt Huub of we iets te vieren hebben. ‘Jawel’, is mijn antwoord, ‘het feit dat ik verlost ben van die enge Henk’. Huub schiet in de lach. ‘Daar ben ik blij om’, zegt hij. ‘Jij had hem meteen al door en je hebt me proberen te waarschuwen, maar ik wilde niet luisteren’, zeg ik schuldbewust. ‘Nee, dat was duidelijk’, zegt Huub. ‘Kun je me dat vergeven?’, vraag ik. ‘Ja’, zegt Huub, ‘dat kan ik’.

‘Het is maar goed dat je vriendinnen hebt die geen blad voor de mond nemen’, meent mijn broer. ‘Ja’, zeg ik, ‘maar als ik eerder naar jou had geluisterd had ik mezelf een rotvakantie kunnen besparen’. ‘Die vakantie had je nodig om helder te krijgen wat voor een lul die Henk wel niet was. En dat je dat niet eerder doorhad hoef je jezelf niet kwalijk te nemen. Hij wist precies hoe hij jou kon bespelen, zoals hij dat waarschijnlijk in al zijn relaties doet en heeft gedaan, door te zorgen dat de ander zich onzeker over zichzelf gaat voelen, waardoor hij vanzelf het overwicht krijgt. Als je verliefd bent dan wil je dat niet zien. Dat is niet jouw schuld. Sterker nog, dat pleit voor je. Dat betekent dat jij niet zo elkaar zit. Hij was de dader, niet jij. Het is niet jouw schuld dat je het slachtoffer van zijn manipulaties was. Slachtoffers zijn nooit de schuld’. Ik knik omdat ik begrijp wat Huub wil zeggen. ‘Maar jee, wat was ik naïef’, zeg ik.

‘Als je de overgang van verliefdheid naar liefde probeert te maken’, zegt Huub ernstig, ‘dan spring je in het diepe. Je weet niet of dat gaat lukken. Dat kan je ook niet weten. Dan kom je soms met een harde smak tot het besef dat liefde niet mogelijk is en soms, als je heel veel geluk hebt, kom je in een warm bad terecht. Dan hoef je nooit meer te springen’. ‘Wat zeg je dat weer mooi’, zeg ik. ‘En dan is er nog iets’, gaat Huub verder, ‘laat je vooral niet weerhouden om opnieuw verliefd te worden. Laat je niet bang maken doordat een zakkenwasser misbruik van je goedgelovigheid heeft gemaakt, en dat je door die angst de kans op een ware liefde mis zou kunnen lopen’.

‘Maar jij hebt de ware liefde ook nog niet gevonden’, zeg ik zacht. ‘Nee’, zegt Huub, ‘nog niet. Maar wat niet is kan nog komen’. Hij kijkt me met een glimlach aan. Ik glimlach terug. ‘Ik ben blij met jou, zus’, zegt hij. ‘En ik met jou’, antwoord ik.