Anke, Dora en ik leerden elkaar in de brugklas van het gymnasium kennen. Het klikte meteen tussen ons drieën. Wat het precies was dat ons in elkaar aantrok was niet meteen duidelijk, behalve dat we ons alledrie buitenbeentjes voelden. Ons gezin was net vanuit een klein dorp naar de stad verhuisd. Dat was nogal een overgang. Zeker voor mijn twee jaar jongere broertje.

Mijn broertje had vanaf de kleuterschool een boezemvriend. Een roodharig joch dat het enige kind was van ’t café. Nou ja, natuurlijk niet van het café zelf, maar van de twee mensen die dat café runden. Het was niet duidelijk waarom ze maar één kind hadden en het was zelfs niet duidelijk of dat kind echt van hen was, maar ze waren wel degelijk zijn ouders. Sommige mensen in het dorp meenden te weten dat Frank, zoals dat roodharig joch heette, eigenlijk het onechte kind van de zus van Gerard, de caféhouder, was, en dat Gerard en Geraldine het kind hadden geadopteerd omdat ze zelf geen kinderen konden krijgen. Dat idee werd nog versterkt doordat Frank Gerard en Geraldine niet met papa en mama aansprak, maar ze bij hun voornaam noemde. Geen enkel ander kind in het dorp zou het hebben gewaagd zijn of haar ouders bij hun voornaam te noemen.

Ook mijn broertje noemde Gerard en Geraldine bij hun voornaam, zoals iedereen in het dorp trouwens. Mijn moeder suggereerde nog even dat het beter was als hij het over mijnheer Gerard en mevrouw Geraldine zou hebben, maar die suggestie legde mijn broertje naast zich neer. Gerard en Geraldine waren geen mijnheer en mevrouw, maar waren gewoon Gerard en Geraldine, vond hij. En toen iemand hem meende te moeten vertellen dat Gerard en Geraldine niet de echte ouders van Frank waren werd hij zo boos dat hij die jongen een bloedneus sloeg. Mijn broertje kon nogal fel zijn. Zeker in zijn vriendschap met Frank.

Frank en Huub waren onafscheidelijk. Huub haalde Frank altijd bij het café op en dan liepen ze, de armen over elkaars schouders, samen naar school. In de klas werden ze, juist omdat ze zo onafscheidelijk waren, zo ver mogelijk uit elkaar gezet. Dat weerhield hen er niet van om toch te proberen of ze contact met elkaar konden krijgen tijdens de les. Soms probeerden ze briefjes aan elkaar door te geven met behulp van klasgenoten, maar niet alle klasgenoten waren bereid daaraan mee te werken omdat ze, als ze betrapt werden, de kans liepen gestraft te worden. Dus werden die briefjes tot vliegtuigjes gevouwen en naar elkaar overgegooid, maar die vliegtuigjes waren niet echt goed bestuurbaar zodat ze een enkele keer zelfs rechtstreeks naar de lessenaar van de leraar vlogen. Dat was vooral vervelend als er juist een opmerking over die leraar in dat briefje stond.

In de pauzes, tussen de middag en na school leken Huub en Frank wel aan elkaar vastgeplakt. Toch was niet altijd alles koek en ei tussen die twee. Een enkele keer maakte Frank een opmerking waar Huub zich zwaar beledigd door voelde en dan was hun vriendschap geen beletsel voor een fiks robbertje vechten. Omdat ze allebei ongeveer even sterk waren kwam geen van beiden ongeschonden uit zo’n vechtpartij.

Toen Huub met een blauw oog en gescheurde kleren thuiskwam en onze moeder hem vroeg wat er was gebeurd, haalde hij zijn schouders op en zei: ‘Ruzie gehad met Frank’. Mijn moeder was daar flink ontdaan over en liep met ferme pas naar het café om haar gram te halen. Gerard zag haar zijn café binnenstormen en toen ze haar beklag had gedaan zei hij rustig: ‘Mina, zullen wij nou maar geen ruzie maken omdat die twee elkaar even de maat hebben genomen. Dat duurt nooit lang, en dan hebben wij straks ruzie terwijl zij het alweer goed gemaakt hebben. Op dat moment zag mijn moeder Huub, met zijn blauwe oog, voor het café staan roepen: ‘Hé Frank, kom je nog?’. Frank rende naar buiten, sloeg zijn arm om de schouder van Huub en samen gingen ze op weg naar school. Alsof er niets gebeurd was. ’Dat is wat ik bedoel’, zei Gerard.

Mijn broertje was nog net geen tien jaar oud toen we van het dorp naar de stad verhuisden. Ineens zat hij op een andere school, ver verwijderd van zijn boezemvriend Frank. Onze moeder was blij weer in de stad te wonen. Ze had zich nooit echt thuis gevoeld in het dorp van onze vader. Als pa maar een tuintje had om in te werken dan maakte het hem niet uit waar we woonden. Daarbij werkte hij in de stad en was nu minder tijd kwijt om op zijn werk te komen.

Maar Huub voelde zich ontheemd. Hij was de vrijheid kwijt om door de velden te dwalen, bij boeren te gaan kijken als er een kalfje geboren werd of een kip werd geslacht of te gaan helpen als er appels, peren, kersen en aardbeien werden geplukt. Maar het meest van alles miste hij Frank, zijn boezemvriend. Moeder had daar geen begrip voor. ‘Dan maak je toch gewoon een nieuw vriendje’, had ze gezegd toen Huub haar vertelde dat hij Frank zo miste. Ze was zo blij om het leven in dat dorp achter zich te hebben kunnen laten dat ze misschien wel niet anders kon dan het feit dat Huub dat dorp juist miste te bagataliseren.

Maar sinds die tijd liep Huub met zijn ziel onder zijn arm. Ik geloof dat hij nog liever een arm of been was kwijtgeraakt dan zijn beste vriend. Soms zat hij gewoon uren voor zich uit te staren, zo nu en dan een zucht slakend. Ik heb nog wel eens geopperd dat Huub zich verdrietig voelde. ‘Ach, dat gaat wel over’, meende mijn moeder.

Toen ik hem laatst zag, vroeg ik of hij nog wel eens aan Frank dacht. Hij keek me aan met een lichte frons en zei toen: ‘Ja Gertrude, regelmatig’. ‘Mis je hem nog?’, vroeg ik en ik zag dat die vraag hem ontroerde. Zijn ogen werden zelfs een beetje vochtig. Hij zuchtte even. ‘Ja’, zei hij, ‘ik mis hem nog steeds’. ‘Heb je dan niet de neiging om hem op te gaan zoeken?’. ‘Nee’, zei hij, ‘ik ben bang dat we teveel veranderd zijn en dat we als we elkaar zien elkaar niets meer te vertellen hebben. En dan zou ik echt afscheid van hem moeten nemen. En dat wil ik niet’. Hij zuchtte heel diep. ‘Ik hou hem liever in mijn hart dan dat ik hem echt kwijt zou raken’, zei hij. Ik knikte. ‘Dat begrijp ik’, zei ik.

Een verloren vriendschap kan erger zijn dan een echtscheiding. Zeker als een vriendschap zo abrupt verbroken wordt als de vriendschap tussen mijn broer Huub en zijn boezemvriend Frank.

Wat een verdriet. En hoe triest als de veroorzaker van dat verdriet dat verdriet niet wenst te zien.