Mijn moeder’s lievelingsoom was oom Joseph. Dat was de jongste broer van haar moeder, mijn oma. Een paar keer per jaar ging ze bij hem langs en vaak nam ze Huub en mij mee. Zijn vrouw, tante Antonia was, zo leek het, altijd blij om ons te zien. Oom Joseph, eigenlijk mijn oudoom en tante Antonia, een aangetrouwde oudtante, waren kinderloos. Ik heb altijd de indruk gehad dat vooral tante Antonia dat liever anders had gezien. Dat ze, op een bijna kinderlijke manier, van kinderen hield. Of misschien wel van het idee van kinderen.

Maar mijn oudtante Antonia en oudoom Joseph waren pas laat getrouwd. Mijn moeder vertelde me dat oom Joseph nooit verkering had gehad en ook nooit aanstalten had gemaakt om een vrouw het hof te maken. Dat had hij ook bij tante Antonia niet gedaan. Tante Antonia was eigenlijk al een oude vrijster, toen ze, volgens mijn moeder, de stoute schoenen aantrok en aan oudoom Joseph vroeg of hij niet met haar wilde trouwen.

Daar zag oudoom Joseph de voordelen wel van in. Hij verdiende genoeg om een vrouw te onderhouden en tante Antonia kon dan voor zijn natje en droogje zorgen. Dus trouwden ze. Een verstandshuwelijk, zo leek het. Toch had ik, als kind, de indruk dat ze het wel goed hadden samen. Ook al waren ze verschillend, ze leken elkaar of elkaars behoeftes goed aan te vullen.

Oudoom Joseph droeg altijd goedzittende maatpakken waaraan een gilet niet mocht ontbreken. Ook droeg hij een wit gesteven hemd met paarlemoeren manchetknopen. Ik heb hem nooit zonder stropdas gezien. Thuis had hij zijn colbert niet altijd aan, maar zonder gilet heb ik hem nog nooit gezien. Tante Antonia was niet zo chique. Die droeg een simpele bloemetjesjurk met meestal, als wij op bezoek kwamen, een schort erover.

Als wij op bezoek kwamen was ze overdreven aardig. Althans, zo ervaarde ik dat. Haar glimlach leek bedoeld te zijn om aardig gevonden te worden, zoals dat bij oudere dames in die tijd vaker het geval leek. Ze serveerde ons een kopje thee met suiker en een scheutje melk en daar kregen we een mariakaakje bij. Soms vroeg ze of we ook een pepermuntje wilden. Vervolgens zat ze zwijgend aan tafel, met die ietwat geforceerde glimlach op haar gezicht naar ons te kijken. Daar werd ik altijd een beetje ongemakkelijk van. Ik geloof niet dat ze dat doorhad.

Oudoom Joseph en oudtante Antonia bewoonden een bovenhuis. Als we bij hen op bezoek gingen moesten we altijd een trap op. Oudoom Joseph stond ons bovenaan op te wachten. Hij had, door middel van een koord, de voordeur van boven aan de trap opengemaakt. Dat vond ik wel bijzonder. Ik kende niemand anders die een bovenhuis bewoonde en daardoor ook geen tuintje had. Het leek me maar onaf, zo’n huis dat niet helemaal van jou is, zonder tuin.

Toen wij, als kinderen, mijn oudoom Joseph bezochten was hij al met pensioen. Zijn grote hobby was het repareren van klokken. Zelfs een klok die niemand anders meer aan de praat kreeg wist hij weer aan het lopen te krijgen. Mijn vader had een klok van zijn ouders gekregen die, voor zover hij wist, nog nooit gelopen had, maar oudoom Joseph keek de klok na, voegde wat gewicht aan een van de gewichten toe, bracht de klok naar ons huis en hing hem op. Hij schoof net zolang totdat de klok volgens hem goed hing, draaide hem op en de klok liep perfect. Tenminste, totdat ik er per ongeluk tegen stootte, en hij niet meer precies hing zoals oudoom Joseph hem had opgehangen. Toen stond hij stil. Mijn vader probeerde hem precies zo terug te hangen zoals hij had gehangen, maar tevergeefs. Pas toen oudoom Joseph zelf langs was gekomen om de klok opnieuw op de millimeter nauwkeurig op te hangen, liep hij weer.

Toen oudtante Antonia stierf was oudoom Joseph ontroostbaar. Hij nam alle gereedschap dat hij voor het maken en repareren van klokken gebruikte en gooide alles bij het vuilnis. Op één klok na deed hij ook al zijn klokken weg. Alsof hij zichzelf extra pijn wilde doen in een poging de pijn die het verlies van zijn echtgenote hem bezorgde te verzachten. Pas toen werd duidelijk dat de relatie die hij met zijn Antonia had gehad meer was dan een verstandshuwelijk.

Ik heb me wel eens afgevraagd wat die twee nou samen hadden. Ik heb nooit iets van een seksuele spanning tussen hen kunnen waarnemen. Nou zegt dat natuurlijk niet zoveel, maar bij oudoom Joseph had ik hetzelfde gevoel dat ik ook had bij de slager waarmee Anke ooit een relatie had, namelijk dat hij niet echt op vrouwen viel. Hij had de uitstraling van een fat. Altijd keurig gekleed, voorzien van een wandelstok en hoed, kaarsrecht wandelend en altijd gladgeschoren. Een opvallende persoonlijkheid. Chique.

Wat dat betreft was oudtante Antonia het tegenovergestelde. Ik zou haar eerder als een grijze muis beschrijven. Onopvallend gekleed. Netjes maar niet chique, zoals haar man. Het blijft natuurlijk speculeren, maar ergens heb ik de indruk dat oudoom Joseph en oudtante Antonia nooit liefjes van elkaar zijn geweest. Dat oudtante Antonia wel wist dat ze dat met deze man ook niet hoefde te verwachten en dat ze dat stiekem wel prima vond.

Ik stel me zo voor dat mijn oudoom Joseph latent homoseksueel was, iets wat hij overigens nooit toe zou hebben gegeven, ook niet aan zichzelf, en dat oudtante Antonia latent lesbisch was, iets wat ook zij overigens nooit zou hebben toegegeven, ook niet aan zichzelf. Op de een of andere manier begrepen ze dat ze, als ze samen zouden zijn, zichzelf zouden kunnen zijn. Dat ze geen seks zouden hoeven hebben, omdat ze elkaar wat dat betreft niet zouden teleurstellen. Zo vonden ze een veilige haven bij elkaar.

Juist omdat ze zich niet seksueel tot elkaar aangetrokken voelden, hadden ze een goed huwelijk. Het was immers niet op verwachtingen gebaseerd, maar op vriendschap. Misschien in het begin nog niet eens zo’n hechte vriendschap, hun huwelijk leek inderdaad wel een verstandshuwelijk, maar die vriendschap kon, juist daardoor, ongehinderd door een verwachtingspatroon, groeien. Oudoom Joseph had verder geen vrienden. Hij voelde zich niet veilig in een mannenwereld. Toen hij jong was werd hij meermalen door zijn zus beschermd tegen pestkoppen. Oudtante Antonia accepteerde hem zoals hij was. Dat was voor iedereen wel duidelijk.

Toen zij stierf verloor hij zijn meest innige vriendschap. En toen hij zijn meest innige vriendschap verloor gaf hij ook zijn grootste hobby op. Hij heeft nooit meer een klok gemaakt of gerepareerd. Alsof de tijd zonder haar geen betekenis meer had.

Een jaar na de dood van oudoom Joseph stootte Huub tegen de klok die mijn vader van zijn ouders gekregen had. Uit voorzorg had mijn vader met potlood een streepje op de muur gezet zodat de klok weer precies zo terug gehangen kon worden zoals oudoom Joseph hem had opgehangen. Maar het mocht niet baten. Hoe we ook probeerden, hoe secuur we de klok ook terug probeerden te hangen, het had geen zin. Die klok heeft nooit meer gelopen.

Alsof die klok wou zeggen: ‘Zonder oudoom Joseph heeft ook voor mij de tijd geen betekenis meer’.