ruud moors vriendschap aflevering 7
‘Ben jij wel eens bevriend geraakt met een man?’, vraagt Anke aan Dora. Dora knikt: ‘Ja’, zegt ze, ‘toen ik een tijd in die woongemeenschap in Den Bosch woonde. Ik was daar terecht gekomen via mijn neef omdat ik woonruimte nodig had in Den Bosch en hij woonde al in die woongemeenschap’. ‘Ah, snorrenmans’, grinnikt Anke. Dora lacht. ‘Ja hij had inderdaad zo’n klein Italiaans snorretje. Ik denk dat hij dacht dat hij daardoor sexy was, maar hij leek daardoor op een louche patjepeeër’. ‘Een tweedehands autoverkoper’, zeg ik. ‘Ik vond hem meer op een pooier lijken’, meent Anke, ‘in elk geval moest ik niks van hem hebben, ook al vond hij zichzelf heel wat’.
‘Toch was het wel prettig dat hij daar woonde, want daardoor kon ik er ook terecht’, zegt Dora. ‘En toen ik er een maand of vier woonde kwam er nog een kamer in dat huis vrij en daar kwam een man te wonen die net gescheiden was van zijn vrouw. Bert heette hij’. ‘Dat was toch die magere vent met die lange spitse neus’, merkt Anke op. ‘Ja precies’, zegt Dora, ‘hij kon zich verbergen door achter een lantaarnpaal te gaan staan’. ‘Er waren nog wel meer mannen in dat huis toch?’, zeg ik. ‘Ja. zoals die grote forse vent met een volle baard en een piepstemmetje’, herinnert Anke zich. ‘Ja, Bas’, zegt Dora, ‘een ongepastere naam had hij niet kunnen hebben’.
‘Maar goed, met wie was je nou bevriend?’, wil ik weten. ‘Je weet dat ik in die tijd verliefd was op Lieke. Voor haar was ik naar Den Bosch verhuisd. En mens, wat was ik verliefd op die vrouw. Ik kon me geen leven meer zonder haar voorstellen. Samen maakten we deel uit van de vrouwengemeenschap in Den Bosch. Die was nogal hecht toen. Er was een vrouwenhuis, waar mannen natuurlijk niet mochten komen en als lesbische vrouw had je in die vrouwengemeenschap een stapje voor. Volslagen onafhankelijk van mannen. Dat was het ideaal’.
‘En toen?’, vraagt Anke. ‘Toen bleek Lieke er meerdere vriendinnen op na te houden, en bleek ik nog niet eens haar lievelingsvriendin. Jezus, wat voelde ik me verraden. Lieke was mijn eerste echte grote liefde en die liefde bleek op drijfzand gebouwd. In die woongemeenschap had niemand door hoe klote ik me voelde, behalve Bert. ‘Wat is er met jou aan de hand, Dora’, vroeg hij. ‘Hoezo?’, weerde ik hem af. ‘Nou ja, je ziet er niet erg gelukkig uit. Alsof je je aardig klote voelt. En als je er over wil praten, dan kan dat’. Dat had tot dan toe nog niemand aan me gevraagd. ‘Het is uit met Lieke’, zei ik, en toen kwamen de tranen vanzelf. Hij kwam naast me zitten en nam mijn hand in zijn hand. Ik heb mijn hoofd op zijn schouder gelegd en gehuild, gehuild en nog eens gehuild’.
Dora zucht. ‘Ik voelde me zo verdomde eenzaam, maar tegelijkertijd voelde zijn aanwezigheid vertrouwd. Hij zweeg ook op de goede momenten. En op de momenten dat ik het nodig had zei hij de dingen die ik nodig had om te horen. Alsof hij precies begreep wat ik op dat moment door aan het maken was. Misschien nog wel beter dan een vrouw dat had kunnen begrijpen. Ik bedoel, ik voelde me door hem gezien. ‘Zal ik vannacht bij je blijven?’, vroeg hij, en eigenlijk wilde ik dat wel. ‘Maar je moet niet denken dat je me van mijn lesbisch zijn kunt genezen’, meende ik op te moeten merken. En toen schoot hij in de lach. ‘Nee, natuurlijk niet’, zei hij, ‘ik blijf gewoon bij je slapen, dat is alles’. Hij is de enige man met wie ik ooit het bed heb gedeeld. We lagen lepeltje in lepeltje en het voelde heel intiem en vertrouwd’.
‘En hebben jullie nog geneukt?’, wil Anke weten. ‘Natuurlijk niet’, zegt Dora met een lichte frons, ‘daar was hij niet op uit en ik ook niet’. ‘En dat was het begin van jullie vriendschap?’, vraag ik. ‘Ja’, zegt Dora, ‘vanaf dat moment was hij degene bij wie ik het meest terecht kon met mijn verdriet. Mijn vriendinnen waren het al snel beu en vonden dat ik me er over heen moest zetten. Liefdes komen en liefdes gaan, maar hij begreep dat voor mij mijn wereld even helemaal was ingestort. Alsof Lieke, door voor iemand anders te kiezen mij duidelijk had willen maken hoe onaantrekkelijk ik wel niet was. ‘Nee’, zei Bert, ‘je bent niet onaantrekkelijk, je bent een mooi mens en als Lieke dat niet ziet dat is er iets mis met haar, niet met jou’. ‘En ik had het nodig om dat te horen. Niet één keer, maar wel honderd keer. Dus herhaalde hij dat keer op keer’.
‘Zijn jullie eigenlijk nog bevriend?’, vraag ik. ‘Nee’, zegt Dora met een verlegen glimlachje. ‘Wat is er gebeurd dan?”, wil ik weten. ‘Bert verhuisde na een paar maanden naar Eindhoven. Ik heb hem nog met die verhuizing geholpen. Hij had geen rijbewijs dus heb ik het busje met spullen voor hem naar zijn nieuwe woonplaats gereden. Drie maanden later verhuisde ik ook, naar een huis waar alleen maar vrouwen woonden. Vanaf dat moment ging ik eigenlijk alleen nog maar met vrouwen om. En in die vrouwenwereld waren mannen taboe. Als je als vrouw verliefd werd op een man werd je al als een verraadster beschouwd’. Dora schudt zachtjes met haar hoofd met een soort ongeloof achteraf over de manier waarop zij en haar vriendinnen toen in het leven stonden.
‘De laatste keer dat ik Bert gezien heb was op mijn verjaardag’, zegt Dora. Toen kwam hij uit Eindhoven om mij te feliciteren. Ik had hem uitgenodigd op mijn feest, omdat ik hem graag weer wilde zien. Als enige man. Dat bleek geen goed idee te zijn. Op het moment dat ik hem binnenliet zag ik de afkeur in de ogen van de vrouwen die ik als mijn familie beschouwde. Sommigen leken zelfs vervuld van haat. Ik wist meteen dat hij niet welkom zou zijn als deel van het hele gezelschap en dus ging ik apart met hem zitten. Het ongemak was duidelijk voelbaar. Voor mij maar ook voor hem. En ik zal heel eerlijk zijn, ik schaamde me voor het feit dat ik Bert op mijn verjaardagsfeest had uitgenodigd. Maar ik schaamde me ook voor de vrouwen die ik als mijn familie beschouwde, die hem zo overduidelijk afwezen, niet om wie hij was, maar alleen om het feit dat hij een man was, alsof dat feit alleen al genoeg was om iemand af te wijzen’.
Dora staart even voor zich uit. ‘Ik weet niet precies hoe lang hij gebleven is, maar het zal ongeveer een half uur geweest zijn. Toen zei hij: ‘Ik geloof niet dat ik hier erg op mijn plaats ben Dora. Ik denk dat het beter is als ik ga’. Dat beaamde ik. En toen ging hij. Ik denk dat we allebei wisten dat onze vriendschap vanaf dat moment voorbij was. Dat hij gewoon geen deel van mijn leven uit kon maken, maar dat dat niet aan ons lag maar aan de gemeenschap van vrouwen waar ik voor gekozen had. Dat die gemeenschap hem nooit zou accepteren en dat ik, als het er op aan kwam, altijd voor die gemeenschap zou kiezen. Die had ik harder nodig dan ik hem nodig dacht te hebben’.
“Heb je hem nog wel eens opgezocht?’, vraagt Anke. ‘Nee’, antwoordt Dora, ‘we hebben elkaar nooit meer gezien’. ‘Heb je daar dan geen behoefte aan?’, vraag ik. ‘Nee’, zegt Dora, ‘Onze vriendschap was echt, en zo nu en dan denk ik nog aan hem en dan voel ik die vriendschap nog steeds. De lengte van een vriendschap doet er niet toe, denk ik, maar wat wel belangrijk is, is dat je elkaar gezien hebt en geaccepteerd hebt om wie je bent. En Bert en ik hebben elkaar gezien en we hebben van elkaar gehouden om wie we zijn. En dat was het’.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: