ruud moors vriendschap aflevering 8
Huub en ik lopen samen over het strand. Dat doen we elke maand wel een keer. Om bij te praten over de dingen die ons op dat moment bezig houden. ‘Waar ben jij op dit moment mee bezig Trudy”, vraagt hij. Als we met zijn tweeën zijn noemt hij mij nooit bij mijn officiële naam, maar gebruikt hij een naam die ik ben gaan beschouwen als een koosnaam. Trudy. Kort voor Gertrude. Van de weeromstuit noem ik hem Hubertus, maar ook alleen als we met zijn tweeën zijn. Dat is mijn koosnaam voor hem.
‘Ik ben erg bezig met vriendschap’, zeg ik, ‘met wat het betekent en wat het inhoudt en hoe het voelt enzo’. ‘Daar kan ik me wel wat bij voorstellen’, zegt Huub, ‘dan gaat het eigenlijk over hoe je je met anderen verbindt’. ‘Ja, daar komt het wel op neer ja’, beaam ik. ‘Waarom boeit je dat juist nu?’, wil Huub weten. ‘Ach Hubertus’, zeg ik, ‘als je ouder wordt ga je vanzelf terug kijken en dan denk ik aan al die vriendschappen die ik ooit ben aangegaan in de veronderstelling dat elke vriendschap eeuwig zou duren, maar de meeste vriendschappen bleken maar tijdelijk. Alleen de vriendschap met Anke en Dora is een vriendschap voor het leven gebleken. Ik vraag me af wat het verschil uitmaakt. Waarom blijf je met de een je leven lang bevriend en houdt een andere vriendschap na een tijdje weer op?’. ‘En, heb je daar een antwoord op?’, vraagt Huub.
‘Nee’, zeg ik, ‘en misschien gaat het me daar ook niet om. Het is meer de verbazing dat vriendschappen zo verschillend kunnen zijn. Dat de ene vriendschap een maand duurt en een andere vriendschap jaren en dat een enkele vriendschap nooit over lijkt te gaan’. ‘Ja, ik begrijp je’, knikt Huub, en ik weet dat hij het ook echt snapt. Huub is niet alleen mijn broer, maar we zijn ook vrienden voor het leven. Dat is niet altijd zo tussen broer en zus weet ik, maar bij ons is dat overduidelijk wel zo. We delen veel interesses waaronder een nieuwsgierigheid naar wat onszelf en andere mensen motiveert.
‘Soms’, zegt Huub, ‘ben je met iemand bevriend, maar doet die persoon iets waardoor je weet dat de vriendschap daarna nooit meer hetzelfde zal zijn. Dan zou je nog wel bevriend kunnen blijven, of in ieder geval kunnen denken dat je nog bevriend bent, maar dan is er iets veranderd waardoor het vertrouwen dat je in elkaar had feitelijk voorgoed is ondermijnd’. Hij zucht even en ik weet dat hij aan iets specifieks denkt. ‘Vertel’, zeg ik.
‘Ik was vijftien en ging met Jaap op stap. Jaap zat in mijn klas en hij was de enige vriend die ik in die klas had. Hij was er trots op een echte versierder te zijn. Bij hem was dat geen grootspraak. Niet dat hij nou zo stoer was of zo, maar op de een of andere manier wist hij meisjes makkelijk te verleiden. Toen we samen uit gingen kwamen we in een sociëteit twee vriendinnen tegen en hij versierde, met het gemak dat hem eigen was, een van die vriendinnen, een brunette. Niet dat de haarkleur er nou toe doet, maar goed. Haar vriendin was blond. Jaap nam me even apart en zei dat die blonde wel een oogje op me had en dat ik maar eens moest proberen haar te versieren.
Ik had geen enkele ervaring met meisjes en al helemaal niet met het versieren van meisjes, maar omdat Jaap zo nadrukkelijk beweerde dat zij een oogje op me had, dacht ik dat ik maar eens moest proberen om haar te versieren. Ik sloeg mijn arm om haar schouder, maar die weerde ze af. Volgens Jaap hoorde dat bij het spel en ik geloofde dat. Dus legde ik mijn arm weer om haar schouder en duwde zij mij weer van zich af. Dat ging een tijdje zo door totdat ze naar een andere jongen liep en even met hem smoesde. Hij ging tussen ons in staan. Als een soort beschermheer. Toen pas had ik door dat ze niet veel van me moest hebben. Ik schaamde me kapot. Ik begreep het ook niet, want Jaap had duidelijk gezegd dat zij een oogje op me had en ik kon me niet voorstellen dat hij, de grote versierder, zich daarin had vergist’. ‘En toen?’, vraag ik.
‘De dag daarna waren we op school en toen hoorde ik Jaap mijn naam noemen terwijl hij met een andere vriend van hem sprak. Ze keken sluiks naar me en lachten. Het was duidelijk dat ze niet naar me lachten maar om me lachten. En toen pas viel het kwartje. Hij wist dat dat blonde meisje helemaal niets van me moest hebben. Hij wist ook dat ik geen enkele ervaring met meisjes had. Blijkbaar had hij het erg grappig gevonden om mij in een gênante positie te brengen en me een blauwtje te laten lopen. Dat hij dat bewust had gedaan werd duidelijk omdat hij er samen met die andere vriend overduidelijk napret over had’. ‘En waren jullie daarna nog bevriend?’, vraag ik.
‘Weet je’, zegt Huub met een frons op zijn voorhoofd, ‘dat hij mij uitlachte met die vriend had ik hem nog wel kunnen vergeven, maar wat ik me al snel realiseerde was dat hij niet alleen mij in een ongemakkelijke positie had geplaatst, maar ook dat blonde meisje. Wat moet die zich, door mijn horkerige gedrag, opgelaten hebben gevoeld. Daar baalde ik enorm van. Als ik niet door Jaap op het verkeerde been was gezet dan had ik haar nooit proberen te versieren. Dan had ik dat gewoon niet gedurfd. En zelfs als ik de stoute schoenen zou hebben aangetrokken zou ik na die eerste afwijzing gestopt zijn. Dan zou ik haar nee ook als nee hebben begrepen. Ook aan haar gevoelens had hij volkomen lak gehad. En nou ik er zo over nadenk, zou dat wel eens de reden kunnen zijn dat hij zo goed kon versieren. Als de gevoelens van anderen er voor jou niet toe doen, dan is het veel makkelijker om de ander als object te gebruiken. En dat is iets dat ik niet kan en ook niet wil kunnen. Ik wil niemand kwetsen. Ook niet als ik daar voordeel van heb. Maar Jaap bleek zelfs in staat om iemand die hem als vriend beschouwde te kwetsen, niet omdat dat nodig was, maar omdat hij dat grappig vond. Dat dat meisje daar ook de dupe van was, maakte hem blijkbaar ook niks uit. En met iemand die het grappig vind om mensen te kwetsen kan ik niet echt bevriend zijn, besloot ik’. ‘Dat pleit voor je’, zeg ik. ‘Dank je, zus’, zegt hij.
‘Heb je eigenlijk veel vrienden?’, vraag ik. ‘Nee, niet echt nee’, antwoordt Huub. “Ben je dan niet eenzaam?’, vraag ik, nieuwsgierig naar het antwoord. ‘Nee’, zegt hij, ‘ik voel me eigenlijk alleen eenzaam als ik in gezelschap ben en me niet begrepen voel. Dan kan ik me diep en diep eenzaam voelen. Maar als ik alleen ben, ben ik nooit eenzaam’. ‘Bijzonder’, merk ik op. ‘Nou ja’, zegt hij, ‘zo bijzonder is dat niet. Als ik alleen ben dan ben ik samen met iemand die me wel begrijpt’. Ik schiet in de lach. ‘Met wie dan?’, vraag ik. Huub draait zijn hoofd naar me toe, we blijven even stil staan, kijken elkaar aan en dan zegt hij: ‘Als ik alleen ben dan ben ik bij degene die mij het beste begrijpt van iedereen. Ik zelf’. Ik glimlach. ‘Dan betekent dat dat je bevriend bent met jezelf’, zeg ik. ‘Ja precies’, zegt hij, ‘en dat is waarom ik nooit eenzaam ben wanneer ik alleen ben’. ‘Mooi’, zeg ik. ‘Is dat bij jou niet ook zo?’, vraagt hij. Ik denk even na. ‘Eigenlijk wel ja’, zeg ik, maar toch zou ik niet zonder andere mensen willen’. ‘Ik ook niet’, beaamt mijn lieve broer Hubertus.
Even later. als we bij een strandtent een kopje koffie en een stuk appeltaart nuttigen, vraagt Huub of ik mijn hartsvriendinnen altijd kan vertrouwen en ik antwoord dat dat meestal wel het geval is. ‘Maar niet altijd dus’, concludeert hij. ‘Nee’, zeg ik, ‘maar ik geloof dat je niemand altijd kunt vertrouwen. zelfs jezelf niet’. ‘Daar heb je wel een punt’, meent Huub, ‘zoals je je door anderen voor de gek kunt laten houden, zo kun je ook jezelf voor de gek houden’. ‘En je kunt een ander nooit meer vertrouwen dan je jezelf kunt vertrouwen’, zeg ik. We zwijgen terwijl we onze koffie drinken en onze taart eten. De zee golft. De meeuwen krijsen. De zon schijnt. En wij zitten onder een parasol te genieten van elkaars aanwezigheid.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: