Laatst las ik in een roman van Elizabeth Strout dat iemand een ‘sineater’ werd genoemd, iemand die zonden van anderen eet. Soms heb ik de indruk dat Huub zo iemand is. Dat dat de reden is dat hij weinig vriendschappen aangaat, omdat die vriendschappen hem letterlijk teveel kosten. Zo had hij een tijdlang een vriendin die mij vertelde dat ze zo dol op hem was omdat hij altijd een sterke schouder had om op uit te huilen. Door de manier waarop ze dat vertelde had ik meteen door dat ze daar ook veelvuldig gebruik van maakte.

Toen ik dat aan Huub vertelde noemde hij haar een hongerige ziel. ‘Ik voel me best gevleid als ze me in vertrouwen neemt’, zei hij, ‘maar ik word er ook wel moe van. In de paar jaar dat ik haar ken heeft ze al relaties met vier verschillende mannen gehad die elke keer weer stuk liepen op het een of ander en elke keer kwam ze bij mij troost zoeken. Soms had ik de neiging om te zeggen ‘mens doe dan ook niet zo stom’, maar dat deed ik nooit. Iedere keer was ze in het begin razend enthousiast en wist ze zeker dat dit hem was, maar na een paar maanden, of soms zelfs al na een paar weken, kwam ze teleurgesteld troost zoeken. Meestal omdat hij het had uitgemaakt’.

Als ik problemen heb kan ik ook altijd bij Huub terecht. Hij luistert geduldig en veroordeelt me nooit. Dan is hij ook voor mij een sterke schouder waarop ik uit kan huilen. ‘Ben ik ook een hongerige ziel?’, heb ik weleens aan hem gevraagd. ‘Soms’, zei hij, ‘maar volgens mij is iedereen weleens een hongerige ziel, maar sommige mensen zijn niet te voeden. Hoeveel aandacht je ze ook geeft, het is nooit genoeg’. ‘En dat is bij jou niet zo’, voegde hij er aan toe.

‘Wat is dan precies het verschil?’, wilde ik weten. ‘Of mensen ook aandacht kunnen geven’, antwoordde hij. ‘Sommige mensen zijn zo met hun eigen behoeftes en belangen en gevoelens bezig dat ze alleen maar in staat zijn daar aandacht voor te hebben. Dat zijn de mensen die ik hongerige zielen noem. Hoeveel aandacht je hen ook geeft, het is nooit genoeg. Niet dat ze niet tevreden zijn met die aandacht, maar het voedt hen niet echt. Als jij een probleem hebt en je praat met mij over dat probleem dan heb ik het gevoel dat het gesprek dat we samen hebben je voedt. Dat is andersom ook zo. Als ik een probleem heb en dat met jou bespreek dan voed ik me aan het gesprek dat we samen hebben. En dat is bij een hongerige ziel niet zo. Die lijdt aan emotionele vraatzucht’.

Ook dat vind ik wel een mooie term. Emotionele vraatzucht. ‘Maar hoe komt het dan dat jij, terwijl je blijkbaar doorhebt hoe het werkt, toch terecht komt in relaties met hongerige zielen?’, vroeg ik hem. ‘Poeh’, zei hij, ‘dat is geen gemakkelijke vraag. Jij had het over iemand die de zonden van anderen eet en misschien ben ik wel zo iemand. Als mensen in de problemen zitten wil ik ze helpen. Dat wil niet zeggen dat ik hun problemen over wil nemen, maar dat ik ze wil helpen om die problemen op te lossen of op zijn minst helder te krijgen. En als dat lukt dan voelt dat goed. Dan ben ik tevreden met mezelf. Maar als dat niet lukt dan voel ik me rot. Dan voel ik me bijna schuldig omdat het me niet lukt het leven voor die anderen lichter te maken. Alsof dat mijn taak is’. ‘Maar dat is het niet’, zei ik. ‘Nee, precies’, beaamde hij.

‘Toch voel ik me dan falen’, vervolgde hij, ‘alsof het me niet gelukt is de problemen van die ander voor die ander op te lossen, of op te eten en het daardoor mijn schuld is dat die ander niet van diens problemen verlost is. Maar sommige mensen willen niet verlost raken van hun problemen omdat ze, juist door hun problemen, in staat zijn aandacht van anderen voor zichzelf op te eisen. Als zo iemand geen problemen heeft dan maakt die persoon problemen’. ‘Om op die manier aandacht op te kunnen eisen’, concludeerde ik. ‘Precies’, zei Huub.

‘En wat doe je als je dat door hebt?’, vroeg ik. ‘Tja’, zei Huub en zuchtte diep, ‘dan neem ik afstand van degene die mij emotioneel leeg probeert te lepelen’. Dat Huub weinig vrienden heeft komt niet omdat hij geen vrienden kan maken, denk ik. Ik denk dat dat komt omdat hij te gemakkelijk bevriend raakt met hongerige zielen en te vaak heeft ervaren hoe hem dat volledig uitput. Dat zijn geen gelijkwaardige vriendschappen, maar die zijn denk ik ook zeldzaam. En juist omdat Huub, in de woorden van Elizabeth Strout, een ‘sineater’ is, kan hij het zich niet veroorloven om spontaan veel vriendschappen aan te gaan. Dan is hij alleen nog met andermans problemen bezig en houdt hij geen ruimte voor zichzelf over.

Huub vertelde ooit dat hij nachtenlang wakker had gelegen omdat ik hem had verteld dat het op mijn werk niet echt goed ging. Dat hij maar bleef malen over de problemen die ik had. Dat hij alles wat ik hem had verteld probeerde te analyseren om een oplossing voor me te verzinnen. ‘Maar dat is jouw taak toch helemaal niet’, zei ik, ‘het zijn mijn problemen en het is mijn taak om die op te lossen’. Dat was hij met me eens, maar blijkbaar had hij toch het gevoel dat hij mij een oplossing aan moest bieden. Dat het zijn taak was om het leven voor mij lichter te maken. ‘Die taak leg je jezelf op’, zei ik, ‘dat is niet iets dat ik van je vraag’. ‘Helder’, zei hij, ‘dank je zus’. ‘Graag gedaan’, zei ik. Ik heb hem later gevraagd of hij nog steeds slapeloze nachten had over de gesprekken die we samen hadden. ‘Nee’, zei hij, ‘ik weet dat ik het oplossen van jouw problemen aan jou over kan laten’. ‘Niks over kan laten, over moet laten’, benadrukte ik. Hij schoot in de lach om mijn semi-boosheid. ‘Oké Trudy’, zei hij, ‘de boodschap is begrepen’.

Ik zou niet willen dat ik mijn broer, die zonden eet, emotioneel leeglepel. Daarvoor hou ik simpelweg teveel van hem. Maar ik geloof dat dat tussen ons nu wel duidelijk is.