ruud moors ze aflevering 1
Ze zit in de trein naar haar geboortestad op weg naar de begrafenis van haar moeder. Hoewel ze door het raam naar buiten lijkt te kijken, ziet ze het voorbijschietende landschap nauwelijks, omdat ze met haar gedachten bij haar moeder is. Ze denkt aan die keer toen haar moeder haar vertelde over een meer in Zwitserland waar ze, jaren geleden, samen met haar vader was geweest. ‘We zaten aan de rand van dat meer, jouw vader en ik, op een bankje. Een stukje verderop stonden een paar paarden te grazen. Hoog in de bomen floten vogels hun lied. De zon scheen. Het water van het meer was helder en ik zag er vissen voorbijschieten. Voor heel even voelde ik me in de hemel. Als er een hemel is, zo dacht ik, dan moet het zoiets als dit zijn. We zaten daar samen, hand in hand, je vader en ik, en ik was volmaakt gelukkig.’
Haar gedachten gaan terug naar haar vader. Erg oud is hij niet geworden. Hij werd ziek toen hij nog maar net zestig was en stierf een jaar later. Dat is nu ruim twintig jaar geleden. In die twintig jaar heeft haar moeder hun huwelijk steeds meer geïdealiseerd, maar eigenlijk had ze dat altijd al gedaan, ook toen haar vader nog leefde. Volgens haar moeder was haar huwelijk een perfect huwelijk geweest. Haar vader had daar anders over gedacht, weet ze. Wat voor de een een perfect huwelijk is, kan voor de ander een gevangenis zijn.
Haar moeder had het normaal gevonden dat haar vader er altijd voor haar was. Nadat hun kinderen het huis uit waren en vader afgekeurd was en thuis was komen te zitten, had moeder alle tijd en aandacht van hem opgeëist. ‘Ik heb al die tijd voor ons gezin moeten zorgen en aandacht moeten geven en nu is het mijn beurt’, vond ze. Als ze ging winkelen, moest vader mee. Als ze wilde wandelen, moest vader mee. Als ze ergens koffie wilde gaan drinken, moest vader mee.
Als vader iets voor zichzelf wilde doen, irriteerde haar dat. Waarom zou vader iets voor zichzelf willen doen als ze ook iets samen konden doen? Dus toen hij een volkstuin nam ging ze met hem mee, ook al vond ze niets aan tuinieren. Iedere keer dat hij te kennen gaf naar de volkstuin te willen, maakte zij duidelijk dat ze dat maar niks vond. Ze had zich de ene keer verheugd om te gaan winkelen en de andere keer wilde ze samen met vader een wandeling maken of ergens koffie gaan drinken en dan verstoorde hij dat door naar zijn volkstuin te willen. ‘Ik wou dat jij die stomme tuin wegdeed’, zei ze iedere keer dat hij, voorzichtig, te kennen gaf dat het toch echt wel tijd was om even in die tuin te gaan werken.
Als hij, desondanks, toch naar zijn tuin ging, ging haar moeder, mopperend en klagend, mee. Wanneer hij een gesprek aanging met een medetuinier stond ze er ongeduldig naast. ‘Ik wil nou eindelijk wel eens gaan’, zei ze dan, duidelijk makend dat de duur van het gesprek haar mateloos irriteerde. Als ze bij haar ouders was kreeg ze nauwelijks de gelegenheid om haar vader los van haar moeder te spreken. Alleen bij de afwas lukte dat. Vader had besloten dat hij de afwas zou doen, op voorwaarde dat hij dat alleen mocht doen. Zo stal hij iedere dag een klein momentje voor hemzelf. Maar als één van zijn kinderen op bezoek waren boden die altijd aan om af te komen drogen. Dat was het enige moment waarop ze vader persoonlijk konden spreken, zonder de nadrukkelijke aanwezigheid van hun moeder.
Tijdens de afwas nam vader van de gelegenheid gebruik om zijn beklag te doen over de manier waarop zijn vrouw zijn aandacht en tijd volledig voor haarzelf opeiste. ‘Elke keer moet ik weer mee winkelen, terwijl ik daar geen bal aan vind, en als ik naar de tuin wil krijg ik de wind van voren. Het liefst wil ze dat ik de tuin opzeg en misschien doe ik dat ook wel, dan ben ik tenminste van het gezeur af’, zei hij meer dan eens, maar dat vonden zijn kinderen geen goed idee. ‘Dat moet je zeker niet doen pap’, zeiden ze, ‘dan heb je helemaal niks meer voor jezelf’. Dan zuchtte vader. ‘Soms wordt het me gewoon teveel’, zei hij dan, ‘ik weet niet wat ik met haar aanmoet’.
‘Pap, mocht je van mam willen scheiden’, had ze op zo’n gelegenheid geopperd, ‘dan moet je weten dat je mijn zegen hebt.’ Hij had alleen maar vaag geglimlacht. Ze wist dat hij dat niet zou doen omdat hij loyaal bleef aan zijn vrouw, hoe moeilijk hij het leven met haar ook vond. Hoe moeilijk ze het bestaan ook voor hem maakte.
Ergens had ze wel begrip voor zijn loyaliteit gehad. Het maakte duidelijk hoe welwillend haar vader wilde zijn ten opzichte van zijn vrouw. Die welwillendheid had hij naar iedereen toe gehad. Ze zucht, zet haar gedachten heel even uit en kijkt naar buiten waar het landschap langzamerhand steeds meer begint te glooien. Ze glimlacht even als ze beseft dat dat betekent dat ze steeds dichter bij haar geboortestad komt. Alsof het glooien van het landschap haar zachtjes naar huis streelt. Nog even en ze zal de abstracte bouwwerken van de gesloten mijnen aan zich zien voorbijtrekken. Oude restanten van een verloren gegane industrie die een vreemde en onbedoelde schoonheid hebben. Als ze die oude restanten voorbij is, is ze zo goed als thuis, dat wil zeggen in haar geboortestad.
Zoals haar moeder voor eeuwig haar moeder is, omdat ze haar heeft gebaard, zo voelt haar geboortestad als een eeuwig thuis omdat ze er geboren en getogen is. Toch zou ze er nooit meer willen wonen. Zoals ze ook niet meer terug wil naar haar ouderlijk huis nadat ze dat eenmaal verlaten heeft en ze haar eigen thuis heeft gecreëerd. Haar eerste achttien jaar heeft ze in haar geboortestad doorgebracht en daarna is ze naar het Noorden verhuisd, eerst naar Heeze, toen naar Den Bosch en daarna naar Utrecht. En in die laatste stad woont ze nu het grootste deel van haar leven. Die stad is haar gekozen thuisstad.
Op het moment dat ze aan haar linkerkant een opvallende villa tussen de bomen ziet weet ze dat ze bijna op haar bestemming aangekomen is. Ze rekt zich uit en gaat wat rechter zitten. Door het raam ziet ze de eerste woningen verschijnen. Ze wacht totdat de trein stilstaat en stapt even later uit op het perron. Aan het einde van het perron ziet ze het stationsgebouw en loopt er heen. Ze gaat het stationsgebouw niet in maar slaat voor het stationsgebouw rechtsaf en loopt richting het busstation. Ze loopt om het busstation heen en steekt de Stationstraat over.
Vanaf het station loopt er een weg naar de oude brug. Die weg loopt ze af. In het begin is dat een brede laan, maar die houdt op bij een drukke brede weg. Daar wacht ze totdat het stoplicht op groen springt en steekt dan over. Ze loopt langs een klein plein met op de hoek een gebouw dat ze herkent als de bioscoop waar ze als kind, samen met haar broer Herman, films ging kijken. Ze kan niet goed zien wat de functie van die voormalige bioscoop is, maar dat interesseert haar ook niet echt. Voor haar is het nog steeds de bioscoop waar ze vroeger met zoveel plezier, samen met haar broer, films heeft gekeken.
De stad is veranderd, maar als zij aan haar geboortestad denkt, denkt ze terug aan de stad zoals die ruim dertig jaar daarvoor was. Deze stad is haar stad niet meer. Haar stad bestaat alleen in haar herinnering. Vanaf het moment dat ze zich realiseerde dat de heimwee die ze soms naar haar geboortestad koesterde, niet de stad zelf gold, maar naar de plekken die ze zich herinnerde, plekken die vaak veranderd of zelfs verdwenen waren, was haar heimwee over.
De heimwee die ze nog wel voelt is een verlangen naar een verleden dat niet meer bestaat, behalve in haar herinnering. Door aan dat verleden terug te denken komt ze het dichtst bij datgene wat ze verloren heeft. Vreemd genoeg wordt ze het meest met dat verloren verleden geconfronteerd door alles wat in haar stad veranderd is. Alles wat hetzelfde is gebleven mist ze eigenlijk niet. Ook dat leeft nog steeds in haar herinnering. Maakt meer deel uit van haar herinnering dan van het heden.
In grote lijnen ziet de winkelstraat die naar de oude brug leidt er nog hetzelfde uit als vroeger. Er zijn wat winkels verdwenen en er zijn wat andere winkels voor in de plaats gekomen. De oude brug is nog steeds dezelfde brug die ze al zo vaak in haar leven is overgestoken. Ook de rivier die onder de brug doorstroomt lijkt als twee druppels water op de rivier die altijd al onder die brug doorgestroomd heeft. Aan de overkant van de brug staat aan de rechterkant een klein gebouwtje waar kaarten en toeristische prullaria worden verkocht. Vanaf de brug kijkt ze recht tegen een warenhuis aan dat in haar herinnering het warenhuis de Grand Bazar was, maar nu een onderdeel uitmaakt van V&D.
Ze loopt er naar toe en slaat linksaf een smalle winkelstraat in. Veel winkeltjes en kroegen in die straat herkent ze van vroeger. Ze loopt de straat uit totdat ze bij een klein plein komt. Vroeger was het een parkeerterreintje, maar nu bestaat het voor het grootste deel uit terrasjes. De Onze Lieve Vrouwekerk werpt er een schaduw over. Ze is vroeg. Ze besluit van de gelegenheid gebruik te maken om een kop koffie te nuttigen op één van de terrasjes op het plein.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: