ruud moors ze aflevering 10
In de trein op weg naar huis denkt ze terug aan het gesprek dat ze op het strand met Petra over haar moeder heeft gehad. Ze herinnert zich hoe vervelend ze het had gevonden toen iemand gesuggereerd had dat ze op haar moeder zou lijken. Ze heeft zich altijd veel meer met haar vader geïdentificeerd dan met haar moeder. Dat is eigenlijk wel vreemd, beseft ze, omdat meisjes geacht worden zich met hun moeder te identificeren en jongens met hun vader. Maar feitelijk is haar moeder altijd een vreemde voor haar gebleven en voelt ze zich alleen met haar vader echt verwant.
Ze denkt terug aan de keer dat ze bij haar ouders was en verteld had dat ze soms nog terug verlangde naar de oude boerderij van haar grootouders die een halve kilometer van het dichtstbijzijnde dorp verwijderd lag. Dat was een plek geweest waar ze zich altijd thuis had gevoeld.
Voordat haar grootouders naar het bejaardentehuis gingen, ging haar gezin elke zondag na de kerkdienst te voet op weg naar die boerderij. Dat was een klein uurtje lopen.
Als ze bijna bij de boerderij aankwamen werden ze altijd begroet door Johnny, de waakhond van haar grootouders. Die kwam dan luid blaffend op hen af en sprong enthousiast tegen haar en haar broers op, waardoor ze over de grond rolden op het zandpad dat naar de boerderij leidde. Als ze geluk hadden was het droog en hoefden ze alleen maar het stof en zand van hun kleren te kloppen, maar als ze pech hadden had het geregend en lagen ze, tot grote ergernis van hun moeder, in de modder.
Haar grootouders zaten aan de tafel in de keuken, met de koffie pruttelend op de houtoven. Zij en haar broers kregen een beker romige melk van de koe die aan de overkant in de wei stond, naast het paard dat grootvader gebruikte om te ploegen of voor de wagen te spannen om hooi, aardappelen of mest te vervoeren. Ze had wel eens naast haar grootvader gezeten terwijl hij op de bok het paard aanmaande. Hij rook naar zweet en tabak, naar aarde en mest. Soms ruikt ze nog weleens zo’n geur. Dan is ze in gedachten weer even bij haar grootvader. Zo’n geur voelt voor haar vertrouwd en doet haar altijd onwillekeurig glimlachen.
De boerderij werd verkocht toen ze tien jaar oud was. Haar grootouders waren niet meer in staat om al het werk te doen dat nodig was om die boerderij te laten functioneren. Dus werden eerst de koe en het paard verkocht, en daarna de geiten en de schapen. Het enige varken dat ze nog hadden werd geslacht. De konijnen werden door een tante overgenomen en de kippen gingen naar een jongere broer van haar grootmoeder. Johnny mocht op de boerderij blijven, ook nadat die aan een welgestelde man verkocht was.
‘Soms droom ik weleens dat ik die boerderij had kunnen overnemen’, had ze tegen haar ouders gezegd. ‘Ja’, had haar vader gezegd, ‘ik heb dat nog overwogen’. ‘Ik zou nog liever dood zijn gegaan dan op die afgelegen boerderij te gaan wonen!’, had haar moeder hysterisch geschreeuwd, alsof ze daar alsnog toe gedwongen zou kunnen worden. ‘Daarom hebben we de boerderij ook niet gekocht, Philomena’, had haar vader geïrriteerd geantwoord. Haar moeder had nog even na geprutteld en haar vader had haar zuchtend aangekeken, met een handgebaar zijn hopeloosheid ondersteunend. Zelfs over iets dat vijftien jaar daarvoor gebeurd was kon haar moeder nog in paniek raken, ook al was het gevaar waar ze bang voor was volledig geweken.
Als haar moeder iets niet wilde of ergens een hekel aan had of zich door iets bedreigd voelde, kwam ze met haar hele wezen in opstand, of dat nou nodig was of niet. ‘Ik begrijp niet waarom jij op die boerderij zou willen wonen, zo afgelegen van alles en iedereen’, had haar moeder even later nog menen te moeten opmerken. ‘Ik begrijp niet dat jij daar niet had willen wonen’, had ze geantwoord. ‘Nou, laten we er maar over ophouden’, had haar moeder geïrriteerd gereageerd. ‘Dat lijkt me ook verstandig, mama’, was haar reactie geweest.
Even later ging ze naast haar vader in de tuin staan. ‘Poeh’, zei ze, ‘van mama krijg je soms een punthoofd’. Haar vader had alleen maar even geglimlacht. ‘Lekker zonnetje’, zei ze. ‘Ja’, zei haar vader en keek haar schuin aan. ‘Ik ben blij dat je de liefde voor mijn geboortehuis met me deelt’, zei hij, ‘alleen jammer dat de kans dat je die boerderij ooit zult kunnen bewonen niet erg groot is’. ‘Dat geeft niet papa’, zei ze, ‘het is de boerderij zoals die was, met opa en oma erin, waar ik heimwee naar heb, en die boerderij bestaat niet meer’. Nee, niet sinds de verbouwing’, had haar vader geantwoord. ‘Er is nog maar weinig van de oorspronkelijke boerderij over’.
Ze was er nog wel eens wezen kijken. De boerderij was inderdaad de boerderij, zoals ze die in haar jeugd gekend had, niet meer. De pomp voor het huis was verdwenen. Het pad langs het huis dat omhoog glooide bestond nu uit traptreden. Een groot hek sloot de deel af. Alsof bezoekers niet meer welkom waren. Het rook ook niet meer naar boerderij. Geen mestgeur meer, geen stalgeur of de geur van stro, hooi en kippen. Er stond een Porsche op de open plek voor het huis. Toen ze zich omdraaide zag ze dat het landschap nog steeds even landelijk was als vroeger, met weilanden en velden vol kool en aardappelplanten. Met de rug naar de boerderij leek er nauwelijks iets veranderd. Heel even had ze zich één gevoeld met het landschap dat ze aanschouwde.
Zo was ze even blijven staan voordat ze de weg was afgelopen. Onder aan de weg had ze zich nog een moment omgedraaid voordat ze de bocht nam op weg naar Wolder. Daar nam ze de bus en reed de Tongerseweg af, weg van de plek waar haar vader geboren en getogen was.
Vlak voordat hij gestorven was had ze haar vader nog gesproken. ‘Papa, als jij gestorven bent, ben je er voor mij nog steeds. Dan reis je met me mee, in mijn hart’. ‘En als ik nog ergens ben, dan zit je in het mijne’, had haar vader geantwoord.
Ze gelooft niet in een hiernamaals. Maar ze gelooft wel dat haar vader daadwerkelijk in haar zit. Alsof hij zijn ziel met de hare heeft vermengd en daardoor deel van haar ziel is geworden. Zo voelt hij, voor haar, altijd dichtbij. ‘Jij bent mijn beschermengel, papa’, zegt ze tegen de vader die ze in zich draagt. ‘Geloof je dan in engelen?’, hoort ze haar vader in gedachten zeggen. ‘Nee, papa’, zegt ze dan in zichzelf, ‘maar toch ben jij mijn beschermengel’. Ze weet dat dat niet rationeel is, maar ze koestert die gedachte te veel om ‘m op te kunnen geven. ‘En als je iets gelooft’, bedenkt ze, ‘dan maak je het ook een beetje waar’.
Niet lang nadat haar vader gestorven was had haar moeder een nieuwe vriend. ‘Het is niet omdat ik je vader niet mis hoor’, had ze gezegd, ‘maar ik zou niet weten waarom ik vanaf nu alleen zou moeten zijn’. ‘Dat is goed, mama’, had ze geantwoord, maar ze wist, diep in haar hart, dat haar moeder gewoon afscheid van haar vader had genomen, zoals je afstand doet van versleten schoenen en ze vervangt door een nieuw paar. Misschien mis je dan nog even hoe fijn die oude schoenen zaten, maar dat slijt met de tijd, zeker als je die nieuwe schoenen weer ingelopen hebt.
Alleen zaten die nieuwe schoenen niet echt lekker, alsof ze niet helemaal pasten. Dus kwam er een nieuw paar schoenen. Maar ook die bleken niet echt comfortabel te zitten. En het derde paar schoenen wilde helemaal niet ingelopen worden en maakte dat het weg kwam op de fiets. Pas toen leek haar moeder haar vader pas echt te gaan missen. Omdat ze geen enkele man kon vinden die, naar haar gevoel, zo goed bij haar paste als haar eerste echtgenoot. ‘Maar mama is voor papa nooit een fijn paar schoenen geweest’, bedenkt ze. ‘Ze was te klein van hart om goed passend te kunnen zijn’, mompelt ze in zichzelf. ‘Wat moet mama hem bekneld hebben’.
‘Arme papa’, denkt ze.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: