Met de aanwijzigingen van haar vader heeft ze alle geheime vakjes van het bureau open weten te krijgen. Al die vakjes blijken leeg. Onder die aanwijzigingen staat een raadselachtige zin: ‘Mozart come back’. Ze heeft geen idee wat haar vader daar mee bedoeld kan hebben. Dat alle geheime vakjes leeg zijn verbaast haar. Dat zijn de vakjes waar haar moeder haar juwelen in bewaarde, zodat die niet gevonden zouden worden, mocht er een inbraak worden gepleegd.

Ze besluit Onno te bellen. ‘Weet jij waar mama’s juwelen zijn?’, vraagt ze. ‘Ja, die liggen hier’, zegt Onno. ‘Eh, hoezo?’. ‘Die hebben wij in bewaring’. ‘Leg uit’. ‘De vrouw vond het verstandig om moeder te vragen om haar juwelen uit die geheime vakjes te laten halen voordat ze te dement was om zich nog te kunnen herinneren hoe dat moest’, zegt Onno. Dat Onno zijn echtgenote ‘de vrouw’ noemt, is iets waar ze niet echt aan kan wennen. Als hij het tegenover zijn kinderen over haar heeft, heeft hij het altijd over ‘mama’. Ze kan zich niet herinneren dat Onno ooit aan zijn vrouw heeft gerefereerd door haar bij haar naam te noemen.

‘Dus jullie hebben nu alle juwelen’, concludeert ze. ‘Nou ja, de vrouw vindt eigenlijk ook dat ze hier thuishoren, zodat ze in de familie blijven’. ‘Hoezo dat?’, vraagt ze verbaasd. ‘Als ze naar jou gaan dan is de kans groot dat ze uit de familie verdwijnen als jij doodgaat’, zegt Onno. ‘Maar Onno’, zegt ze, ‘jouw vrouw gaat toch helemaal niet over de erfenis van mama. Dat is een zaak tussen Herman, jou en mij’. ‘Nou, daar ben ik het helemaal niet mee eens’, zegt Onno, ‘de vrouw heeft de afgelopen jaren, samen met mij, voor mama gezorgd’. ‘Dan vind je dus ook dat de partner van Herman en dat Petra bij de beslissingen over de erfenis betrokken mogen worden’, concludeert ze. ‘Nee, natuurlijk niet, die staan veel verder van mama af’, meent Onno.

‘Ik ben het er niet mee eens dat jouw vrouw zich met onze erfenis bemoeit’, zegt ze stellig, ‘Herman, jij en ik zijn erfgenamen, niet jouw vrouw en ook niet jouw kinderen’. ‘Ja, maar dan verdwijnt straks een deel van de erfenis in vreemde handen’, meent Onno. ‘Nou en?’, zegt ze, ‘wat dan nog? Wat ik met mijn erfdeel doe gaat jou en je vrouw niets aan’. ‘Ja, maar dat zou mama nooit gewild hebben’, werpt Onno tegen. ‘Dat zou jouw vrouw nooit willen, bedoel je’, reageert ze bozer dan haar bedoeling is. ‘Hier heb ik helemaal geen zin in!’, roept Onno geïrriteerd en gooit de hoorn op de haak.

‘Godverdomme’, zegt ze uit de grond van haar hart. Ze voelt haar hart hevig in haar borst kloppen. Ze ademt diep in en ademt net zo diep weer uit. Dat doet ze een aantal keren totdat haar hart weer enigszins kalmeert. Hoewel ze de neiging heeft om Herman meteen te bellen om te vertellen over de confrontatie die ze met Onno heeft gehad, besluit ze om eerst even een wandeling te maken om een beetje tot rust te komen. 

Ze loopt de binnenstad van Utrecht in, langs de Oude Gracht. Bij een brug gaat ze linksaf en loopt onder de Domtoren over het Domplein naar de Domkerk die ze binnen gaat. Ze loopt helemaal naar achteren naar een plek met twee bankjes waar ze twee kaarsjes brandt. Eén voor haar vader en één voor haar moeder. Ze zucht en gaat op een bankje zitten, haar handen gevouwen in haar schoot, het hoofd licht naar beneden gebogen. Zo lijkt het alsof ze zit te bidden, maar haar gedachten zijn niet bij God.

‘Mama en papa’, denkt ze, ‘ik weet niet wat ik met Onno aan moet. Ik heb mijn best gedaan om geduld met mijn jongere broertje te hebben en hem te begrijpen. Het moet voor hem niet altijd gemakkelijk geweest zijn om de jongste te zijn, zeker niet omdat Herman en ik het altijd goed hebben kunnen vinden samen. Ik begrijp heus wel dat hij zich daardoor vaak buitengesloten heeft gevoeld. Ik heb hem daarom ook altijd het voordeel van de twijfel gegeven, maar hij is soms zo verdomde onredelijk, dat me dat niet altijd meer lukt. Sorry, maar ik gooi de handdoek in de ring. Hij bekijkt het maar. Ik voel me niet langer meer verantwoordelijk voor zijn welbevinden, dat laat ik vanaf nu aan jullie over, oké?’. Ze beseft hoe vreemd het is dat ze hier tegen haar dode ouders zit te praten, maar het lucht haar wel op.

Onno was altijd de benjamin van het gezin. Als oudere zus heeft ze altijd geprobeerd om er voor hem te zijn. Maar ze is wel altijd de oudere zus geweest en heeft niet kunnen voorkomen dat Onno jaloers is op het contact dat Herman en zij hebben. Ze is maar twee jaar jonger dan Herman, waardoor hun relatie een stuk gelijkwaardiger is. ‘Jullie nemen mij nooit echt serieus’, heeft Onno vaker dan eens gezegd. En in zekere zin was dat, zeker vroeger, ook zo. Hij was en bleef het jongere broertje. Toen Herman en zij samen uitgingen mocht hij niet mee. Toen ze samen concerten bezochten ook niet. ‘Jullie sluiten mij altijd buiten’, had hij geklaagd. ‘Je bent gewoon nog te jong om mee uit te gaan’, had Herman gezegd, ‘daar kan ik niks aan doen’, had hij er nog aan toegevoegd, ‘dat is gewoon zo, wen daar maar aan Onno’.

Ze had wel medelijden met Onno gevoeld. Dus deed ze ook dingen samen met hem. Niet omdat ze daar zelf veel plezier aan beleefde, maar omdat ze het Onno gunde. Dus speelde ze samen met hem spelletjes die ze eigenlijk voor zichzelf te kinderachtig vond. Ze liet hem ook vaak winnen zodat hij zich niet te klein zou voelen. Op de momenten dat ze hem aandacht gaf leek hij dat wel te waarderen, maar dat bleek hij te vergeten op het moment dat ze weer iets samen met Herman deed waar Onno, vanwege zijn leeftijd, niet aan mee mocht doen, en waardoor hij zich weer buitengesloten voelde.

Wat Onno ook dwars zat was dat hij, door moeder, als de domste van de drie kinderen werd beschouwd. Ze hadden alledrie een IQ-test gedaan. Herman bleek hoogbegaafd met een IQ van 135. Zij kwam met een IQ van 125 uit de test, maar Onno scoorde ‘slechts’ een IQ van 115. Moeder vond het belangrijk dat haar kinderen een hoog IQ hadden. Volgens haar hadden ze dat te danken aan haar genen. Vooral op de hoogbegaafdheid van Herman was ze trots. Dat zij minder slim was dan Herman, vond moeder minder erg, omdat ze dat voor een meisje niet zo belangrijk achtte en omdat ze dat compenseerde door andere talenten.

‘Dat muzikale talent heb je ook van mijn kant van de familie’, beweerde haar moeder, toen ze piano leerde spelen. Ook haar tekentalent had ze, volgens haar moeder, aan haar genen te danken. Tegen een hoogbegaafde oudere broer en een artistieke oudere zus kon Onno niet op. Al moeder’s trots was al vergeven. Op de een of andere manier bleef Onno dat zijn oudere broer en zus kwalijk nemen. Alsof zij hem door te zijn wie ze waren iets hadden afgepakt waar hij recht op meende te hebben.

Zij had geprobeerd dat te compenseren door er voor Onno te zijn als hij bevestiging nodig had. Op het moment dat zij hem bevestiging gaf, leek hij daar ook dankbaar voor. Maar zodra ze het niet met hem eens was en tegen hem in ging, draaide zijn houding honderdtachtig graden om, dan deugde er niets meer van haar en moest hij niets meer van haar hebben. Hoe ze ook haar best deed, krediet bouwde ze nooit bij hem op. Hij was of tevreden met haar bevestiging of woedend als ze tegen hem in ging. Dat hij het haar op die manier onmogelijk maakte om een gelijkwaardige relatie met hem aan te gaan, leek niet tot hem door te dringen.

‘Ik geef het op’, zegt ze in gedachten tegen de geesten van haar ouders. ‘Ik heb hier geen zin meer in’. Ze ademt diep in, ze ademt diep uit. Ze hoort een kuchje en kijkt op. ‘We gaan zo sluiten’, zegt een man in een wat loszittend pak, ‘maar blijf rustig even zitten. Je kunt als je klaar bent door die deur nog naar buiten’, wijst hij. Ze blijft nog even zitten. Ze glimlacht en voelt zich rustiger worden. ‘Wat lief dat ik niet naar buiten gejaagd wordt’, denkt ze. 

Na een tijdje staat ze op, doet de deur open, stapt naar buiten en doet de deur weer dicht. Ze hoort de deur vanzelf in het slot vallen. Ze kijkt om zich heen en luistert naar de stadsgeluiden. Verkeer, geroezemoes van mensen en vogels die daarbovenuit proberen te komen. ‘Goed Onno’, denkt ze, ‘ik laat je nu aan mama en papa over’. Op haar gemak loopt ze, een stuk lichter in haar borst, terug naar huis.