‘God bestaat niet’, had Herman plompverloren gezegd, terwijl ze, na het avondeten, aan de koffie zaten. Hun moeder reageerde als door een wesp gestoken. ‘En wie heeft dan alles gemaakt?’ was haar verontwaardigde, retorisch bedoelde vraag. ‘Niemand’, zei Herman kalm. Hun vader keek hem enigszins geamuseerd aan en vroeg: ‘Hoe weet je dat zo zeker?’ , Nou’, zei Herman, ‘dat is logisch toch, niemand kan bewijzen dat God bestaat.’ ‘Ja’, beaamde hun vader, ‘maar er is ook niemand die kan bewijzen dat God niet bestaat.’ ‘Er is ook niemand die kan bewijzen dat de verschrikkelijke sneeuwman niet bestaat’, grijnsde Herman, ‘maar toch ga ik er van uit dat hij, zolang niet onomstotelijk is vastgesteld dat hij wel bestaat, niet bestaat.’ Dat vond ze geen onredelijke aanname. 

Hun ouders waren katholiek, zoals hun ouders voor hen en diens ouders voor hen. Daarom hadden hun ouders hen laten dopen en vervolgens een katholieke opvoeding gegeven. Ze gingen naar een katholieke lagere school en iedere zondag naar de kerk. Op haar zevende had ze de communie gedaan en op haar twaalfde had ze zich verplicht gevoeld om de plechtige communie te doen. Dat was een soort bevestiging van het katholiek zijn. Ze wist niet zeker of ze dat wel wilde, maar durfde geen nee te zeggen toen haar gevraagd werd haar doopbelofte te hernieuwen. Dus had ze het maar gewoon gedaan.

Ze wist niet precies meer waar of van wie ze over predestinatie had horen spreken, maar dat idee had haar geloof aardig verstoord. Niet dat ze daardoor meteen van haar geloof was afgevallen, maar door het idee dat alles al door God was voorbestemd was ze aardig in verwarring geraakt. Een verwarring waar ze niet echt uitkwam. Als God alles al had voorbestemd dan had hij ook al haar handelen voorbestemd. Daar had ze dan feitelijk niets over te zeggen. Maar als niet zij maar God haar handelen bepaalde, was God dan niet verantwoordelijk voor de dingen die ze deed? En als dat zo was, was het dan niet vreemd dat God haar met de hel kon straffen vanwege haar handelen, terwijl hijzelf bepaald had dat ze zo zou handelen? Dat leek haar gewoon niet eerlijk. 

Daar worstelde ze mee. Daar kwam ze niet uit. Dus toen haar oudere broer verklaarde dat God niet bestond, was die gedachte een enorme opluchting voor haar. Ze geloofde liever niet in een God die haar handelen bepaalde maar haar vervolgens wel voor dat, door hem bepaalde, handelen zou kunnen straffen. Dan was ze liever zelf verantwoordelijk voor haar handelen. Zelfs als ze daar terecht voor gestraft zou kunnen worden. 

Toch vond ze dat haar vader ook wel een punt had met zijn opmerking dat je niet kunt bewijzen dat God niet bestaat. Dat de verschrikkelijke sneeuwman niet bestaat is immers ook maar een aanname. Dat iets niet bestaat is feitelijk nauwelijks te bewijzen. Stel dat iemand zou beweren dat de Wipwapwop het bestaan heeft doen ontstaan door te woepen, dan kan niemand bewijzen dat dat niet zo is. Maar zolang niemand kan bewijzen dat het wel zo is, is het niet onverstandig om er van uit te gaan dat die Wipwapwop niet bestaat, en er dus ook niet zoiets als woepen bestaat. Maar zeker weten kun je dat niet.

En dan vroeg ze zich nog iets af. Bestaat een verzonnen personage of bestaat dat verzonnen personage niet? Als God een verzonnen personage is, die alleen al door verzonnen te zijn invloed op de werkelijkheid heeft, kun je dan wel zeggen dat dat verzonnen personage niet bestaat? Hoe zou iets dat niet bestaat invloed kunnen hebben op het bestaan?

Dat God invloed heeft op het bestaan is een gegeven, bedacht ze. Alleen al door in God te geloven heeft God invloed op het bestaan, niet alleen van de mensen die in hem geloven, maar ook van de mensen die niet in hem geloven. Je kunt alleen maar niet in een God geloven als er een God is waarin je niet kunt geloven. Zonder God is atheïsme onmogelijk. ‘Ik denk niet dat er dieren zijn die in God geloven, maar er zijn ook geen dieren die niet in God geloven. Omdat ze geen Godsbesef hebben, kunnen ze die keuze ook niet maken’, dacht ze bij zichzelf.

Ze besloot dat het al dan niet in God geloven gewoon een keuze is. In tegenstelling tot Herman koos ze er niet voor om niet in God te geloven, hoewel ze zijn argument dat het bestaan van God niet te bewijzen valt wel degelijk valide achtte. Ze koos er ook niet voor om, zoals haar vader, wel in God te geloven, hoewel zijn argument dat je ook niet kunt bewijzen dat God niet bestaat ook niet echt te weerleggen was. Ze besloot dat ze helemaal niet hoefde te kiezen. Vreemd genoeg was ze daarmee haar verwarring kwijt.

Diezelfde avond ging ze naar bed maar kon nog niet slapen. Zoals zo vaak maalde het in haar hoofd. Ze sliep nog niet, maar in haar hoofd ontstond, als vanzelf, een verhaal. In dat verhaal had ze een leven lang geleefd en was ze uiteindelijk gestorven. Christus stond haar bij de hemelpoort op te wachten. ‘Je bent niet elke week naar de kerk gegaan’, zei hij. ‘Nee, dat klopt’, zei ze. ‘Je hebt ook niet gehandeld in mijn naam’, zei hij vervolgens. ‘Nee, ook dat klopt’, beaamde ze. Op het moment dat hij wellicht zou gaan zeggen dat ze daarom de hemel niet binnen mocht, verplaatste ze zich in Christus. Ze realiseerde zich dat als zij Christus was, ze iemand die op de juiste manier geleefd had, maar zich niet aan haar en haar kerk onderworpen had, juist de hemel zou binnenlaten. Omdat die persoon vanuit een intrinsieke motivatie het juiste had gedaan en niet met de bedoeling om beloond te worden of vanwege de angst om gestraft te worden.

‘Het is helemaal niet belangrijk om in God te geloven’, bedacht ze, ‘maar het gaat er om op de juiste manier te leven’. Mocht er dan een hemel zijn en mocht je daar dan niet binnengelaten worden omdat je je niet kritiekloos aan God en diens kerk onderworpen hebt, dan wilde ze daar ook helemaal niet zijn. ‘In een God die mensen die liefdevol hebben geleefd, maar zich tijdens hun leven niet aan hem hebben onderworpen, met de hel wenst te straffen, wil ik niet geloven, zelfs niet als bewezen zou worden dat hij echt bestaat’, realiseerde ze zich. 

‘Of God beoordeelt mij op mijn handelen, en dan hoef ik niet in hem te geloven, of God beoordeelt mij op mijn kritiekloze onderworpenheid en dan wil ik niet in hem geloven’. Ze was dertien toen ze die conclusie trok. Daardoor maakte ze zichzelf los van het idee dat God alles bepaalt wat er gebeurd is, op dit moment gebeurt en in de toekomst zal gebeuren en dan toch de mensen straft die doen wat hij vooraf voor hen bepaald heeft. 

Ze was dertien en liet de God waar ze tot dan toe in geloofd had los. Voorgoed.

Ze zaten met een aantal vrienden bij elkaar en Herman vertelde over het gesprek dat hij met zijn ouders had gehad over God. ‘Als je niet kan bewijzen dat God bestaat dan bestaat God voor mij niet’, zei hij, overtuigd van zijn eigen gelijk. Daar was Peter, die in een socialistisch gezin was opgegroeid, het wel mee eens. Adriaan dacht er anders over. ‘Alles wat bestaat, dat allemaal samen, dat noem ik God’, zei hij. Dat standpunt was nieuw voor haar. Ze had er nooit over nagedacht dat je God ook gewoon anders kon definiëren. In de God zoals Adriaan die definieerde hoefde je niet te geloven. Als je die definitie van God overnam dan bestond God gewoon. Of je zou het bestaan van het bestaan van het totaal van Alles ter discussie moeten stellen. 

‘Niets is waar en zelfs dit niet’, was een semi-diepzinnige stelling die ze in hun vriendenkring weleens gehoord had. ‘Hoe weet je nou zeker dat de wereld echt bestaat en dat je dat niet alleen maar denkt?’, was ook al zo’n semi-diepzinnige vraag. ‘Ik denk dus ik ben’, was het antwoord van Descartes, maar om te kunnen denken dat je bent moet je er natuurlijk eerst zijn om dat te kunnen denken. Hoewel ze dat soort redeneringen wel grappig vond, nam ze ze niet wezenlijk serieus. Dat er bestaan is kun je wel in twijfel trekken, maar dat is feitelijk onzinnig. ‘Net zo onzinnig als de twijfel zelf in twijfel trekken’, bedacht ze.

Dat je de essentie van het bestaan niet kunt kennen, stond al vroeg voor haar vast. Elk antwoord op elke vraag belicht hooguit een piepklein deel van de werkelijkheid. Als ze de definitie van God, zoals Adriaan die gaf, overnam, dan wist ze God wellicht wel te benoemen, maar dan kende ze hem nog steeds niet. Als je het totaal van het bestaan tenminste ‘hem’ kan noemen. ‘Eigenlijk is God dan meer een ‘het’ dan een ‘hem’. En als God het totaal van het bestaan is, dan is God per definitie onkenbaar’, bedacht ze. Want het totaal van het bestaan bevatten leek haar per definitie onmogelijk.

Maar hoe je God ook definieerde, van religie moest ze niet zoveel meer hebben. Religie ging teveel over kritiekloze gehoorzaamheid en onderworpenheid. De zekerheid waarmee mensen zich kennis over God toe-eigenden stond haar tegen. Ze besloot de onzekerheid te omhelzen. Veel later las ze drie zinnen in de Dao De Jing waarin ze een bevestiging van haar keuze zag. 

  • ‘Weten dat je niet weet, dat is het beste. 
  • Niet weten dat je niet weet is een gebrek. 
  • De wijze mens heeft een gebrek aan dat gebrek en heeft daarom geen gebrek.’

Dat haar gevoel bevestigd werd door een tekst die iemand 2500 jaar eerder had geschreven, had haar hevig ontroerd.