ruud moors ze aflevering 15
De telefoon gaat. ‘Ha zus, met Herman. Ik val maar meteen met de deur in huis. Ik ben door Onno gebeld die kwaad op jou blijkt te zijn omdat jij meent dat je, omdat je het bureau hebt geërfd, ook recht zou hebben op de juwelen van mama’. ‘O?’, zegt ze. ‘Ja, hij zei dat mama de juwelen, voordat ze gestorven is, aan zijn gezin heeft doen toekomen, zodat die juwelen in de familie zouden blijven, zodat ze uiteindelijk bij zijn dochter terecht zullen komen’. ‘Godverdomme’, zegt ze uit de grond van haar hart, ‘dat is niet zoals het gesprek tussen hem en mij ging. Hij maakt er totaal iets anders van’. ‘Vertel’, zegt Herman, die nieuwsgierig is naar haar versie van het verhaal.
‘Ik heb, met behulp van de aanwijzigingen van papa, alle geheime vakjes geopend en verwachtte daar mama’s juwelen in te vinden, omdat ik wist dat ze die juwelen daar verborgen hield. Maar al die vakjes waren leeg. Dus belde ik Onno om hem te vragen of hij wist waar mama’s juwelen waren. En hij vertelde dat mama die juwelen, op verzoek van zijn vrouw, uit die geheime vakjes had gehaald en ze bij hen in bewaring had gegeven. En zijn vrouw vond, volgens Onno, dat die juwelen uiteindelijk naar haar dochter horen te gaan. Ik heb toen nog geopperd dat zijn vrouw niet over onze erfenis gaat, maar dat dat een zaak is van jou, mij en hem, maar daar was hij het niet mee eens. Toen ik daar aan vast bleef houden werd hij kwaad en gooide de hoorn op de haak’.
Het is even stil. ‘Poeh’, zegt Herman dan, ‘nou eigenlijk verbaast mij dat niks. Ik vond het al vreemd dat de juwelen door mama aan Onno gegeven zouden zijn. Ik weet dat mama had gewild dat jij ze zou krijgen. Ik meen me duidelijk te herinneren dat ze me dat ooit verteld heeft. Hier zit de vrouw van Onno achter, vermoed ik’. ‘Dat weet ik wel zeker’, zegt ze. ‘Dan kun je naar die juwelen fluiten’, concludeert Herman. ‘Ja’, zegt ze, ‘dat denk ik ook’.
Ze laat weer even een stilte vallen en zegt dan: ‘Herman, ik moet je iets vertellen. Papa had nog een geheim compartiment in het bureau gemaakt, eentje waar mama zelfs niks van af wist’. ‘Vertel’, zegt Herman. ‘Papa heeft onder de aanwijzigingen hoe de geheime compartimenten geopend moesten worden een zinnetje geschreven waarvan hij wist dat alleen ik in staat was om de sleutel te ontcijferen. Daardoor kon ik dat laatste compartiment openen. Daar zat een brief in van papa. Voor mij. Een nogal heftige brief’. Ze zwijgt even. ‘Wil je die met me delen?’, vraagt Herman.
Ze leest hem de brief voor. ‘Wow’, reageert Herman. ‘Dat is heftig zus. Dus eigenlijk ben je zowel mijn zus als mijn broer’. Ze schiet in de lach. ‘Ja, zo is het feitelijk wel’, zegt ze. ‘Ik weet eigenlijk niet goed hoe ik hier op moet reageren’, zegt hij. ‘Dit moet een enorme schok voor je zijn’. ‘Dat kan ik niet ontkennen’, zegt ze. ‘Het is vreemd om ineens te horen dat je iemand anders bent dan je dacht te zijn, of in ieder geval oorspronkelijk iemand anders geweest te zijn dan je nu bent’. ‘Daar kan ik me alles bij voorstellen’, zegt Herman, ‘dat is heftiger dan er achter komen dat je homoseksueel bent, terwijl je dat eigenlijk niet zou willen zijn’. “O, had jij geen homoseksueel willen zijn?’, vraagt ze. ‘Dat doet er nu niet toe’, zegt hij, ‘maar jij bent eigenlijk gewoon verminkt. Bewust verminkt, zonder medische noodzaak. Jezus allemachtig’.
‘Als het aan papa had gelegen was dat niet gebeurd’, zegt ze, ‘in ieder geval niet zo snel’. ‘Toch vind ik dat papa je dat tijdens zijn leven al had moeten vertellen. Het is niet netjes om je op deze manier met zo iets heftigs op te zadelen’, meent Herman. ‘Ik begrijp het wel’, zegt ze, ‘mama zou het hem nooit vergeven hebben als hij dat tijdens zijn leven al had verteld. Je weet hoe hysterisch ze kon worden als de dingen niet volgens haar draaiboek gingen. Weet je nog wat er gebeurde toen jij op je elfde of twaalfde te kennen gaf dat je voor kok wilde doorleren? Dat kon je vergeten, want mama wilde het niet, omdat je dan je toekomstige vrouw zou dwingen de avonduren alleen door te moeten brengen. Toen ben je toch maar gewoon naar de MULO gegaan en niet naar de koksschool. Pas toen je er achter kwam dat je op mannen viel en degene op wie je verliefd werd ook kok wilde worden, durfde je je droom na te jagen’. ‘Dat is waar’, zegt Herman, ‘mama kon inderdaad nogal dwingend zijn’. ‘Dat vind ik nogal mager uitgedrukt’, zegt zij grinnikend.
‘Zus’, zegt hij, ‘als je even tot rust wilt komen of als je behoefte hebt aan een luisterend oor, dan ben je hier van harte welkom, dat weet je’. ‘Misschien neem ik je uitnodiging wel aan’, zegt ze, ‘maar ik geloof dat ik eerst even op adem moet komen. Ik heb die brief vannacht pas gelezen en heb daarna nog helemaal niet geslapen. Het blijft maar malen in mijn hoofd’. ‘Texel is een ideaal eiland om je hoofd leeg te laten waaien’, zegt Herman, ‘en de logeerkamer staat tot je beschikking. Als je komt kun je je op elk moment dat je er behoefte aan hebt terugtrekken, terwijl wij er voor je zijn als je behoefte aan gezelschap hebt. En je weet het, ook Petra is welkom, mocht je graag samen met haar komen uitwaaien’.
‘Dank je voor het aanbod broer. Ik denk dat ik er gebruik van maak. Maar eerst ga ik naar Haarlem om hier met Petra over te praten. Die weet nog van niks. Ik zal haar vragen of ze zin heeft om mee te komen. Ik weet niet precies wanneer ik kom, alleen of samen met Petra, maar ik geloof inderdaad dat Texel de goede plek is om even tot rust te komen’. ‘Mooi’, zegt Herman, ‘dan zie ik je vanzelf wel verschijnen. Dag zus’. ‘Tot snel broerlief’, zegt ze.
Ze belt Petra. ‘Komt het uit als ik naar Haarlem kom?’, vraagt ze. ‘Natuurlijk’, zegt Petra. ‘Dan kom ik eraan’. Ze legt de hoorn op de haak en pakt wat spullen bij elkaar en doet die in haar rugzak. Ze vergeet ook de brief van haar vader niet. Dan loopt ze naar het station en neemt de trein naar Haarlem. Pas als ze gaat zitten merkt ze hoe moe ze is. Ze ademt diep in en uit. Ze staart naar buiten terwijl ze naar binnen denkt. ‘Ik dacht dat ik een lesbische vrouw was, dat ik me seksueel aangetrokken voelde tot vrouwen’. Ze laat dat even bezinken. ‘Eigenlijk ben ik een manvrouw. Dus als ik op een vrouw val, val ik dan als man op die vrouw, waardoor ik heteroseksueel ben, of val ik dan als vrouw op die vrouw, waardoor ik lesbisch ben?’, vraagt ze zich in gedachten af.
Het is alsof ze even niet meer weet wie of wat ze is, alsof de identiteit die ze dacht te hebben haar ware identiteit niet is. Maar het is ook niet zo dat de identiteit die ze dacht te hebben haar identiteit niet is. Ze is vrouw. Dat is ze ook altijd geweest. Het is niet alsof de identiteit die ze dacht te hebben van haar is afgenomen, maar alsof ze er een identiteit bij heeft gekregen waarvan ze niet wist dat ze die had.
‘Wat is identiteit eigenlijk?’, vraagt ze zich af. Ze heeft ooit een essay gelezen van iemand die een Joodse vader en een Palestijnse moeder had. Ook hij had zich afgevraagd wat zijn identiteit nou eigenlijk was. Hij voelde zich zowel Joods als Palestijns. Kon dat wel? Hij had als oplossing bedacht dat een identiteit ontstaat door identificatie. Hij identificeerde zich zowel met Joden als met Palestijnen, waardoor, zo besloot hij, zijn identiteit zowel Joods als Palestijns was. Maar niet alleen dat. Hij bedacht dat hij zich met alle mensen kon identificeren en dat zijn identiteit daardoor alleen maar groter werd. ‘Een identiteit groeit naarmate je je met meer mensen identificeert’, was zijn basisstelling. Dat vond ze wel een mooi idee.
‘Waarom zou ik me niet met een man én een vrouw kunnen identificeren?’, bedacht ze. ‘Dan wordt mijn identiteit alleen maar groter’. Ze had zich nooit honderd procent vrouw gevoeld. Ze had zich altijd vooral mens gevoeld. Bestond dat wel, honderd procent vrouw of man zijn? Of zit er in iedere vrouw een stukje man verborgen en in iedere man een stukje vrouw?
Heel even voelt ze boosheid. Kwaad op de arts die haar geopereerd heeft, kwaad op haar moeder die haar niet geaccepteerd heeft zoals ze ter wereld kwam, maar er voor koos haar te verminken, vanwege wat de mensen zouden zeggen, vanwege haar eigen onvermogen om de werkelijkheid te accepteren zoals die zich aan haar voordeed. Maar het was ook de tijdgeest, beseft ze. Er mocht niets bestaan dat het idee van mannen en vrouwen aan kon tasten. Daar diende de werkelijkheid zich maar naar te voegen. Dus was homoseksualiteit taboe. Dus werden jongetjes en meisjes op scholen gescheiden. En dus werd een kind dat allebei was veranderd in een jongetje of een meisje. Heel even was ze kwaad op de tijd waarin ze geboren was, maar daar moest ze zelf meteen weer om lachen. Alsof je kwaad kunt worden op zoiets abstracts als de tijdgeest.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: