ruud moors ze aflevering 16
‘Ik moet je iets raars vertellen Petra, en ik heb geen idee hoe je daar op zal reageren, dus ik vind het nogal eng’. ‘Vertel’, zegt Petra, terwijl ze zich geïnteresseerd naar haar toe buigt. ‘Je weet dat mijn vader geheime vakjes had gemaakt in het bureau dat hij voor mama had gemaakt. Die vakjes waren overigens leeg, maar dat is een ander verhaal. Waar ik het met je over wil hebben is dat er nog een geheim vakje was waar zelfs mijn moeder niets van wist. Mijn vader had een cryptische zin opgeschreven waarvan hij wist dat ik die kon ontcijferen, maar mijn moeder niet. En ook niemand anders. Mijn vader heeft mijn moeder opgedragen om het bureau aan mij over te dragen na haar dood, waarschijnlijk met de hoop dat ik dat compartiment uiteindelijk zou weten te openen. En dat was ook zo’.
Ze zwijgt even. ‘Ga door’, zegt Petra. ‘In dat geheime compartiment zat een brief van mijn vader die aan mij gericht was en die ik je graag wil voorlezen’.
Ze leest de brief voor.
‘Dus je bent zowel man als vrouw’, zegt Petra kalm, nadat ze de inhoud van de brief tot zich door heeft laten dringen. ‘Ja, ik hoop niet dat dat een probleem is’. ‘Lieve schat, je weet dat ik bi ben, dat ik zowel op mannen als op vrouwen val, dus nu ik weet dat jij allebei bent val ik alleen nog maar meer op je’. Ze zucht opgelucht. ‘Ik hoopte al dat je het geen probleem zou vinden, maar helemaal zeker durfde ik er niet van te zijn’.
‘Ik hou van jou’, zegt Petra met een glimlach, ‘of je man bent of vrouw of allebei of geen van beiden, dat maakt me allemaal niet uit. Ik hou van jou omdat je de liefste persoon bent die ik ken, gewoon omdat je bent wie je bent. Dat weet je toch’. Ze voelt haar ogen vochtig worden. ‘Dank je wel lieve schat’, zegt ze, ‘ik hou ook van jou’.
Ze zitten zwijgend tegenover elkaar aan de keukentafel en kijken elkaar aan. Ze voelt zich opgelucht, blij dat ze de brief van haar vader met Petra heeft gedeeld. Ze kijkt naar haar vriendin en merkt dat ze glimlacht. Haar vriendin kijkt haar met stralende ogen aan. Er zijn geen woorden nodig om de gevoelens die ze voor elkaar hebben uit te drukken. Het is genoeg om tegenover elkaar aan de keukentafel te zitten, met ieder een kop koffie voor zich. Het is genoeg om in elkaars aanwezigheid te zijn en de geborgenheid die ze voor elkaar betekenen te voelen.
’s Avonds in bed liggen ze dicht tegen elkaar aan. Na een tijdje voelt ze het lichaam van haar vriendin ontspannen en weet ze dat Petra in slaap gevallen is. Voordat zij in slaap valt vertoeft ze meestal in een soort halfslaap. Dan voelt ze de spanning in haar lichaam en accepteert die, waardoor ze, ondanks de spanning in haar lijf toch ontspannen is. Voordat ze uiteindelijk in slaap valt vertoeft ze in een soort tussenwereld waarin het is alsof ze zichzelf verhalen vertelt die op dromen lijken, maar het nog niet zijn omdat ze nog half bij bewustzijn is. Tussendromen zou je ze kunnen noemen. Een soort staat van zijn waarbij het onderbewustzijn naar het bewustzijn sijpelt en daar beelden en gevoelens oproept.
Ze droomt dat ze moet plassen en zoekt naar een damestoilet. Ze ziet een vrouwenfiguur op een deur staan en gaat naar binnen. Achter de deur kan ze nergens een toilet vinden. Ze bevindt zich in een lege ruimte met een deur waarop een mannenfiguur staat. ‘Nou, dan ga ik daar maar naar binnen’, denkt ze en opent de deur. Ook achter die deur is geen toilet te vinden, alleen maar een volgende deur waarop een vrouwenfiguur staat. Ze voelt de druk op haar blaas, doet die deur open en ziet dat ook daar een lege ruimte is, met een deur waarop een mannenfiguur staat. De druk op haar blaas wordt groter.
Ze schrikt wakker uit die halfslaap en voelt dat ze inderdaad naar het toilet moet. Ze staat op en gaat naar het toilet. Ze realiseert zich dat op de deur van dit toilet geen vrouwenfiguur of mannenfiguur staat. Opgelucht gaat ze zitten en plast.
De volgende ochtend brengt Petra haar koffie op bed. Ze drinkt de koffie op nu die nog heet is.
‘Ik snap niet hoe je die koffie naar binnen krijgt, zonder hem eerst af te laten koelen’, zegt Petra. ‘Dat vind ik juist lekker’, zegt ze, ‘hete koffie die de slokdarm verwarmt. Je moet natuurlijk niet te grote slokken nemen, maar kleine slokjes, vlak achter elkaar, daar wordt mijn innerlijk heerlijk door opgewarmd’. ‘Daar heb ik jou voor’, zegt Petra. Ze ontvangt het compliment met een glimlach.
Even later, als ze aan de keukentafel zitten te ontbijten, vraagt ze: ‘Heb jij eigenlijk nog plannen voor dit weekend?’. ‘Nee, niet echt’, zegt Petra, ‘hoezo?’. ‘Zou je met mij mee willen naar Texel? Herman heeft me uitgenodigd en hij zei nadrukkelijk dat jij ook welkom bent’. ‘Dat is fijn om te horen. En ja, dat lijkt me leuk. Ik moet nog wel even wat spullen pakken’. ‘Natuurlijk’, zegt ze.
Twee uur later zitten ze in de trein naar Den Helder. ‘Ik kom graag op Texel’, zegt ze, ‘en niet alleen vanwege mijn broer. Er komen weliswaar veel toeristen, maar die zoeken steeds dezelfde stukken van het eiland op. Als je er vaker komt, dan ontdek je vanzelf plekken die rustig zijn en waar je nauwelijks mensen tegen komt’. ‘Toen ik jong was waren er vredeskampen op Texel, toen ben ik er ook vaak geweest. En je hebt gelijk, er zijn hele stukken Texel die zelfs in het hoogseizoen volkomen rustig zijn. En zeker als je ’s morgens heel vroeg, bij het ochtendgloren, een strandwandeling gaat maken’. ‘Ja, dat is toch anders dan bij het avondgloren’, zegt ze met een grijns. ‘Volgens mij is er helemaal niet zoiets als het avondgloren’, zegt Petra met een semi-opgetrokken wenkbrauw. ‘Volgens mij gloort alleen de ochtend’. ‘En wat doet de avond dan?’, vraagt ze. ‘Die schemert’,zegt Petra, ‘avonden schemeren en ochtenden gloren’. ‘Dan ben ik benieuwd wat de middag doet’, zegt ze met een grijns. ‘Ik heb geen idee’, zegt Petra. ‘En wat doet de nacht dan?’. ‘Dat spreekt toch vanzelf’, zegt Petra, ‘de nacht braakt’.
Vanaf Den Helder nemen ze de boot naar Texel. Het is zonnig en dus gaan ze op het dek zitten. Na een klein half uur legt de boot aan. Ze nemen de bus naar Den Burg en lopen naar het restaurant van Herman en diens partner. Daar worden ze door Herman begroet met de vraag of ze al een lunch hebben gehad. Even later zitten ze met z’n drieën aan een tafeltje op het terras. ‘Hoe is het zus?’, vraagt Herman. ‘Eigenlijk wel goed’, zegt ze naar waarheid. ‘Ik ben blij dat je er bent’, zegt hij, ‘en jij ook’, voegt hij Petra toe. ‘Dank je’, zegt ze. ‘Hoe is het met jou Herman’, vraagt ze.
‘Druk’, zegt hij, ‘maar dat betekent dat het goed gaat, want hoe drukker het is, hoe meer we verdienen. En we wisselen elkaar af. Dus als ik even behoefte heb aan rust, dan kan ik die ook nemen. Dat is het voordeel van het partnerschap’. ‘Maar dan zie je elkaar wel weinig’, merkt ze op. ‘Dat valt wel mee’, zegt Herman, ‘we werken ook veel samen’.
‘En laat je je man niet teveel alleen in de avonduren?’, vraagt ze, verwijzend naar de argumenten waarmee haar moeder had willen voorkomen dat Herman voor het koksvak zou kiezen. Herman lacht. ‘Ja wel degelijk. Elke avond. Ik sla geen avond over om hem alleen te laten’. ‘En is hij dan niet heel erg verdrietig’, zegt ze met een stemmetje dat vaag aan haar moeder doet denken. ‘Ja, heel erg, mama’, zegt Herman, ‘maar dat kan mij niet schelen, want ik ben een enorme egoïst’. ‘Foei, Herman toch’, zegt ze met een grote grijns..
‘Nu ik aan mama terug denk, word ik toch wel boos’, zegt ze, ‘en eigenlijk ook wel een beetje op papa, dat hij zich zo door haar heeft laten bepalen. Ik had verdomme het recht om te weten wie ik ben en als wat ik ben geboren. En eigenlijk baal ik ook van papa omdat hij die informatie, uit angst voor mama, nooit met me gedeeld heeft. Ik ben al bijna bejaard voordat ik die informatie over mezelf heb gekregen’. Ineens vliegt het haar aan.
‘Dat is godverdomme niet eerlijk!’. ‘Daar heb je gelijk in zus’, zegt Herman. ‘Papa had meer ruggengraat moeten hebben. Tegelijkertijd weet ik ook niet wanneer hij je dat had moeten vertellen. Toen je op de lagere school zat? Toen je een puber was? Eigenlijk was er geen goed moment waarop hij het je kon vertellen’. ‘En toch had ik het eerder willen weten. In ieder geval toen hij nog geleefd had, zodat ik er met hem over had kunnen praten. Zodat ik ook kwaad op hem had kunnen worden. Hij komt er nu wel heel erg gemakkelijk vanaf. Simpel een brief schrijven. Kom op zeg. Dat is niet eerlijk!’. ‘Waarom schrijf je hem geen brief?’, oppert Petra.
Het is even stil.
‘Dan schrijf je je frustratie van je af. En dan doe je hetzelfde wat je vader deed. Dan stop je die brief in het geheime compartiment van je bureau, waar niemand, behalve je vader en jezelf, bij kan. Alsof je op dezelfde manier een brief in de bus doet, zoals hij dat heeft gedaan’. ‘Dat is helemaal geen slecht idee’, zegt Herman. ‘Nee’, zegt ze, ‘dat is inderdaad geen slecht idee’.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: