‘Wat vindt Onno er eigenlijk van dat jij als intersekse persoon bent geboren’, vraagt Herman terwijl ze in zijn tuin van een lichte maaltijd zitten te genieten. Ze heeft net een hap genomen en neemt de tijd om rustig te kauwen en door te slikken. Ze luistert nog even naar een merel die een kleine serenade brengt en zegt dan: ‘Ik heb geen idee. Ik heb het hem nog helemaal niet verteld. Na de laatste confrontatie over de juwelen van mama heb ik even helemaal geen zin in contact met ons jongere broertje’. ‘Wil je dat ik het hem vertel?’, vraagt Herman. ‘Nou, daar heb ik eigenlijk helemaal geen bezwaar tegen. Ik heb helemaal geen zin om hem op te bellen, en al zeker niet om hem op de hoogte te stellen van het feit dat zijn zus niet alleen zijn zus maar ook zijn broer is’.

‘Daar zal hij wel van balen’, zegt Herman, ‘dat hij twee oudere broers heeft’. ‘Ja, ik geloof dat hij liever enigst kind was geweest’, merkt ze op.

‘Maar is het niet beter om dat gewoon zelf te vertellen. Het gaat per slot van rekening om informatie die jou betreft. Dat kan hij beter van jou horen dan van Herman, lijkt me’, oppert Petra. ‘Ja, daar heb je wel een punt’, zegt ze. Herman grinnikt even in zichzelf. ‘Wat is er?, vraagt ze. ‘Je kunt natuurlijk beginnen met: ‘Wist je dat er nog een ander geheim compartiment in het bureau zat, waar zelfs mama niks van wist. En wat ik toen gevonden heb is wel heel erg bijzonder’, en dan laat je even een stilte vallen’. ‘En dan?’, vraagt ze.

‘Dan laat je hem even in het ongewisse en dan vervolg je met: ‘Het was wel een heel bijzondere erfenis die daarin verborgen zat. Die kwam nog van papa. En die was uitsluitend voor mij bedoeld’. En dan laat je weer even een stilte vallen’. ‘Je bent gemeen’, zegt ze met een grote grijns op haar gezicht, ‘hij wordt helemaal gek als ik dat zo tegen hem zeg. Maar het klopt natuurlijk wel’. ‘Alleen zal hij denken dat het om geld of aandelen of zo gaat en dan wil hij daar natuurlijk zijn deel van. En dan zeg jij: ‘Tja, ik wil het alleen maar met je delen als jij mama’s juwelen met mij deelt’. En dan wil hij vervolgens weten wat die erfenis precies inhoudt om een afweging te kunnen maken of hij voordeel bij die deal heeft of niet’. ‘En dat zeg ik dan natuurlijk niet’, schatert ze. ‘Dan zal hij dus een keuze moeten maken; of die juwelen met je delen of afzien van de erfenis die jij in dat geheime compartiment hebt aangetroffen’. ‘Ja, en als ik dan uiteindelijk zeg wat het is, dan kan ik die juwelen alsnog vergeten’, zegt ze. ‘Dat kun je toch’, zegt Herman, ‘dus waarom zou je hem daar niet even mee plagen’.

‘Ga je dat nou echt zo aanpakken?’, vraagt Petra met een frons. Ze glimlacht lichtjes. Ze neemt een slokje wijn en giechelt even. ‘Ik denk het niet’, zegt ze. En eigenlijk weet ze wel zeker dat ze dat niet zo zal doen. Toch moet ze stiekem wel lachen om de gedachte dat ze Onno op die manier zou kunnen pakken. Dat verdient hij wel, vindt ze. En als ze het zo aan zou pakken zou ze wel degelijk iets van genoegdoening voelen, realiseert ze zich. Al was het maar omdat ze Onno en diens vrouw op deze manier met hun eigen hebzucht zou kunnen straffen.

Die hebzucht stoort haar. Waar Onno’s hebzucht precies vandaan komt, weet ze niet precies.  Vaak lijkt het er op dat vooral Onno’s vrouw de drijvende kracht achter Onno’s egoïsme is, maar tegelijkertijd heeft hij ook voor haar gekozen, terwijl hij wist hoe ze in elkaar zat. Voor zover ze kan nagaan passen ze prima bij elkaar. Niet dat ze samen erg gelukkig ogen, maar ja, dat is de prijs die zelfzuchtige mensen schijnen te moeten betalen voor hun hebzucht naar meer. Als je anderen het licht in de ogen niet gunt dan kun je niet echt gelukkig zijn. Dat zei ze laatst nog tegen Petra.

‘Nou’, had Petra gezegd, ‘mensen die zelfzuchtig zijn lijken toch echt wel te genieten van hun zelfzucht’. ‘Ja, dat klopt, maar genieten is iets anders dan geluk voelen’. Petra had haar vragend aangekeken. ‘Een sadist kan er van genieten om iemand pijn te doen, maar is die sadist dan ook gelukkig? Ik denk het niet. Ik denk dat je alleen maar gelukkig kunt zijn als je anderen geluk gunt. Als jij bijvoorbeeld blij met mij bent, dan voel ik me gelukkig. Als jij niet blij met mij bent, maar kwaad omdat ik je heb gekwetst of benadeeld, dan voel ik me ongelukkig. Zelfs als ik materieel profijt zou hebben van datgene wat ik je heb aangedaan. Ik ben er van overtuigd dat een mens pas geluk kan ervaren als hij of zij anderen gelukkig maakt. Ik wordt gelukkig van een glimlach die ik van iemand krijg. Als ik iemand een hak kan zetten kan ik daar wel van genieten, maar gelukkig word ik daar niet van’.

‘Dus eigenlijk zeg jij dat al die autocraten en miljardairs niet echt gelukkig zijn’, had Petra geopperd. ‘Ja, dat klopt. Als ze al glimlachen dan is dat omdat ze er in slagen om anderen ongestraft aan zich te onderwerpen, te laten verliezen of pijn te doen. Ze genieten van macht en rijkdom. Maar dat genieten is vluchtig. Het moet steeds weer opnieuw veroverd worden. Hoeveel macht en rijkdom een autocraat of multimiljardair ook heeft, het is nooit genoeg. Daar geniet hij of zij maar heel even van. Maar geluk is veel bestendiger. Ik hoef maar aan jou te denken en ik voel me al gelukkig. Daar hoef ik niet meer van jou voor te hebben. Sterker nog; ik hoef jou helemaal niet te hebben om door jou geluk te ervaren. Het feit dat je er bent maakt me al gelukkig. En als jij gelukkig bent met mij maakt mij dat dubbel zo gelukkig. Snap je?’. ‘Ja’, had Petra met een glimlach van oor tot oor gezegd, ‘dat snap ik’.

Op een bepaalde manier heeft ze medelijden met Onno en zijn vrouw. Altijd op zoek naar profijt, maar nooit tevreden met wat ze hebben. Rupsjes Nooitgenoeg die nooit een vlinder zullen worden. Ze zucht en neemt nog maar eens een slokje wijn. Ze kijkt om zich heen. De lucht is blauw met wat witte schapenwolkjes. In de verte hoort ze geblaat van een schaap. Uit een andere hoek hoort ze een hond blaffen. De wind ritselt door de bladeren van de perenboom. In de verte het gekrijs van een zeemeeuw. Ze voelt de zon op haar huid. Ze glimlacht.

Ze kijkt Petra verliefd aan. ‘Ik hou van jou’, zegt ze vanuit de grond van haar hart.

‘Ja slakje’, zegt Petra, ‘ik hou ook van jou, en hoe!’.

‘Ja, hoe hou je eigenlijk van mijn zus’, wil Herman weten.

‘Dat kan ik je niet vertellen’, zegt Petra, ‘daar heb ik simpelweg geen woorden voor’. 

‘Wow!’, zegt Herman, ‘dan moet je wel heel erg veel van haar houden’.

‘Reken maar’, zegt Petra.

Ze kijkt naar haar broer en dan naar haar lief. 

‘Ik ben gelukkig’, denkt ze.

En omdat ze dat denkt, is het ook zo.