ruud moors ze aflevering 2
Ze begint net aan haar koekje te knabbelen als ze haar broer ziet. Ze zwaait. Hij ziet haar en zwaait terug. Zijn partner volgt hem terwijl hij tussen de tafeltjes door naar haar toe komt. ‘Ha zus’, zegt hij. ‘Dag Herman’, zegt zij en staat op om hem een korte knuffel te geven. Daarna geeft ze zijn partner ook een korte knuffel en vraagt: ‘Willen jullie ook een kopje koffie?’ ‘Graag’, zeggen beiden bijna tegelijkertijd en ze steekt haar hand op om de aandacht van de bediening te vragen.
‘Moeder zou eens moeten weten dat haar uitvaartdienst in de Onze Lieve Vrouwekerk plaats vindt’, zegt ze. ‘Dat heeft Onno goed geregeld.’ ‘Ja, Onno heeft alles geregeld’, merkt Herman op, ‘toen wij aankwamen en vroegen of we nog iets moesten doen, bleek dat niet meer nodig te zijn’. Ze kijkt haar broer een beetje verbaasd aan. ‘We voelden ons daardoor wel een beetje overbodig’, vervolgt Herman, ‘we zijn hier nu al een paar dagen, maar we hadden net zo goed pas vandaag kunnen komen.’ Ze meent wat irritatie bij Herman op te merken.
‘Ach ja’, merkt Herman op, ‘zo hebben we wel de gelegenheid gehad om de stad weer eens even te verkennen. Ik wilde wat kalfspastei met jus en huidvlees gaan kopen bij de slager op de markt, je weet wel, die slager die altijd varkenspootjes in de jus in de etalage heeft liggen, maar die slager is er niet meer. In dat pand is nu horeca gevestigd, zoals in vrijwel alle winkels langs de markt. Horeca, horeca en nog eens horeca. Maar goed, de frituur waar je een frietje zoer vleis kunt krijgen is er gelukkig wel nog, dus daar heb ik me maar mee getroost.’
‘Hoe laat is het?’, vraagt ze terwijl ze tegelijkertijd op haar horloge kijkt. ‘Kwart voor één’, antwoordt haar broer. ‘Dan moeten we ons zo maar eens naar de ingang begeven’, zegt ze. ‘We hebben nog een kwartier’, meent haar broer. ‘Nog maar een kwartier’, denkt ze. Dat is het verschil tussen haar en Herman. Zij is altijd bang te laat te komen en hij tilt daar niet zo zwaar aan. Maar hij heeft gelijk. De ingang van de kerk is nog geen minuut van het terras verwijderd, dus ze hebben nog alle tijd. Wel voelt ze de behoefte om alvast af te rekenen zodat ze dat niet op het laatste moment hoeft te doen. Ze steekt haar hand op op het moment dat iemand van de bediening langsloopt en geeft aan dat ze wil afrekenen.
Nadat ze afgerekend heeft loopt ze, samen met haar broer en diens partner naar de ingang van de kerk, waar zich al een aantal familieleden en vrienden verzameld hebben. Ze knikt naar ooms en tantes, neven en nichten en ziet Petra tussen de menigte staan. Ze loopt op haar af, geeft haar een hand, trekt haar naar zich toe en geeft haar een lichte kus op de mond. ‘Fijn dat je er bent’, zegt ze.
Even later wordt de kist naar binnen gedragen. Onno loopt er, samen met zijn vrouw en twee kinderen, met een ietwat gebogen hoofd achteraan. Zowel Herman en diens partner als zij, sluiten zich achter de kist aan. Het beeld van Onze Lieve Vrouwe kijkt van achter een rij kaarsen toe. Ze lopen via een zijingang de kerk binnen waar de kist voor het altaar neer wordt gezet. Ze gaat, samen met Herman, diens partner, Onno, diens vrouw en kinderen op de eerste rij zitten.
Achter haar stromen de kerkbanken vol.
Tijdens het schuifelen en hoesten en het gemurmel van het zacht elkaar begroeten van familie en bekenden, denkt ze terug aan de kerkdienst van haar vader, nu al weer meer dan twintig jaar geleden. Die kerkdienst had plaatsgevonden in een moderne kerk, in een buitenwijk van haar geboortestad. In die buitenwijk was hun gezin een van de eerste bewoners geweest. Ze hadden de kerk zien bouwen en waren er ook ter kerke gegaan, voordat de kinderen besloten hadden niet kerkelijk meer te zijn.
Het was een koude kille kerk geweest. Tweehonderd gloeilampen gaven hun kille licht aan de betonnen binnenkant waar ze op plastic stoelen naar de priester hadden zitten luisteren. Op verzoek van mama waren Onno en Herman ter communie gegaan, maar zij had dat vertikt. ‘Ik ben niet meer gelovig mama’, had ze bot gezegd. ‘Maar je kunt dat toch wel voor papa doen’, had haar moeder nog geprobeerd. ‘Papa zou niet willen dat ik hypocriet zou zijn’, had ze geantwoord. ‘Doe het dan voor mij’, probeerde haar moeder nog, maar ook dat had haar niet van gedachten doen veranderen.
Wat een verschil met deze kerk. Bijna duizend jaar oud is dit gebouw. Geen felle gloeilampen, maar zacht licht dat door de gebrandschilderde ramen valt en een echt orgel inplaats van een elektronisch keyboard, geen koud grijs beton en bakstenen, geen plastic stoeltjes. Niet dat de houten bank waarop ze zit erg comfortabel is, maar de sfeer maakt dat meer dan goed. Ze kijkt om zich heen en realiseert zich dat deze plek een lange geschiedenis heeft en hoe bijzonder het is dat de begrafenis van haar moeder daar nu deel van uitmaakt. De priester verzorgt de rituelen zoals dat hoort en op een gegeven moment begint het orgel te spelen en zet een gregoriaans koor een oud gezang in. ‘Ah, dat had mama mooi gevonden’, denkt ze. Ondanks zichzelf ontroert de muziek haar. Een golf van emoties die ze nauwelijks zou kunnen omschrijven golft door haar heen.
Ze kijkt naar de kist. Daar ligt haar moeder in. Ze probeert het zich voor te stellen, maar dat lukt niet echt. De laatste keer dat ze haar moeder heeft gezien was ruim een maand geleden. Ze had tegenover haar moeder gezeten in het verpleegtehuis waar ze verzorgd werd. Haar moeder had haar aangekeken en onverstaanbaar gemompeld. Ze had haar hand op haar moeder’s hand gelegd en zo nu en dan bemoedigend geknikt of ‘jaja’, gezegd. Ze dacht dat haar moeder haar nog wel herkende, toen. Haar moeder was in ieder geval niet verbaasd geweest om haar te zien en leek zich in haar gezelschap wel op haar gemak gevoeld te hebben.
En nu is ze dood. Onno was er bij geweest toen ze stierf. Ook zijn vrouw en kinderen hebben haar nog gezien voordat de kist dichtging. Toen Herman en zijn partner vanuit Texel aangekomen waren, was de kist al gesloten. En zij had besloten dat het niet de moeite loonde om de reis naar haar geboortestad te ondernemen alleen maar om haar moeder nog opgebaard te zien liggen. ‘Dan hou ik haar liever in gedachten zoals ze de laatste keer was dat ik haar zag’, had ze gedacht.
Ze gaat niet ter communie. Ook Herman en Onno laten de hostie dit keer aan zich voorbijgaan. ‘Ik ben benieuwd wat mama daar van zou vinden’, denkt ze. Waarschijnlijk helemaal niets meer. Ze kan zich niet voorstellen dat haar moeder na haar dood nog besef van haar bestaan heeft, laat staan van het bestaan van haar kinderen en kleinkinderen. Helemaal consequent is ze niet in die gedachte. Op de een of andere manier heeft ze het gevoel dat haar vader er nog wel degelijk is en als een soort beschermengel over haar waakt. Maar dat gevoel neemt ze niet letterlijk. ‘Mijn vader’s ziel zit gewoon nog in me, die maakt deel uit van mijn eigen ziel’, had ze tegen Petra gezegd in een poging uit te leggen hoe ze, terwijl ze niet meer in een god of in de kerk geloofde, toch het idee dat haar vader als een beschermengel over haar waakt kan koesteren.
De woorden die de priester over haar moeder spreekt dringen nauwelijks tot haar door. Daarvoor is ze teveel met haar eigen gedachten bezig. Ze ondergaat de kerkdienst zoals je een bekend liedje ondergaat als je het op de achtergrond hoort, maar niet echt luistert. Je hoort het wel. Het is vertrouwd. Maar je laat het niet echt tot je doordringen. Desondanks kan dat liedje je emotioneel ontroeren. Op een vage en onnadrukkelijke manier.
Nadat de dienst is afgelopen loopt ze achter de kist naar buiten. ‘Je kunt met ons meerijden’, zegt Herman. ‘Is het goed als mijn vriendin Petra ook met ons meerijdt?’, vraagt ze. ‘Ja natuurlijk’, zegt Herman. Even later zitten ze met zijn vieren in de auto op weg naar het crematorium.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: