ruud moors ze aflevering 20
Soort zoekt soort, zegt een volkswijsheid, en hoewel dat lang niet altijd het geval is, is het onmiskenbaar waar in het geval van Onno en diens vrouw. Allebei voelen die zich chronisch tekortgedaan. En vanuit dat gevoel voeden ze zich met een verongelijktheid ten opzichte van alles en iedereen door wie ze zich tekortgedaan voelen. En ze voelen zich tekortgedaan door alles en iedereen die niet nadrukkelijk bijdraagt aan hun behoeftes en belangen.
Het verbaast haar vaak dat Onno en diens vrouw desondanks vrienden lijken te hebben. Maar misschien komt dat wel omdat ze ook uitermate charmant kunnen zijn als dat in hun eigen belang is. Dat zij daar niet zoveel meer van merkt betekent misschien wel dat het niet in het belang van Onno en diens vrouw is om charmant naar haar toe te zijn. Althans niet meer.
Toen Onno jonger was en zich rot voelde, was zij vaak een baken van rust voor hem geweest. Ze ondersteunde hem daar waar ze kon en dat leek hij wel degelijk te waarderen. Maar die waardering kwam voort uit het belang dat zij voor hem had, die gold niet haarzelf. Op het moment dat hij haar niet meer nodig had, verdween ook zijn waardering voor haar als sneeuw voor de zon.
Onno’s vrouw had haar nooit gemogen. Het was haar vanaf het begin een doorn in het oog geweest dat Onno een goede band met zijn zus leek te hebben. Op een subtiele, en soms nauwelijks subtiele wijze had ze haar verongelijktheid uitgesproken over haar schoonzus die het, volgens haar, maar hoog in de bol had. Ook had ze haar schoonzus allerlei negatieve eigenschappen in de schoenen geschoven die ze zelf in ruime mate vertoonde.
Een ander negatieve eigenschappen in de schoenen schuiven die je zelf in ruime mate vertoont is wat verongelijkte mensen vaak doen. Dat is, in het maatschappelijk verkeer, een tweesnijdend zwaard. Het zorgt er niet alleen voor dat een negatieve eigenschap in de schoenen van de ander geschoven wordt, maar ook dat die ander degene die dat doet die eigenschap niet meer in de schoenen kan schuiven, al was het maar omdat dat de verdenking van een jij-bak op zou roepen.
Toen ze Onno gebeld had om naar de juwelen van haar moeder te vragen, wilde ze gewoon weten wat er met die juwelen was gebeurd. Maar toen Onno er met Herman over praatte, suggereerde hij dat het haar bedoeling zou zijn geweest om zich die juwelen toe te eigenen. Maar uit datzelfde gesprek werd duidelijk dat hij en zijn vrouw zich die juwelen al daadwerkelijk zelf hadden toegeëigend. De ander verwijten wat je zelf doet of van plan bent te doen is inderdaad een effectieve methode om er voor te zorgen dat je daar nauwelijks meer op aangesproken kunt worden.
In de communicatie met haar jongste broer en diens vrouw heeft ze dan ook altijd het gevoel op eieren te moeten lopen, elk woord op een goudschaaltje te moeten wegen en continu alert te moeten zijn. Dodelijk vermoeiend, vindt ze dat. Ze ziet er daardoor enorm tegenop om Onno op te bellen en hem over de brief van haar vader, die ze in het bureau gevonden heeft, te vertellen. Het liefst zou ze hem totaal in het ongewisse laten, maar ze begrijpt ook wel dat dat eigenlijk niet kan.
Ze zucht. Ze vraagt zich af of het wel handig is als ze haar verhaal met Onno over de telefoon deelt, of het niet beter is om ergens met hem af te spreken. Tegelijkertijd is het risico dan groot dat zijn vrouw daar ook bij aanwezig wil zijn en dat, zo weet ze uit ervaring, maakt de communicatie alleen maar moeilijker. Ze zucht nogmaals. Alleen al het nadenken wat de beste manier van communiceren is, vindt ze dodelijk vermoeiend.
Ze besluit toch maar gewoon te bellen. Als ze Onno op zijn mobiel belt heeft ze de grootste kans dat ze hem alleen treft. Met lood in haar schoenen belt ze hem op. Onno neemt vrij snel op. ‘Dag Onno, met mij. Heb je even?’. ‘Dat ligt eraan’, zegt Onno, ‘als je weer over die juwelen begint, dan hoeft het voor mij niet’. ‘Nee, daar gaat het niet over, het gaat over iets totaal anders’, zegt ze.
‘O’, zegt Onno vlak. Ze zucht. Hij is niet van plan een open gesprek met haar te voeren, merkt ze. Dat hoort ze alleen al aan de toon waarmee hij ‘O’, zegt. Het nodigt haar niet echt uit om verder te praten. Heel even overweegt ze om zich met een smoesje van af te maken, maar daarmee stelt ze een vervelend gesprek alleen maar uit, beseft ze.
‘Ik moet je iets belangrijks vertellen, over iets dat ik in het bureau gevonden heb en dat nogal heftig is’, zegt ze. Ze voelt Onno’s wantrouwen in de stilte die hij laat vallen. ‘Ja, en?’, zegt hij uiteindelijk. ‘Er zat een brief van papa verborgen in het bureau’, zegt ze. ‘Ja, alsof ik dat niet weet’, zegt Onno, ‘Die heb ik heus wel zien liggen hoor’. ‘Maar die brief bedoel ik niet’, zegt ze, ‘ik bedoel een brief die in een geheim compartiment verborgen zat’. ‘We hebben al die compartimenten doorgekeken’, bekent Onno, ‘maar we hebben daar geen enkele brief van papa ontdekt’. ‘Uh, tja, uh, ik bedoel niet in de geheime compartimenten die mama kende, maar in een apart compartiment dat papa voor mij had gemaakt’, zegt ze, terwijl ze zich tegelijkertijd realiseert dat Onno juist bekend heeft dat hij zelf in de geheime compartimenten heeft zitten snuffelen.
‘Wat voor een compartiment dat papa speciaal voor jou zou hebben gemaakt?’, vraagt Onno, op een toon die zijn verbijstering, maar ook zijn wantrouwen verraadt. ‘Papa heeft speciaal voor mij een geheim compartiment in het bureau gemaakt waar hij een brief aan mij in verborgen had’. ‘En hoe kwam je daar dan achter?’, wil Onno weten. ‘In zijn instructies stond een aanwijzing die alleen ik kon ontcijferen, en via die aanwijzing heb ik dat geheime compartiment kunnen achterhalen en openen’. ‘En wat was die aanwijzing dan en waar zat dat compartiment dan’, wil Onno weten. ‘Dat doet er niet toe’, zegt ze, ‘het gaat om de brief die er in zat’. ‘En wat zat er nog meer in dat compartiment?’, vraagt Onno. ‘Alleen maar een brief’, zegt ze.
‘Dus jij wil mij vertellen dat papa de moeite heeft genomen om een extra geheim compartiment in dat bureau te maken om daar een brief voor jou in te verbergen. Dat slaat helemaal nergens op’, meent Onno. Ze zucht. ‘Jezus Onno, wat doe je weer moeilijk. Ja, ik wil jou vertellen dat papa een extra geheim compartiment in dat bureau heeft gemaakt met de speciale bedoeling om daar een brief voor mij in te verbergen, zodat ik die, na de dood van mama, zou ontvangen’. ‘Dat vind ik een onwaarschijnlijk verhaal’. ‘En toch is het zo’. Heel even heeft ze de neiging om het gesprek maar gewoon af te breken, maar dan vervolgt ze met: ‘Het gaat om de inhoud van die brief Onno. Papa wilde mij iets vertellen dat hij me tijdens zijn leven niet durfde vertellen’. ‘En wat was dat dan?’.
‘Het gaat over het feit dat ik niet als meisje geboren ben, maar als een intersekse persoon’. ‘Een wat?’, roept Onno met een verbijstering waar boosheid in doorklinkt. ‘Een intersekse persoon, een hermafrodiet, een persoon met zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken’. ‘Wie denk je dat je voor je hebt?’, reageert Onno verontwaardigd. ‘Is dit weer zo’n lollig bedoelde grap die Herman en jij met mij uit proberen te halen? Nou, dat is dan mooi mislukt. Daar trap ik niet in’. ‘Het is geen grap’, probeert ze nog, maar Onno heeft de verbinding al verbroken.
‘Ik heb het in ieder geval geprobeerd’, denkt ze. Hoe het verder moet met haar jongste broer, weet ze zo even niet. Ze vraagt zich af of ze überhaupt nog wel iets met hem te maken wil hebben. Zijn gewoonte om de verbinding te verbreken op het moment dat het gesprek niet gaat zoals hij dat wil, heeft haar altijd al geïrriteerd, maar sinds haar moeder dood is lijkt het vrijwel elke keer te gebeuren als ze via de telefoon iets met hem probeert te bespreken.
Hoevaak heeft ze niet geprobeerd om het contact weer op te pakken nadat Onno, om wat voor een reden dan ook, de verbinding verbrak op het moment dat zij hem iets duidelijk wilde maken dat voor haar belangrijk was, maar waar hij op dat moment geen zin in bleek te hebben. Veel te vaak, realiseert ze zich. ‘Eigenlijk heb ik daar geen zin meer in’, bedenkt ze. ‘Als het mijn broer niet was, zou ik niks met hem te maken willen hebben’.
Wat haar eigenlijk nog het meest bevreemdt, is dat ze Onno nog steeds alle geluk van de wereld toewenst. Ze voelt wel irritatie als ze aan haar broertje denkt, maar geen haat of rancune. Ze beseft dat hij zelf het grootste slachtoffer is van zijn eigen gedrag. De liefde die ze voor hem voelt is niet weg. Wat wel weg is is haar gevoel van betrokkenheid. Ze realiseert zich dat Onno zich absoluut nooit betrokken bij haar lijkt te voelen. Dat haar belangen, behoeftes en gevoelens er voor hem helemaal niet toe doen. Die ongelijkheid stoort haar. ‘Hij verdient het niet dat ik nog aandacht aan hem geef’, bedenkt ze. Wat haar betreft gaat hij zijn gang maar, maar dan zonder haar.
Als ze later op die dag, in de Domkerk, een kaarsje aansteekt voor haar ouders, neemt ze, in gedachten, afscheid van haar jongste broer. ‘Op deze manier kan ik er niet voor je zijn’, denkt ze, ‘dat kost me teveel en dat doet me teveel pijn’. Ze zucht en legt in gedachten zijn lot in de handen van de geesten van haar ouders. ‘Neem me niet kwalijk, mama en papa, maar ik kan dit niet meer’, prevelt ze zachtjes, ‘ik geef hem op, hij zoekt het maar uit’.
Ze weet instinctief dat als zij geen moeite meer doet om het contact met Onno te herstellen, dat contact voorgoed zal ophouden te bestaan. Ze weet dat Onno nooit de moeite zal doen om het contact met haar te herstellen. Daar is hij te rancuneus voor. En op een vreemde manier heeft ze daar vrede mee. ‘En toch hoop ik dat je ooit je geluk zult vinden’, zegt ze zacht in zichzelf.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: