ruud moors ze aflevering 21
Ze wandelt langs de singel. Niet omdat ze ergens heen wil, maar omdat ze haar hoofd een beetje leeg wil lopen, in de hoop dat de wind die door haar haren wappert ook haar brein wat verfrist. Het gesprek met Onno zit haar dwars. Ze vraagt zich af of ze niet beter naar hem toe had kunnen gaan om te voorkomen dat hij het gesprek af had kunnen breken. Nu blijft ze toch met een onaf gevoel zitten. Als een gesprek vervelend verlopen is, vraagt ze zich altijd af wat ze beter had kunnen zeggen, hoe ze een adequatere reactie had kunnen geven.
Daar was haar vader schuldig aan. Als ze aan hem probeerde uit te leggen hoe een gesprek was ontspoord, was zijn reactie steevast ‘dan had je dit moeten zeggen’, of ‘dan had je dat moeten zeggen’, waardoor ze altijd het gevoel had dat het haar schuld was dat het gesprek ontspoord was, zelfs als de ander geweigerd had echt naar haar te luisteren of drogredenen had gebruikt. Net alsof haar vader niet wilde begrijpen dat met sommige mensen gewoon geen redelijk gesprek te voeren valt. Alsof hij haar verweet dat ze niet op het goede moment de goede argumenten had gebruikt en het daardoor haar schuld was dat het gesprek niet goed verlopen was.
Ze kijkt even om zich heen. Aan de overkant ziet ze gele bloemen staan die in het groen vage letters vormen. Die letters vormen een naam. Een naam van een verzetsvrouw uit de tweede wereldoorlog. ‘Trees’. Ze glimlacht. ‘Wat mooi dat die naam elke lente nog steeds door bloemen wordt gevormd’, denkt ze. Een eerbetoon aan een vrouw die zich, op haar manier, tegen onredelijkheid verzette.
Ze loopt graag langs de singel. Dat lange lint groen langs het water dat gedeeltelijk de binnenstad omhelst. Een rustpuntje in een drukke stad.
Als ze thuis komt zet ze eerst een kop koffie. Dan belt ze Herman. Ze vertelt hem hoe het gesprek met Onno is verlopen. ‘Tja’, zegt Herman, ‘tegen zoveel weerstand is geen kruid gewassen’. ‘Ergens voel ik me ook wel schuldig’, zegt ze, ‘ik heb toch het gevoel dat ik het niet helemaal goed heb aangepakt. Dat ik misschien voorzichtiger had moeten zijn of zo. Dat ik hem wel heel erg heb overvallen en dat hij daarom de verbinding verbrak’. ‘Welnee’, zegt Herman stellig, ‘Onno staat niet open voor jou. Hij wil niet weten wat de werkelijkheid is, als die werkelijkheid hem niet uitkomt. Je weet toch hoe hij is. Als Onno niet bereid is naar je te luisteren, dan is dat zijn probleem’. ‘Ja, maar misschien had ik toch…’, probeert ze nog, maar Herman valt haar in de rede en zegt, langzaam, luid en duidelijk articulerend: ‘Luister! Dit! Ligt! Niet! Aan! Jou!’. ‘Dank je, Herman’, zegt ze zacht. ‘Niets te danken’, antwoordt Herman.
Eigenlijk weet ze ook wel dat haar niets te verwijten valt, maar toch vindt ze dat ze kritisch naar zichzelf moet kijken. Ze wil zeker weten dat haar niets te verwijten valt. Dat Herman haar daarin bevestigt, helpt enorm. Ze weet dat Herman nooit een blad voor de mond neemt en altijd precies zegt wat hij denkt. Als hij zegt dat haar niets te verwijten valt, dan meent hij dat ook.
‘Wat moet ik nou nog met Onno?’, vraagt ze. ‘Ik heb Onno al lang opgegeven’, zegt Herman, ‘ik wil zo min mogelijk met hem te maken hebben, dus neem ik gewoon nooit meer contact met hem op’. ‘Ja, eigenlijk wil ik ook niks meer met hem te maken hebben’, zegt ze. ‘Weet je, Onno plaatst zichzelf, door zijn houding, buiten ons gezin. Dat is niet jouw of mijn schuld. Dat doet hij zelf. Hij wijst ons af. En het enige dat wij hoeven doen is dat accepteren’, meent Herman. ‘Ik geloof dat je gelijk hebt’, zegt ze.
Het idee dat Onno daadwerkelijk geen deel meer van haar leven uit zou kunnen maken, lucht haar, tot haar eigen verbazing, enorm op. Ze realiseert zich dat als ze voor haar broers had kunnen kiezen, ze nooit voor Onno had gekozen. Al was het maar omdat Onno ook nooit voor haar en Herman gekozen zou hebben.
Dat Onno doet alsof wij een grap met hem uit zouden halen over zoiets belangrijks, betekent alleen maar dat hij het niet wil weten. realiseert ze zich. Hij zal kost wat kost weigeren om zelfs maar in overweging te nemen dat wat ze hem verteld heeft waar is. Zelfs als ze hem onomstotelijk bewijs zou kunnen overhandigen. Ook de brief van papa zou hem niet kunnen overtuigen, beseft ze. Hij zou of ontkennen dat papa die brief geschreven heeft of beweren dat dit nou typisch weer zo’n practical joke van papa zou zijn. Maar dat hij die brief als bewijs zal accepteren, is hoogst onwaarschijnlijk.
Het is haar ondertussen wel duidelijk dat als de werkelijkheid niet overeenstemt met Onno’s beeld van de werkelijkheid, dat, wat hem betreft, die werkelijkheid zich maar aan zijn beeld van de werkelijkheid aan zal moeten passen. Zijn beeld van de werkelijkheid zal hij nooit aanpassen, met wat voor een argumenten zij ook komt. Alleen daarom al zal hij nooit accepteren dat zijn zus een intersekse persoon is. Dat past niet in zijn beeld van de werkelijkheid, dus dat kan niet zo zijn. Die werkelijkheid zal hij nooit accepteren.
En ook Onno’s vrouw zal die werkelijkheid nooit accepteren. ‘Wat zullen de mensen wel niet denken als ze weten dat je zus je zus niet is, maar een hermafrodiet’, hoort ze Onno’s vrouw in gedachten al zeggen. Dat tast naar haar gevoel hun eigen positie in de samenleving aan. En dat zal hij met haar eens zijn. Ze willen geen freak in de familie. Dus zullen Onno en diens vrouw haar nooit accepteren zoals ze geboren is, en zullen ze blijven vasthouden aan de identiteit waar ze, vlak na haar geboorte, in veranderd is. Dat is de identiteit die ze volgens Onno en diens vrouw hoort te hebben. En als zij zich daar niet aan wenst te onderwerpen, dan zullen ze haar afwijzen.
Dat soort afwijzing kan ze missen als kiespijn. Het is al ingewikkeld genoeg dat ze er nu pas achter is gekomen dat ze anders is dan ze dacht te zijn. het is al ingewikkeld en verwarrend genoeg om die waarheid zelf te accepteren en te omhelzen. Daar kan ze geen afwijzing bij gebruiken. Daarom is ze blij dat Petra en Herman daar niet moeilijk over doen. Dat die haar, zonder problemen, als intersekse persoon accepteren maakt het voor haar gemakkelijker om dat ook zelf te doen.
Heeft haar vader haar nou een dienst bewezen door die brief met de informatie over wie ze is of juist niet? ‘Je had al veel eerder moeten zeggen, wat er aan de hand was papa’, denkt ze. ‘Je had tegen mama moeten zeggen: ‘Weet je wat, je kan de boom in, het is mijn unieke kind en ik vertel dat kind hoe uniek het is, of jij dat nou leuk vindt of niet. En als je daar moeilijk over doet, dan donder je maar op!’. Dat is wat je had moeten zeggen papa!’. Ze grinnikt. Nou doet ze in gedachten bij haar vader wat haar vader zo vaak bij haar heeft gedaan. Duidelijk maken wat hij had moeten zeggen, inplaats van wat hij heeft gedaan. Gezwegen.
‘Kan ik de werkelijkheid zelf wel aan?’, vraagt ze zich af. Maar eigenlijk weet ze het antwoord wel. Als ze moet kiezen tussen haar beeld van de werkelijkheid en de werkelijkheid zoals die is, dan past ze haar beeld van de werkelijkheid aan de werkelijkheid aan.
Dat heeft ze immers haar leven lang al gedaan.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: