ruud moors ze aflevering 22
Als ze moet kiezen tussen haar beeld van de werkelijkheid en de werkelijkheid, dan past ze haar beeld van de werkelijkheid aan de werkelijkheid aan.
Dat heeft ze immers haar leven lang al gedaan.
Het probleem van veel mensen is dat ze niet durven twijfelen. Als ze eenmaal iets als waarheid hebben aangenomen, houden ze daar aan vast, zelfs als dat beeld gewoon niet kan kloppen. Alsof erkennen dat je je hebt vergist onzekerder maakt dan vasthouden aan een waarheid die overduidelijk nergens op gebaseerd is. Ze herinnert zich hoe van iemand die strak aan zijn mening vast bleef houden, ondanks dat het duidelijk was dat die mening op drijfzand gebaseerd was, met enige bewondering gezegd werd dat hij in ieder geval consequent was. ‘Alsof consequent zijn op zichzelf een positieve eigenschap is’, had ze verbaasd gedacht.
Ze denkt terug aan de confrontatie tussen Balkenende en Bos die ze op televisie had gezien, waar Balkenende Bos verweet een draaikont te zijn, omdat hij van mening was veranderd, en hoe Bos daar met een verbijsterde blik op gereageerd had. ‘Je had moeten zeggen: ‘Dat ik mijn mening heb veranderd, betekent dat ik voortschrijdend inzicht heb, iets waar ik u nog nooit op heb kunnen betrappen’, had haar vader wellicht geroepen als hij nog geleefd had.
Ook haar is regelmatig verweten dat ze niet consequent zou zijn, zeker toen ze nog jonger was. Degenen die met plompe zekerheid dingen beweerden, hoe krankzinnig soms ook, werden alleen al om die zekerheid gewaardeerd. ‘In een debat moet je nooit je ongelijk toegeven’, had een leraar op de middelbare school beweerd. ‘Waarom niet?’, had ze gevraagd. ‘Dat is een teken van zwakte’, vond die leraar, ‘en zo win je het debat niet’. ‘Dus debatteren is gewoon een wedstrijdje gelijk krijgen, of je dat nou hebt of niet’, had ze geconcludeerd. Tot haar verbijstering was die leraar het daar mee eens geweest. ‘Dan begrijp ik het nut van debatteren niet’, was haar reactie geweest. Daar had de leraar alleen maar op gereageerd door met zijn wenkbrauwen te fronsen.
Zonder twijfel kun je geen nieuwe inzichten verkrijgen. En dat is waar ze, al sinds haar kindertijd, naar op zoek is. Naar nieuwe inzichten. Ze herinnert zich dat ze het verhaal over de ongelovige apostel Thomas voor het eerst hoorde. De onderwijzeres die dat verhaal vertelde, suggereerde dat het feit dat Thomas niet zonder meer geloofde dat Christus was verrezen toen hem dat verteld werd, betekende dat Thomas een gebrek aan geloof zou hebben, en dat dat gebrek aan geloof een zwakte zou zijn. Zij had het juist verstandig gevonden dat de apostel Thomas niet zomaar geloofde wat hem werd verteld, maar het eerst met zijn eigen ogen wilde zien. ‘Anders kunnen mensen je van alles wijsmaken’, had ze bedacht. Maar ze had ook wel door dat ze dat maar beter voor zich kon houden.
Wat mensen als waarheid zien is feitelijk niets anders dan het beeld dat ze van de werkelijkheid hebben. Dat was de conclusie die ze, na lang nadenken, getrokken had. En het beeld dat iemand van de werkelijkheid heeft is niet hetzelfde als de werkelijkheid zelf. Niet dat dat beeld van de werkelijkheid de werkelijkheid niet weergeeft, maar het is de werkelijkheid niet. Zoals een foto van de maan, alleen maar een beeld is van de maan en niet de maan zelf. De echte maan is niet plat en van papier. De werkelijkheid van de maan is niet in een beeld te vatten. In geen enkel beeld. En toch is elk beeld van die maan wel degelijk een beeld van die maan.
De werkelijkheid is simpelweg alles wat er is. Dat allemaal samen. De werkelijkheid sluit niets buiten. De waarheid wel, die sluit alles buiten dat niet in het beeld van de werkelijkheid past. Dat betekent dat de waarheid altijd kleiner is dan de werkelijkheid en dat elke waarheid gewoon een onderdeel is van de werkelijkheid. Al was het maar omdat die werkelijkheid niets buitensluit. Dat betekent dat niet alleen alle waarheden deel uitmaken van de werkelijkheid, maar ook alle leugens, alle verzinsels, alle fantasieën, hallucinaties en waandenkbeelden.
Er kan niets bestaan zonder dat dat, per definitie, deel uitmaakt van de werkelijkheid. Dus als je iets van de werkelijkheid wilt leren doorgronden, dan kun je niet anders dan accepteren dat alles dat bestaat onderdeel uitmaakt van de totale werkelijkheid. In die zin bestaat God. Alleen al omdat er in geloofd wordt. De vraag is niet of God bestaat, maar wat voor een relatie je al dan niet aangaat met God. En om dat te kunnen bepalen moet je eerst bedenken hoe je God definieert. En als je God definieert dan creëer je daarmee een God die daardoor deel van de werkelijkheid wordt.
Ze kan zich het gesprek dat ze met de vader van Petra over God had, nog goed herinneren. Toen hij vroeg of ze in God geloofde, had ze gezegd dat dat afhing van de definitie van God. Ze vertelde dat iemand haar ooit had verteld dat hij God beschouwde als het totaal van het bestaan, van alles wat er is, en dat ze dat wel een mooie definitie had gevonden. Dat die definitie van God volgens haar betekent dat je je helemaal niet aan God hoeft te onderwerpen, omdat alles wat bestaat gewoon onderdeel is van die God. ‘Die God ís gewoon’, had ze gezegd, ‘en dat is alles. Die bemoeit zich voor de rest helemaal niet met ons’. ‘Maar hoe vind je dan troost in die God?’, had Petra’s vader haar verbaasd gevraagd. Daardoor realiseerde ze zich dat zij helemaal geen troost zocht in God, en dat dat haar Godsbeeld mede bepaalde, zoals de behoefte aan een troostende God het Godsbeeld van Petra’s vader bepaalde.
Ze realiseerde zich ook dat zowel haar beeld van God als het Godsbeeld van Petra’s vader deel uitmaakt van de werkelijkheid. Alles is immers deel van de werkelijkheid. Maar daardoor is de werkelijkheid in zijn geheel niet te kennen. Daar is die werkelijkheid te alomvattend voor.
Je weet wat je weet, maar je weet niet wat je niet weet. Totdat je er achter komt wat je niet weet, en dan wordt dat onderdeel van wat je weet. Je kunt er alleen maar achter komen wat je niet weet als je weet dat je niet weet.
Het is haar opgevallen dat mensen die zekerheid zoeken vaak niet willen weten dat ze niet weten, omdat ze, als ze die onwetendheid erkennen, ook hun zekerheid over wat ze denken te weten verliezen. Dus sluiten ze zich op in hun eigen zekerheden, en negeren simpelweg wat ze niet weten, alsof wat ze niet weten gewoonweg niet bestaat.
Onno wil niet weten wat hij niet wil weten, omdat hij dan zijn zekerheid over wat hij dacht te weten verliest. Ergens begrijpt ze dat ook wel. Dat ze niet blijkt te zijn wie ze dacht te zijn, heeft ook haar wel degelijk van haar stuk gebracht. Het is alsof ze zichzelf opnieuw moet uitvinden. Dat dat niet zonder slag of stoot gaat is duidelijk. Haar gedachten over haarzelf en haar plaats in de wereld gaan alle kanten op. De bijbehorende emoties ook. Toch is ze blij dat ze nu weet wat ze eerder niet wist. Dat dat niet weten onderdeel is geworden van haar weten.
‘Dat is wat waarheid doet’, denkt ze. Het beeld dat mensen van de werkelijkheid hebben, is soms sterker dan de werkelijkheid zelf. Toen zij als intersekse persoon geboren werd, was dat een werkelijkheid waar de mensen in haar omgeving niet mee om konden gaan, omdat die werkelijkheid hun beeld van hoe de werkelijkheid hoort te zijn verstoorde. En daarom moest de werkelijkheid aangepast worden aan hun beeld van de werkelijkheid.
In een andere tijd, in een andere cultuur, zou dat wellicht niet gebeurd zijn. Het idee dat iemand als man of vrouw geboren moet zijn, is een cultureel idee. Er zijn culturen, in het verleden en in het heden, die accepteren dat er, een enkele keer, iemand geboren wordt die zowel man als vrouw is, of dat iemand die als man geboren is vrouw wil zijn of andersom.
Als ze in zo’n cultuur geboren zou zijn, zou ze niet zijn verminkt. Maar ze zou ook in een cultuur geboren kunnen zijn waarin ze weliswaar niet verminkt zou zijn, maar ook niet geaccepteerd zou zijn geworden. Dan was ze wellicht bij haar geboorte gedood. Vanuit dat standpunt bekeken heeft ze nog geboft.
‘Heb ik eigenlijk zelf vrede met wie ik ben?’, vraagt ze zich af. En ze beseft dat het antwoord daarop ‘ja’ is. Ze heeft zich altijd een buitenbeentje gevoeld. De kennis die ze nu over zichzelf heeft, bevestigt dat gevoel alleen maar. Het is lang geleden dat ze zich eenzaam voelde omdat ze niet altijd aansluiting had met de mensen in haar omgeving. Ze dacht lange tijd dat dat aan haar lag. Er zijn niet veel mensen bij wie ze zich echt thuis voelt, maar bij de mensen bij wie ze zich thuis voelt, voelt ze zich veilig en geborgen.
‘Ik ben wie ik ben’, zegt ze zacht in zichzelf, ‘en dat is ook precies wie ik mag zijn en wie ik wil zijn’. En als er mensen zijn die haar niet kunnen accepteren omdat ze is wie ze is, dan bekijken die het maar. Dat is hun probleem, niet het hare.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: