ruud moors ze aflevering 3
In de wachtruimte van het crematorium wordt het snel drukker. Familie en kennissen komen langs om haar, haar broers en aanhang te begroeten en condoleances aan te bieden. Ze ziet een groot aantal neven en nichten. De laatste keren dat ze die neven en nichten heeft gezien waren het nog maar kinderen. Sommigen zijn niet veel veranderd, maar anderen herkent ze nauwelijks. De meesten herkennen haar wel. Zij is een stuk ouder en is daardoor in al die jaren veel minder veranderd. Het maakt nogal een verschil uit of je iemand de laatste keer hebt gezien toen diegene vijf jaar oud was of achttien. De gesprekjes die ze met haar neven en nichten voert zijn kort en vriendelijk.
Haar ooms en tantes herkent ze wel meteen, hoewel ook zij een stuk ouder zijn geworden. Door de meeste ooms en tantes wordt zij ook meteen herkend. Maar als ze op haar oom Harrie afstapt blijkt hij geen idee te hebben wie ze is. Hij neemt haar hand weliswaar stevig vast maar hij blijkt, zelfs als ze vertelt wie ze is, geen flauw idee te hebben met wie hij spreekt. Hij kijkt zijn vrouw vragend aan. Als die hem bemoedigend toeknikt, knikt hij zijn nicht vriendelijk toe. Als ze tegen hem zegt dat hij haar oom Harrie is, vraagt hij met verbazing in zijn stem: ‘Wie is oom Harrie?’. ‘U bent mijn oom Harrie’, probeert ze nog, maar ze kan zien dat dat niet echt tot hem doordringt.
Ze wordt ook door mensen toegesproken die voor haar volslagen vreemden zijn. Kennissen van haar moeder waarschijnlijk. Vanuit een ooghoek ziet ze dat de vrouw van Onno met Petra in gesprek is. Petra is hier niet voor haar moeder. Ze heeft haar moeder zelfs nooit ontmoet. Petra is er voor haar. ‘Ik kom niet op de koffietafel’, had ze van tevoren gezegd, ‘dat lijkt me niet gepast’. Daar was ze het wel mee eens geweest, hoewel ze haar vriendin daar graag aan haar zijde had gehad.
De afscheidsbijeenkomst verloopt precies zoals Onno dat met zijn gezin gepland heeft. Herman en zij hadden beiden besloten geen verhaal te houden, maar dat aan hun jongste broer over te laten. Onno heeft voor een fotoserie gezorgd die hij op een dvd heeft gebrand en die wordt vertoond op het moment dat iedereen plaats heeft genomen. Mama’s jeugd komt in een sneltreinvaart voorbij, veel jeugdfoto’s van haar zijn er niet. Daarna foto’s van haar verkering met pa en hun trouwdag, gevolgd door een serie foto’s waarbij mama met het hele gezin en met haar kinderen en kleinkinderen te zien is. Er zitten wel heel veel foto’s bij waar Onno en zijn gezin op staan. Of dat opzet is, durft ze niet met zekerheid te zeggen. Het zou ook kunnen dat Onno daar gewoon meer foto’s van ter beschikking had.
Er komt één foto voorbij waarop ze samen met haar eerste liefde staat. Geen foto van hun tweeën, maar een foto van het hele gezin, waarbij ze met zijn tweeën op de achterste rij staan. Haar eerste liefde is jong gestorven. ‘Ik mis mijn vriendin’, had ze een paar maanden na haar dood tegen haar moeder gezegd. ‘Maar je hebt toch wel meer vriendinnen’, had haar moeder laconiek opgemerkt. ‘Het was wel een hele speciale vriendin, mama’, had ze tegen haar moeder gezegd. ‘Maar het is toch niet hetzelfde als wanneer je je man moet missen’, meende haar moeder. ‘Dan neem je toch gewoon een andere vriendin’, had ze er even later nog aan toegevoegd.
Haar vader was nog geen drie maanden dood geweest toen haar moeder haar nieuwe vriend aan haar had voorgesteld. Henk heette hij. Het enige dat ze zich nog van hem kon herinneren was dat het een enorme ouwehoer was. Verliefd op zijn eigen stem, ondanks dat hij feitelijk weinig te vertellen had. Voor dat weinige had hij wel een stortvloed aan woorden nodig. In het begin leek haar moeder dat wel prettig te vinden, maar na een tijdje klaagde ze dat ze er nooit tussen kwam als hij aan het woord was. Dus maakte ze het uit.
Een maand later had haar moeder een nieuwe vriend. Die heette, opvallend genoeg, ook Henk. Die tweede Henk had ze maar een engerd gevonden. Toen hij haar voor het eerst zag had hij wel erg nadrukkelijk naar haar decolleté gekeken. Dat hij daarbij onwillekeurig met zijn tong langs zijn lippen likte, had haar alleen maar meer verontrust. Maar toen hij begon te vertellen dat hij ruzie had met zijn kinderen, en die kinderen als ‘rotkinderen’ betitelde, wist ze zeker dat ze niets van hem moest hebben. Ouders die ruzie hebben met hun kinderen kunnen geen aardige mensen zijn, vond ze.
Twee jaar duurde de relatie met die tweede Henk. Nadat ze samen op vakantie waren geweest had haar moeder bij haar geklaagd dat Henk zo onaardig tegen haar was geweest tijdens die vakantie. ‘Zeg stom wijf, kom je nou nog’, had hij bijvoorbeeld gezegd toen ze even stil was blijven staan om naar een vogel te luisteren. ‘Zo moet je je niet laten behandelen mama’, had ze gezegd, ‘daar ben je veel te goed voor’. Een paar dagen later had haar moeder opgebeld met de mededeling dat ze het uit had gemaakt. ‘Maar ik geloof niet dat hij er erg om rouwt’, had ze eraan toegevoegd.
Niet lang daarna had ze weer een Henk aan de haak geslagen, maar deze Henk had het met haar uitgemaakt toen ze klaagde dat hij, naar haar idee, teveel op zijn racefiets zat en te weinig tijd aan haar besteedde. ‘Hij gaat iedere dag minstens vijftig kilometer fietsen’, sprak ze verontwaardigd. Toen ze van hem eiste dat hij voor haar of voor zijn racefiets moest kiezen, koos hij voor zijn racefiets. Na drie Henken had haar moeder het wel gezien met de mannen. Of misschien waren de Henken ook gewoon op geweest.
Onno haalt herinneringen op over zijn moeder. Het blijken vooral herinneringen te zijn die zijn gezin met haar deelden. Over zijn broer en zus spreekt hij nauwelijks. Alsof zij er niet wezenlijk toe doen. ‘Mama was dol op haar kleinkinderen’, zegt hij terwijl de zoveelste foto van oma met haar twee kleinkinderen voorbij komt. ‘Zij waren ook dol op haar’, vervolgt hij. Dat was ook zo. Hoeveel kritiek ze ook op haar moeder als mama had gehad, voor haar twee kleinkinderen was ze een lieve oma geweest. Het stoort haar wel een beetje dat Onno dit afscheid vooral over zijn gezin spreekt en niet over het gezin dat ze samen hadden gevormd. ‘Misschien had ik ook zelf het woord moeten voeren’, denkt ze, beseffend dat het daarvoor nu te laat is.
De afscheidsbijeenkomst komt ten einde. Met Mozart zacht op de achtergrond loopt ze naar de kist, tikt die even aan en zegt zacht: ‘Dag mama’. Dan loopt ze door, op weg naar de koffietafel. Ze schenkt zichzelf een kopje koffie in en legt twee broodjes op een bordje. Ze zet zich neer bij een tafel waar nog niemand zit. Even later gaat haar nicht Elsbeth aan haar tafeltje zitten met de woorden: ‘Nog gecondoleerd’. ‘Dank je’.
Even valt er een korte stilte. Ze nemen allebei een slok koffie. ‘Hoe is het met jou?, vraagt ze aan haar nicht. ‘Ik ga binnenkort verhuizen’, zegt Elsbeth, ‘naar Kan, vlak over de grens. Daar heb ik een klein huisje gekocht van het geld van de erfenis die papa me nagelaten heeft’. ‘Het spijt me dat ik niet op zijn begrafenis aanwezig was’, zegt ze, ‘ik hoorde het pas van Onno toen oom Willem al begraven was’. Elsbeth glimlacht. ‘Ja ach, dat kan gebeuren’, zegt ze.
Aan de tafel waar Onno met zijn gezin zit is het een stuk drukker dan aan haar tafeltje. Dat snapt ze wel. Onno is altijd in hun geboortestad blijven wonen en heeft ook altijd met alle familieleden contact onderhouden. Sinds ze uit haar geboortestad weg is, heeft ze nauwelijks contact meer gehad met haar familie. Feitelijk zijn de meesten vreemden voor haar geworden, ook de ooms en tantes waar ze als kind vaak kwam.
‘Weet je dat jij altijd mijn lievelingsnichtje bent geweest’, zegt tante Bertha met een glimlach nadat ze haar drie kussen op haar wangen heeft gegeven. ‘Nee, dat wist ik niet’, zegt ze naar waarheid. ‘Herinner je je niet dat we een hele speciale band hadden toen je klein was?’, vraagt tante Bertha vriendelijk. Dat verbaast haar. Toch twijfelt ze niet aan de oprechtheid van haar tante. Ze realiseert zich dat het beeld dat ze van haar tante heeft sterk gekleurd is door de manier waarop haar moeder het over haar had.
Haar moeder was nooit erg positief over haar zus geweest. Dat was maar een haaibaai naar haar mening. Niets wat tante Bertha deed kon op haar goedkeuring rekenen. Zelfs het feit dat tante Bertha drie keer per dag haar tanden poetste had haar moeder als ‘sterk overdreven’ betiteld. Volgens haar moeder was het niet nodig om je tanden vaker dan één keer per dag te poetsen en was het maar flauwekul om dat ’s ochtends, ’s middags én ’s avonds te doen. Bertha was de jongste zus van haar moeder en had, als enig meisje, wel door mogen leren. ‘Daardoor heeft ze het alleen maar hoog in de bol gekregen’, vond haar moeder.
Dat tante Bertha haar als haar lievelingsnichtje beschouwt, verbaast haar dan ook. Ze voelt zich er ook door gevleid. En als ze in de vriendelijke ogen van haar tante kijkt realiseert ze zich pas goed hoe haar moeder er, door haar negativiteit, voor gezorgd heeft dat ze met geen enkele oom of tante een hechte band heeft kunnen vormen. Alsof ze, als ze dat wel had gedaan, haar moeder zou hebben afgevallen. Het is eigenlijk onmogelijk om als kind een hechte band ontwikkelen met mensen die door je moeder afgewezen worden.
En toch waren die ooms en tantes er allemaal voor haar moeder geweest nadat haar vader was gestorven. En zeker nadat de laatste Henk het uitgemaakt had, waren de tantes er geweest om samen met haar moeder uitstapjes te maken. Ze waren allemaal solidair met haar moeder gebleven, ondanks de wrevel die ze onderling wel degelijk gehad hadden moeten hebben.
‘Een week voordat je moeder gestorven is ben ik nog bij haar langs geweest’, zegt tante Bertha. ‘Ze praatte honderduit, maar ik kon er niks meer van verstaan. Ik heb tegen haar gezegd dat ik van haar hield en toen glimlachte ze even, dus ik denk dat ze het wel verstaan heeft.’ ‘Dat is mooi, tante Bertha’, zegt ze ontroerd. Tante Bertha staat op. ‘Het gaat je goed’, zegt ze. Ze glimlacht, staat ook op en geeft haar tante een kus op beide wangen. ‘U ook’, zegt ze.
Neven, nichten, ooms, tantes en kennissen komen allemaal even afscheid nemen. ‘Het is tijd om te gaan’, zegt Onno. ‘Ik heb voor ons een plek in een restaurant gereserveerd. Dan kunnen we daar nog even napraten’. ‘Dat is goed, maar ik wil wel de trein van half tien halen, anders kom ik veel te laat thuis’. ‘Dat moet lukken, toch?’. Ze neemt haar mobieltje en tikt er snel even een boodschap op. Dan loopt ze achter Onno en diens gezin en Herman en diens partner het crematorium uit. In de gang staat het volgende gezelschap al te wachten.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: